Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TACAKN:2019:3
Datum uitspraak:
09-01-2019
Datum publicatie:
09-01-2019
Zaaknummer(s):
18/446 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
Klacht gegrond met waarschuwing Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:
Uit het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid vloeit voort (net als geldt bij het samenstellen van een jaarrekening) dat een accountant bij het verrichten van fiscale werkzaamheden (het in casu opstellen van een OB-aangifte), indien deze constateert dat de door de cliënt verschafte gegevens onjuist, onvolledig of anderszins onbevredigend zijn, bij de cliënt inlichtingen inwint om de betrouwbaarheid van de door deze verstrekte informatie vast te stellen of te verifiëren. In casu heeft betrokkene ter zake de post privéonttrekkingen nagelaten daaraan te voldoen.Waarschuwing. 

 

 

 

 

ACCOUNTANTSKAMER

 

 

 

 

BESLISSINGex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants(Wtra)in de zaak met nummer18/446Wtra AKvanwoensdag 9 januari 2019van

 

 

X,

wonende te [woonplaats1],

K L A G E R,

raadsvrouw: mr. Y.K. de Boer,

 

t e g e n

 

Y,

registeraccountant,

kantoorhoudende te [plaats1],

B E T R O K K E N E,

raadsman: mr. G. Kattenberg

 



1.         Het verloop van de procedure

 

1.1       De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de aan partijen bekende stukken van het dossier in deze zaak, waaronder:

-       het op 2 maart 2018 ingekomen klaagschrift van 28 februari 2018 met bijlagen;

-       het op 14 mei 2018 ingekomen verweerschrift van diezelfde datum met bijlagen.

 

1.2       De Accountantskamer heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 22 juni 2018 waar zijn verschenen: klager in persoon, bijgestaan door mr. Y.K. de Boer, advocaat te Den Haag, en betrokkene in persoon, bijgestaan door mr. G. Kattenberg, advocaat te Amsterdam.

 

1.3      Klager en betrokkene hebben op genoemde zitting hun standpunten doen toelichten (aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de Accountantskamer zijn overgelegd) en toegelicht, alsmede doen antwoorden en/of geantwoord op vragen van de Accountantskamer.

 

2.         De vaststaande feiten

 

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde ter zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

 

2.1       Betrokkene is als openbaar accountant werkzaam voor [Accountants en Adviseurs BV.1] te [plaats1]  (hierna: [Accountants en Adviseurs BV.1]).

 

2.2       Klager heeft de lunchroom waar hij sinds maart 2007 als kok werkzaam was op grond van een op [datum1] gesloten koopovereenkomst per [datum2] overgenomen. De administratie is sindsdien verzorgd door zijn schoonvader [A], voorheen staalconstructeur, nadat die daartoe bij [Accountants en Adviserus BV.1] een cursus had gevolgd.

 

2.3       Op verzoek van klager heeft [B] AA (hierna: [B]), die werkzaam was bij [Accountants en Adviseurs BV.1], op 22 december 2011 een offerte uitgebracht voor accountants- en overige werkzaamheden waaronder het samenstellen van de jaarrekening 2012 van de eenmanszaak, het verzorgen van de salaris- en personeelsadministratie, het verzorgen van de aangifte inkomstenbelasting en het controleren en bespreken van de aanslagen inkomstenbelasting. Deze offerte heeft klager geaccepteerd. Tevens heeft hij geopteerd voor de in de offerte geboden mogelijkheid om gebruik te maken van het online internet boekhoudpakket Account View.

De aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting 2012 werden verzorgd door mr. [C] (hierna: [C]) van [Accountants en Adviseurs BV.1].

           

2.4       Medio 2013 is de lunchroom verhuisd en het assortiment uitgebreid met diners.

 

2.5       Na het vertrek van [B] bij [Accountants en Adviseurs BV.1] heeft betrokkene als opvolgend accountant de werkzaamheden overgenomen. Zij heeft klager bij brief van 9 mei 2014 een opdrachtbevestiging doen toekomen om de  jaarrekeningen van de lunchroom vanaf 2013 samen te stellen en eventuele additionele werkzaamheden op verzoek van klager uit te voeren.

