Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TACAKN:2020:6
Datum uitspraak:
03-02-2020
Datum publicatie:
03-02-2020
Zaaknummer(s):
19/1337 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:
Ongegronde klacht over de verwerking van een onttrekking aan bestemmingsreserves in de jaarrekening van een vereniging.

 

 

 

 

ACCOUNTANTSKAMER

 

 

 

 

BESLISSINGex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants(Wtra)in de zaak met nummer19/1337Wtra AKvan3 februari 2020van

 

[X]

gevestigd te [plaats1]

K L A A G S T E R

raadsman: mr. [A]

 

t e g e n

 

Y

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats1]

B E T R O K K E N E,

raadsman: mr. M.P. Vink



1.         Het verloop van de procedure

 

1.1       De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de aan partijen bekende stukken van het dossier in deze zaak, waaronder:

-         het op 19 juli 2019 ingekomen klaagschrift van 18 juli 2019 met bijlagen;

-         de op 25 juli 2019 ingekomen brief van klaagster met bijlagen;

-         de op 14 augustus 2019 ingekomen brief van 13 augustus 2019 van klaagster met bijlagen;

-         het op 30 september 2019 per post ingekomen verweerschrift met bijlagen van

27 september 2019;

-         de op 26 november 2019 ingekomen brief van betrokkene van dezelfde datum.

 

1.2       De Accountantskamer heeft de klacht behandeld op de openbare zitting van

6 december 2019 waar zijn verschenen: klaagster (hierna ook: de vereniging) vertegenwoordigd door haar penningmeester mr.bc. [B] (hierna: [B]), bijgestaan door mr.  [A] voormeld,  en betrokkene in persoon bijgestaan door mr.  Vink.  

 

1.3      Klaagster en betrokkene hebben op genoemde zitting hun standpunten (aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de Accountantskamer zijn overgelegd) toegelicht en geantwoord op vragen van de Accountantskamer.

 

2.         De vaststaande feiten

 

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde op de zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

 

2.1       Betrokkene staat sinds 6 december 1996 ingeschreven in het accountantsregister van thans de Nba. Hij is als openbaar accountant verbonden aan [accountantskantoor] (hierna: [accountantskantoor]) te [plaats2] en [plaats3]. De vereniging heeft tot doel het bevorderen van de hengelsport in [provincie] en is het overkoepelend orgaan van alle [provincie] hengelsportverenigingen. Zij is 20 jaar klant geweest van [accountantskantoor] en haar rechtsvoorganger. Bij de jaarrekeningen van klaagster over de boekjaren 2016 en 2017 heeft betrokkene een samenstellingsverklaring verstrekt.

 

2.2       Bij brief van 21 maart 2016 heeft [accountantskantoor] de samenstellingsopdracht voor het verslagjaar 2015 met stilzwijgende verlenging voor opvolgende verslagjaren aan klaagster bevestigd.

 

2.3       In de jaarrekening 2017 van de vereniging is een Eigen Vermogen vermeld per

31 december 2016 ten bedrage van € 578.907 en per 31 december 2017 ten bedrage van  

€ 475.009.  In de staat van baten en lasten over 2017 is een verlies vermeld ten bedrage van € 95.048.  

 

2.4       Bij de vereniging is door de Belastingdienst Midden- en kleinbedrijf Kantoor [plaats3], in 2017 een boekenonderzoek uitgevoerd.  Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen van de vereniging over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2016. Bij brief van 12 september 2017 is het openbaar gedeelte van het concept-controlerapport van 12 september 2017 aan de vereniging gestuurd. Daarin staat dat over de jaren 2012 tot en met 2016 naheffingsaanslagen zullen worden opgelegd, totaal voor een bedrag van € 82.905 en dat over het jaar 2017 een correctieverplichting zal worden opgelegd van € 3.918.

 

2.5       De belastingdienst heeft een naheffingsaanslag over de jaren 2012 tot en met 2016 opgelegd van € 111.072.

 

2.6       Klaagster heeft de klantrelatie met het kantoor bij brief van 29 november 2018 beëindigd.  [B] is per 1 januari 2019 aangetreden als nieuwe penningmeester van de vereniging en hij heeft een start gemaakt met het samenstellen van de jaarrekening 2018.

