Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar overzicht

ECLI:
ECLI:NL:TACAKN:2019:11
Datum uitspraak:
01-02-2019
Datum publicatie:
01-02-2019
Zaaknummer(s):
17/2151 en 17/2152 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
Klacht gegrond met tijdelijke doorhaling Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:
Klacht over controle van de post goodwill (samenhangend met in- en uittreding van een of meer aandeelhouders) in de jaarrekening 2011 gegrond. In geen van de documenten uit het controledossier waarnaar betrokkene 1) ter onderbouwing van zijn verweer verwijst, is expliciet vastgelegd op grond van welke gegevens en afwegingen hij het opnemen van goodwill aanvaardbaar heeft geacht. Een document behelst alleen de blote mededeling dat de post immateriële activa geen intern gegenereerde goodwill omvat. In geen van de documenten staat wat de algemeen heersende opvatting is over de verwerking van goodwill in een context zoals die bij de entiteit, waarom die opvatting als de algemeen heersende moet worden beschouwd en evenmin waarom aan die opvatting zoveel gezag toegekend moet worden dat ze een goede reden oplevert om af te wijken van het uitgangspunt neergelegd in RJ 115.107 (bij het opstellen van de jaarrekening dient de economische realiteit van transacties te worden gevolgd). Betrokkene (1) heeft verder bij de controle van de afschrijving van de goodwill geen van de stappen voorgeschreven in NVCOS 540 uitgevoerd. Wat hij wel heeft gedaan en vastgelegd in het dossier, kan niet worden gezien als een beoordeling van de gegevens en het onderzoek naar de veronderstellingen, waarop de schatting is gebaseerd.Betrokkene 2) had de dagelijkse leiding over het controleteam en is daarom in dezelfde mate tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor de werkzaamheden in het kader van de controle van de jaarrekening over 2011 en de vastlegging daarvan.Klacht over dividenduitkeringen gedaan in 2012 gegrond. Die uitkeringen vormden bij de controle van de jaarrekening over dat jaar, waarbij een afkeurende controleverklaring was gegeven vanwege de verwerking van goodwill voortvloeiend uit de in- en uittreding van een of meer aandeelhouders, een omstandigheid die gerede twijfel kon doen ontstaan over de juistheid van de gehanteerde continuïteitsveronderstelling. Betrokkene 2) heeft dat ten onrechte niet onderkend.

 

 

 

 

ACCOUNTANTSKAMER

 

 

 

BESLISSINGex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants(Wtra)in de zaken met de nummers17/2151 en 17/2152Wtra AKvan1 februari 2019van

 

mr. S.D. van de Kant,

in zijn hoedanigheid van curator in de

faillissementen vaN

[A] BuSiness CREATORS B.V.,

[A] STRATEGY MANAGEMENT and Corporate Finance Group B.V.,

[A] Consulting B.v.,

[A] Services B.v. EN

[A] Companies and Assigments B.V.,

Hierna te noemen: De [A] vennootschappen,

gevestigd te [plaats1],

K L A G E R,

raadsvrouw: mr. E.L. Zetteler,

            tegen

1)Y1,

kantoorhoudende te [plaats1],

2)Y2,

kantoorhoudende te [plaats2],

beiden registeraccountant,

B E T R O K K E N E N,

raadsvrouw: mr. F.C.M. van der Velden.

 

1.         Het verloop van de procedure

 

1.1       De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de aan partijen bekende stukken van het dossier in deze zaak, waaronder:

-       het op 2 oktober 2017 ingekomen klaagschrift van dezelfde dag met bijlagen;

-       het op 16 januari 2018 ingekomen aanvullende klaagschrift van 15 januari 2018 met bijlagen;

-       het op 16 april 2018 ingekomen verweerschrift van 13 april 2018 met bijlagen.

 

1.2       De Accountantskamer heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 28 mei 2018 waar zijn verschenen: klager in persoon, bijgestaan door mr. E.L. Zetteler, advocaat te Utrecht, en mr A.L. Op ’t Hoog, advocaat te Amsterdam, en betrokkenen in persoon, bijgestaan door mr. F.C.M. van der Velden en mr. G. Kattenberg, advocaten te Amsterdam.

 

1.3      Klager en betrokkenen hebben op genoemde zitting hun standpunten doen toelichten (aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de Accountantskamer zijn overgelegd) en toegelicht, alsmede doen antwoorden en/of geantwoord op vragen van de Accountantskamer.