 

2.6       Betrokkene stelde ook ieder kwartaal, na ontvangst van omzetgegevens van [A], de kopieën van de bankafschriften en een voorraadopgave, de btw-aangiften 2013 op. Voorts verwerkte zij de loonjournaalpost, de afschrijvingen en de voorraad-mutaties en sloot zij de bankafschriften aan met de door klager opgegeven bankstand in Accountview. Bij de jaarrekening 2013 van de lunchroom heeft betrokkene op 12 juni 2014 een samenstellingsverklaring afgegeven.

 

2.7       Voorafgaand aan het afgeven van de samenstellingsverklaring heeft betrokkene de omzet- en kostprijsontwikkelingen van klager in kaart gebracht en vergeleken met de branchegegevens. Die vergelijking is schriftelijk vastgelegd en samen met de conceptjaarrekening 2013 op 12 juni 2014 met klager besproken.

 

2.8       De aangifte inkomstenbelasting 2013 werd (nog steeds) als additionele opdracht verzorgd door [C].

 

2.9       Op 7 mei 2015 heeft de Belastingdienst een boekenonderzoek aangekondigd bij klager. Klager heeft [Acountants en Adviseurs BV.1] verzocht hem hierbij te begeleiden. Op 23 juni 2015 is het onderzoek gestart.

 

2.10     De resultaten van het controleonderzoek zijn neergelegd in een (ongedateerd) conceptrapport dat is geschreven met het oogmerk heffing en inning door de Belastingdienst te ondersteunen. Daarin staat dat de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013, de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2013 en de loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013, onderzocht is.

 

2.11     Op 27 juni 2016 heeft de Belastingdienst aan klager een informatiebeschikking gebaseerd op artikel 52a Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verzonden, omdat hij niet voldaan had aan zijn informatieplicht als bedoeld in artikel 52 AWR. Daarin is vermeld dat de administratie van de lunchroom niet voldeed aan de wettelijke normen op de punten voorraadadministratie, onttrekking goederen voor privé, uitval van goederen, gratis drankjes, relatiegeschenken, bestelbonnen, samenstelling lunches en diner.

Tegen deze beschikking is pro forma bezwaar gemaakt.

 

2.12     In opdracht van klager heeft [Bedrijfsadvies1] (hiena: [Bedrijfsadvies1]) een analyse gemaakt van de bevindingen van de inspecteur van belastingen. [Bedrijfsadvies1] heeft daarover op 24 augustus 2016 rapport over uit gebracht.

De door klager opgegeven omzet is vergeleken met de theoretische omzetberekening van de inspecteur.

In dat rapport staat:

“1.2 Het belastingdienst Boekenonderzoek 2013

In 2015 heeft de Belastingdienst een boekenonderzoek gestart. Het boekenonderzoek richt zich op boekjaar 2013. Eind 2015 heeft de controlemedewerker (...) zijn eerste bevindingen kenbaar gemaakt aan de ondernemer en zijn accountantskantoor [Accountants en Adviseurs BV.1], ook in [plaats1].

Sindsdien is er een aantal contacten geweest tussen partijen, een aantal zaken in goed overleg aangepast en toegelicht. Op 31 maart 2016 is een compromisvoorstel gedaan door de Belastingdienst.

Ondernemer heeft bij monde van zijn accountant per email op 18 april 2016 laten weten met dit compromisvoorstel niet akkoord te kunnen gaan.

Op 27 juni 2016 heeft de Belastingdienst een Informatiebeschikking aan de heer [X] gezonden. Waar de accountant namens zijn cliënt op 4 augustus 2016 pro forma bezwaar tegen heeft aangetekend. Binnen vier weken zullen de gronden van het bezwaar ingediend moeten zijn.

(...)

6. Conclusie

Middels deze rapportage heeft [BedrijfAdvies1] de aangegeven omzet van [voornaam1] vergeleken met de theoretische omzetberekening van de Inspecteur van Belastingen die deze gemaakt heeft aan de hand van de inkoop en een theoretische omzet berekening op basis van branchecijfers, waarvan overigens de bron niet is vermeld.