 

2.7       Per e-mail van 10 februari 2019, 13.35 uur heeft [B] aan [C] van [accountantskantoor] het volgende geschreven:

“In de jaarrekening 2017 van [X] wordt een Begin Eigen Vermogen gepresenteerd van € 578.907 en een Eind Eigen Vermogen van

 € 475.009. Vermogensverschil bedraagt derhalve € 103.898. Het verlies over het betreffende boekjaar beraagt € 95.048. Ik heb derhalve geen aansluiting. Hoe zit dit?

 

2.8       [C] heeft hem geantwoord per e-mail van 11 februari 2019 7.52 uur dat hij geen rekening heeft gehouden met de bestemmingsfondsen waarvan de bedragen vermeld zijn op pagina’s 16 en 17 van de jaarrekening. Voor 2017 is dat een bedrag van € 63.250 en voor 2016 een bedrag van € 62.650.

 

2.9       Op 11 februari 2019   hebben [B] en [C] daarover nogmaals per e-mail gecommuniceerd. Volgens [B] is het onmogelijk dat na een verliesverwerking van

€ 95.048 een vermogensmutatie optreedt van € 103.898. [C] heeft laten weten dat het Eigen Vermogen bestaat uit bestemmingsfondsen en vrij besteedbaar vermogen en dat hij aan zijn eerdere toelichting van 11 februari 2019 niets heeft toe te voegen

 

2.10     Hierna heeft [B] betrokkene op 11 februari 2019 gemaild en om een overleg gevraagd omdat de jaarrekening 2017, waarvan betrokkene de tekenend accountant is, volgens hem fout was.

Betrokkene heeft die dag daarop per e-mail geantwoord:  

“Mijn collega [C] heeft uitleg gegeven over het verloop en de samenstelling van het eigen vermogen over het boekjaar 2017.

Uit de jaarrekening 2017 blijkt het volgende:

De Stichting heeft over het boekjaar 2017 een nadelig exploitatieresultaat van -/-  € 95.048

Uit de Bestemmingsfondsen is onttrekking gedaan van                                          -/-      8.850

Totale afname van het eigen vermogen bedraagt                                                   -/-€ 103.898

 

Bedragen komen overeen met de jaarrekening 2017.

De dotaties en onttrekkingen van de fondsen zijn conform de richtlijnen en de besluiten binnen de Stichting

Vertrouwende u vraag hiermee te hebben beantwoord.”

 

2.11     De nieuwe accountant van de vereniging  heeft de  Nba om advies gevraagd over de verwerking in de jaarrekening. [B] heeft dat advies aan betrokkene gemaild en heeft verzocht om een schikking te treffen.

 

2.12     De jurist  van [accountantskantoor] heeft per e-mail van 14 maart 2019 het volgende geantwoord:

“Ik heb intern overlegd.

In de jaarrekening van Stichting [X1] wordt vanuit het Vrij besteedbaar vermogen een bedrag gedoteerd aan de Bestemmingsfondsen.

Volgens Rjk C1.306 is een deel van het eigen vermogen afgezonderd omdat daaraan een beperkte bestedingsmogelijkheid is gegeven, dit deel vormt het bestemmingsfonds. Alle mutaties dienen via de staat van baten en lasten te verlopen (Rjk C1.201). De dotaties in het verleden zijn niet via de staat van baten en lasten verlopen, omdat deze zijn verwerkt als resultaatbestemming.

Een deel van het jaarlijks exploitatiesaldo is bestemd geweest voor aanvulling van de bestemmingsfondsen. Deze aanvulling is ook al verwerkt in de jaarrekening. Dit komt tot uitdrukking in de toevoeging aan het bestemmingsfonds vanuit het vrij besteedbaar vermogen. Volgens Rjk C1.304 moet deze resultaatbestemming worden vermeld onder de staat van baten en lasten. Voor zover dit niet is gebeurd, kan dit vanaf het boekjaar 2018 worden vermeld. Dat is geen probleem.

In dit kader deel ik u het volgende mee.

De goedkeuring van de jaarrekeningen door het bestuur van de stichting dient aangemerkt te worden als instemming met de in de jaarrekening verwerkte resultaatbestemming. De posten in de jaarrekening zijn niet onjuist weergegeven en daardoor dient derhalve de jaarrekening 2017 niet te worden aangepast, immers een en ander heeft geen gevolgen voor de splitsing tussen het vrij besteedbaar vermogen en de bestemmingsfondsen.