Het verschil tussen deze omzetten bedraagt € 97.438,84 exclusief OB, waarvan € 27.395,84 bij drank 'hoog' en € 70.043,- bij keuken. Beide partijen zijn op zoek naar een plausibele verklaring

Ondernemer heeft [BedrijfsAdvies1] om ondersteuning gevraagd. [BedrijfsAdvies1] heeft met onderbouwing een aantal mutaties gedaan in de berekeningen van de Inspecteur. Deze zijn uitgebreid toegelicht. Uiteindelijk komt [BedrijfsAdvies1] tot een verschil van - € 1.702,48, lager dan de aangegeven omzet en € 22.716,- en een aantal pm posten, per saldo dus € 21.023,52 plus een aantal pm. posten Alle bedragen exclusief OB en enkele pm posten. (...)

Tot slot

[ BedrijfsAdvies1] is van mening dat het verschil in omzet met de aangebrachte mutaties tot een minimum zijn teruggebracht, en met inachtname van de pm posten er waarschijnlijk een te verwaarlozen verschil resteert in 2013.

 

2.13     Dit rapport was voor de Belastingdienst aanleiding om haar conclusies/bevindingen deels te herzien en na uitvoerig overleg met de Belastingdienst hebben klager en de Belastingdienst op 23 november 2016 een vaststellingovereenkomst gesloten. In die overeenkomst staat:

2. Omschrijving van het geschil/de onzekerheid

De kwestie waarover partijen van mening verschillen\in onzekerheid verkeren luidt als volgt:

Tijdens het boekenonderzoek is partij B [Belastingdienst] tot de conclusie gekomen, dat de door de heer [X] aangegeven omzet over het jaar 2013 op basis van een theoretische omzetberekening te laag is. Voor de verdere bevindingen verwijs ik naar het bijgevoegd rapport.

Er is niet met zekerheid vast te stellen hoeveel omzet in het jaar 2013 niet is aangegeven door de heer [X]. (...)

3. Overleg en correspondentie

Aan de totstandkoming van deze overeenkomst is het volgende voorafgegaan:

Mondeling overleg tussen partijen A [klager met adviseur mr. [C]] en B op: 18 september 2016 en op 15 november 2016.

In dit mondelinge overleg zijn de uitkomsten besproken met betrekking tot het ingestelde boekenonderzoek en het tegenonderzoek van de [Bedrijfsadvies1] met de heer mr. [C] en mevrouw Y RA. Beide partijen hebben gestreefd naar een voor beide partijen aanvaardbare uitkomst.

Naar aanleiding van dit gesprek zijn partijen overeengekomen dat met betrekking tot de omzet een correctie zal worden toegepast van € 40.000 op de omzet. Aan de heer mr. [C] is aangegeven de correcties en de vergrijpboete die besproken zijn te accepteren door middel van een vaststellingsovereenkomst. Hiervoor wordt met betrekking tot de correcties en de vergrijpboete verwezen naar het bijgevoegde rapport. (...)”.

 

2.14     In november 2016 heeft klager de samenwerking met [Accountants en Adviseurs BV.1] beëindigd.

 

2.15     Het boekenonderzoek heeft geresulteerd in diverse belastingaanslagen en vergrijpboetes te weten: een navorderingsaanslag inkomstenbelasting ad € 35.486 (inclusief vergrijpboete ad € 6.521), een navorderingsaanslag premie zorgverzekeringswet ad € 607, een naheffingsaanslag omzetbelasting ad € 3.384 (inclusief vergrijpboete ad       € 275) en een aanslag kinderopvangtoeslag € 6.266.

 

2.16     Bij brief van 6 oktober 2017 heeft klager [Accountants en Adviseurs BV.1] laten weten de door hem geleden schade door het tekortschieten in de uitvoering van overeengekomen werkzaamheden op [Accountants en Adviseurs BV.1] te willen verhalen.

 

2.17     Bij brief van 3 januari 2018 heeft [Accountants en Adviseurs BV.1] elke aansprakelijkheid voor door klager geleden schade van de hand gewezen.

 

3.         De klacht

 

3.1       Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor haar geldende gedrags- en beroepsregels.