Het door u gevraagde gesprek over een schikking hoeft dan ook niet plaats te vinden. Een schikking is immers niet aan de orde.

 

3.         De klacht

 

3.1       Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

 

3.2       Ten grondslag aan de klacht liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door en namens klaagster gegeven toelichting, de volgende verwijten:

  1. De vermogensaansluiting klopt niet in de jaarrekening over 2017 van klaagster in vergelijking met de jaarrekening over 2016. In 2017 is het eigen vermogen afgenomen met € 103.898 terwijl er een verlies verantwoord is van € 95.048;
  2. Betrokkene heeft zijn zorgplicht geschonden door na te laten om klaagster er op te wijzen dat de maximale vrijwilligersvergoedingen met uitbetaalde bedragen aan derden in de jaren 2012 tot en met 2016 werden overschreden. Dit heeft geresulteerd in een naheffingsaanslag van de fiscus van € 111.072.

 

4.         De gronden van de beslissing

 

4.1       Op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) is de accountant ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

 

4.2       Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

 

4.3      Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klaagster is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

 

4.4       De Accountantskamer overweegt over klachtonderdeel a. het volgende. Klaagster is een vereniging waarop de bepalingen van het BW over de jaarrekening en het bestuursverslag (Titel 9 Boek 2 BW) en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ) niet direct of indirect van toepassing zijn. Omdat klaagster er, zo blijkt uit bladzijde 12 van de toelichting bij de jaarrekening, voor gekozen heeft deze met toepassing van de RJ samen te stellen vormen die het kader voor de beoordeling van het klachtonderdeel. In de toelichting bij de jaarrekening is de RJ 630 vermeld. Betrokkene heeft terecht naar voren gebracht dat dat RJ 640 had moeten zijn. Omdat klaagster een kleine organisatie-zonder-winststreven is, zoals gedefinieerd in RJk C1.102, zijn de richtlijnen van de afdeling RJk C1 van toepassing.  Net als in paragraaf RJ 640.2 is in afdeling RJk C1.201 bepaald dat uitgaven die worden gedekt uit bestemmingsreserves en bestemmingsfondsen (eveneens) in de staat van baten en lasten worden verantwoord. De onttrekking van € 8.850 aan de bestemmingsfondsen had in die systematiek  ook in de staat van baten en lasten moeten worden verantwoord. Omdat dat achterwege is gebleven, klopt de aansluiting van het vermogen in de jaarrekening over 2017 niet in vergelijking met de jaarrekening over 2016.  Het verwijt is in zoverre terecht naar voren gebracht. Over de vraag of dit ook tuchtrechtelijke consequenties moet hebben, is de Accountantskamer van oordeel dat dit niet het geval is. Uit de balans en  de toelichting daarop blijkt dat het bedrag van € 8.850 wel is verantwoord, weliswaar via het eigen vermogen en dus niet via de staat van baten en lasten. Naar het oordeel van de Accountantskamer voldoet de jaarrekening als geheel wel aan het inzichtvereiste zoals uiteengezet in RJk C1.103. Gelet hierop is het klachtonderdeel ongegrond.

 

4.5       Klachtonderdeel b. is ongegrond omdat betrokkene geen enkele bemoeienis heeft gehad met het samenstellen van de jaarrekeningen over 2012 tot en met 2016. Hij heeft onbetwist naar voren gebracht niet eerder dan in 2018 bij de door klaagster aan [accountantskantoor] verstrekte opdracht betrokken te zijn geweest.  In het tuchtrecht gaat het om persoonlijke verwijtbaarheid. Het betoog van klaagster dat de gevolgen van de schending van de zorgplicht in het verleden doorwerken naar de toekomst maken niet dat betrokkene vaktechnisch verantwoordelijk gehouden kan worden voor die handelwijze.

 

5.         Beslissing

 

De Accountantskamer:

·        verklaart  de klachtonderdelen a. en  b.  ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, mr. E.F. Smeele en mr. C.H. de Haan (rechterlijke leden) en Th.A. Verkade RA en E.M. van de Velden AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. G.A. Genee, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 3 februari  2020.

 

 

________                                                                                       __________

secretaris                                                                                         voorzitter

 

 

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:____________________________

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ingevolge artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift dient de gronden van het beroep te bevatten en te zijn ondertekend.

 

RA

Meer informatie

Acties

Meta gegevens