 

3.2       Ten grondslag aan de klacht ligt, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door en namens klager gegeven toelichting, het verwijt dat betrokkene heeft verzuimd om na te gaan of de door klager aangeleverde financiële gegevens 2013 terzake de verwerking en de wettelijke presentatie voldeden aan de door de Belastingdienst gestelde eisen en of er een noodzaak was om die informatie te verifiëren.

 

4.         De gronden van de beslissing

 

Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende. 

 

4.1       Op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) is de accountant ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

 

4.2       Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet, nu dit plaatshad ná 4 januari 2014, worden getoetst aan de sindsdien geldende Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

 

4.3      Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klager is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

 

4.4       Klager heeft zich in de kern op het standpunt gesteld dat betrokkene zich, gelet op klagers ondeskundigheid, gebrek aan ervaring in financiële bedrijfsvoering en de problemen van zijn onderneming, van aanvang af zich had moeten afvragen of de door klager aangeleverde gegevens mogelijk onvolledig of onjuist waren, hetgeen reden was voor extra verificatie en eventuele navraag bij klager, zodat ze de door de fiscus vastgestelde tekortkomingen tijdig had gesignaleerd en bij klager had aangekaart. Zij had volgens klager moeten of kunnen constateren dat de door klager verstrekte administratieve gegevens voor een deel onjuist, onvolledig of anderszins onbevredigend waren.  

 

4.5       Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat het verwijt iedere grond ontbeert omdat klager zelf verantwoordelijk was voor administratievoering en betrokkene geen reden had om aan die administratievoering te twijfelen. Als chefkok had klager volgens betrokkene voldoende (horeca)ervaring om te weten welke eisen de Belastingdienst aan de administratie van een horecaonderneming stelt en bovendien werd hij in de administratievoering bijgestaan door [A] en had hij een adviseur bedrijfsvoering. Voorts is haar in de contactmomenten met klager niet gebleken dat klager of [A] onkundig waren in het voeren van de administratie.

Betrokkene stelt voldoende inzicht te hebben gekregen in de voorraad door de kwartaalvoorraadoverzichten die klager opstelde aan de hand van tellingen van de voorraad, en de behaalde omzet die betrokkene doorgaf in Accountview. 

In deze gegevens waren volgens betrokkene de onttrekking van goederen voor privé, de uitval van goederen, de gratis drankjes en de relatiegeschenken al verwerkt, terwijl kennisname van de bestelbonnen en de vastlegging van de samenstelling van lunches en diners voor het samenstellen van de jaarrekening volgens haar niet noodzakelijk was. De aangiften omzetbelasting in 2013 lieten geen onverklaarbare afwijkingen zien vergeleken met de aangiften over eerdere jaren, zo heeft klaagster voorts betoogd. Daardoor was van signalen dat de administratievoering ontoereikend  was volgens haar geen sprake.

 

4.6.1    De Accountantskamer oordeelt hierover als volgt.

Op grond van paragraaf 13 en 14 van de (destijds geldende) Standaard 4410 van de Nadere voorschriften controle en overige standaarden hoefde betrokkene voor haar samenstel-werkzaamheden in beginsel niet bij klager inlichtingen in te winnen om de betrouwbaarheid en volledigheid van de door hem verstrekte informatie vast te stellen of deze te verifiëren. Het uitvoeren van die werkzaamheden diende ze echter wel te overwegen indien ze zou constateren dat de door klager verstrekte gegevens onjuist, onvolledig of anderszins onbevredigend waren. Daarbij diende ze op grond van artikel 20 van de VGBA professionele oordeelsvorming toe te passen.

Al eerder heeft de Accountantskamer geoordeeld[1] dat uit het fundamentele beginsel van vakbekaamheid en zorgvuldigheid eenzelfde handelwijze voortvloeit voor door een accountant te verrichten fiscale werkzaamheden, die op zich buiten het toepassingsbereik van Standaard 4410 vallen.

 

4.6.2    Tegen de achtergrond van deze systematiek heeft klager naar het oordeel van de Accountantskamer gelet op het gemotiveerde verweer van betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat zij in het kader van de samenstelwerkzaamheden de van klager verkregen informatie aan een nader onderzoek had moeten onderwerpen. Met name is onvoldoende gebleken dat er daadwerkelijk voor betrokkene aanwijzingen waren dat de door klager verstrekte informatie onvolledig was; de door betrokkene gemaakte cijferbeoordelingen gaven daar ook geen aanleiding voor. Ook is niet aannemelijk geworden dat betrokkene tijdens meerdere besprekingen met klager en onder meer zijn schoonvader signalen had moeten opvangen dat klager zijn administratie, voor het voeren waarvan hijzelf de verantwoordelijkheid was overeengekomen, niet op orde had. Het enkele feit dat betrokkene een beginnend ondernemer was, doet daar onvoldoende aan af. In zoverre is de klacht ongegrond.

Zulks geldt evenzeer voor de door betrokkene uitgevoerde fiscale werkzaamheden, behalve wat betreft na te melden klachtonderdeel terzake haar onderzoeksplicht naar het door klager opgegeven privegebruik als nihil.

 

4.6.3    Ten aanzien van haar werkzaamheden met betrekking tot de aangiften omzetbelasting geldt dat privéonttrekkingen als een expliciet aandachtspunt deel van de aangifte uitmaken en mede de hoogte van de btw-afdracht bepalen, waardoor deze apart geadministreerd moeten worden. Tot de werkzaamheden voor het verzorgen van de aangiften omzetbelasting behoorde het derhalve om te bezien of en in welke mate sprake was van privéonttrekkingen. Betrokkene heeft ter zitting bevestigd dat voor privégebruik een standaardvraag (1d) is opgenomen op het formulier aangifte omzetbelasting. Op de aangifte voor klager is bij deze vraag ingevuld dat het privégebruik van klager nul was, omdat betrokkene van klager had vernomen dat hij alleen voorraad die over datum was, mee naar huis nam. Dit betrof overigens geen vastlegging van het antwoord van klager op een door betrokkene specifiek daarover gestelde vraag, aldus betrokkene.

Bij de uitvoering van deze opdracht had naar het oordeel van de Accountantskamer echter van betrokkene mogen worden verwacht, zeker nu het betrof een horecaonderneming waarbij privégebruik zeer gebruikelijk is, dieper op dit specifieke onderwerp in te gaan door bij betrokkene naar het ontbreken van privégebruik en de (deugdelijke) administratie daarvan te informeren. Door dat achterwege te laten en te volstaan met het afleiden van privégebruik uit anderszins verkregen informatie van klager, heeft betrokkene in zoverre gehandeld in strijd met het fundamente beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid bedoeld in artikel 13 juncto artikel 20 van de VGBA. De klacht is in zoverre gegrond.

 

4.7      Nu de klacht (gedeeltelijk) gegrond moet worden verklaard, kan de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. Bij de beslissing daarover houdt zij rekening met de aard en de ernst van het verzuim van de betrokkene en de omstandigheden waaronder dit zich heeft voorgedaan. De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

 

4.8       Op grond van het hiervoor overwogene wordt als volgt beslist.

 

5.         Beslissing

 

De Accountantskamer:

 

·      verklaart de klacht gegrond zoals hiervoor vermeld en voor het overige ongegrond;

 

·      legt ter zake aan betrokkene op de maatregel van waarschuwing;

 

·      verstaat dat de AFM en de voorzitter van de Nba na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;

 

·      verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klager betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klager vergoedt.

 

Aldus beslist door mr. M.B. Werkhoven, voorzitter, mr. A.L. Goederee en mr. J.W. Frieling (rechterlijke leden) en Th.A. Verkade RA en E.M. van der Velden AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. G.A. Genee, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2019.

 

 

_________                                                                                     __________

secretaris                                                                                         voorzitter

 

 

 

 

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

 

 

 

 

 

Ingevolge artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift dient de gronden van het beroep te bevatten en te zijn ondertekend.




[1]  Zie onder meer de uitspraak van 23 januari 2015, ECLI:NL:TACAKN:2015:5 (13/2415 Wtra AK).     

RA

Meer informatie

Acties

Meta gegevens