 

2.         De vaststaande feiten

 

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde ter zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

 

2.1       Betrokkene (1) is sedert [datum] als registeraccountant ingeschreven in het accountantsregister van thans de Nba.

 

2.2       Betrokkene (2) is sedert [datum] als registeraccountant ingeschreven in het accountantsregister van thans de Nba.

 

2.3       Betrokkenen waren ten tijde van de verweten gedragingen verbonden aan [accountantskantoor1].

 

2.4       De [A] vennootschappen zijn op [datum] in staat van faillissement verklaard met benoeming van klager tot curator. Daaraan voorafgaand was klager vanaf [datum] aangewezen als stille bewindvoerder van de vennootschappen. [A] Holding B.V. was in de periode waarom het in deze zaak gaat, enig aandeelhouder van een aantal van de [A] vennootschappen en van [A] Management B.V. en [A] Corporate Finance B.V.

 

2.5       Betrokkene (1) heeft op 24 mei 2011 een goedkeurende controleverklaring gegeven bij de geconsolideerde jaarrekening over 2010 van [A] Holding B.V. en op 30 mei 2012 een goedkeurende controleverklaring bij de geconsolideerde jaarrekening over 2011 van [A] Holding B.V. Betrokkene (2) heeft op 4 april 2014 een afkeurende controleverklaring gegeven bij de geconsolideerde jaarrekening 2012 van [A] Holding B.V. In deze drie jaarrekeningen zijn een of meer van de [A] vennootschappen en [A] Management B.V. en [A] Corporate Finance B.V. volledig geconsolideerd.

 

2.6       Op de geconsolideerde balans van [A] Holding B.V. is per 31 december 2010 een bedrag van € 13.932.722 aan immateriële vaste activa, waaronder goodwill, opgenomen. Volgens de toelichting op de jaarrekening wordt goodwill in vijf tot vijftien jaar afgeschreven.

 

2.7       Op de geconsolideerde balans van [A] Holding B.V. is per 31 december 2011 een bedrag van € 12.560.389 aan immateriële vaste activa, waaronder goodwill, opgenomen. Volgens de toelichting wordt de goodwill in vijf tot vijftien jaar afgeschreven. Op het kasstroomoverzicht in de jaarrekening over 2011 is een post betaalde dividenden opgenomen ten bedrage van € 3.392.494.

 

2.8       Op de geconsolideerde balans van [A] Holding B.V. is per 31 december 2012 een bedrag van € 10.917.555 aan immateriële vaste activa, waaronder goodwill opgenomen. Volgens de toelichting wordt goodwill “respectievelijk afgeschreven in 5 en 15 jaar.” De jaarrekening over 2012 is eind januari 2014 in voorlopige vorm gedeponeerd.  De definitieve jaarrekening is op 4 april 2014 vastgesteld. Op het kasstroomoverzicht in de jaarrekening over 2012 is een dividenduitkering van € 5.393.206 verantwoord.

 

2.9       De post goodwill in deze drie jaarrekeningen is ontstaan als gevolg van wat klager aanduidt als recaps. Betrokkenen duiden hetzelfde fenomeen aan met de woorden herstructurering en herfinanciering. In het klaagschrift is over de recaps het volgende vermeld (waarbij voor firmanten aandeelhouders moet worden gelezen):

“heeft het bestuur van de [A] Vennootschappen in de jaren 2002, 2008 en 2012 een zogeheten recap doorgevoerd. De 2012 recap hield op hoofdlijnen het volgende in:

Eerst richtten de firmanten van de [A] Vennootschappen gezamenlijk een nieuwe B.V. op (hierna: [B]), waarin zij gezamenlijk alle aandelen hielden.

[B] leende voldoende middelen van huisbankier [bank1] en kocht vervolgens van de firmanten de aandelen van de oude holdingvennootschap voor een aanzienlijk bedrag. De firmanten houden nu alle aandelen in [B], die alle aandelen in de oude holdingvennootschap houdt, die op haar beurt alle aandelen in de werkmaatschappijen houdt.

[Bank1] bedingt bij het verstrekken van het krediet aanvullende zekerheden en dat (een deel van) de koopprijs wordt aangewend ter delging van de aan haar openstaande privé bankschulden van de firmanten;

[B] fuseert met de oude holdingvennootschap, als gevolg waarvan de firmanten direct alle aandelen houden in de nieuwe, door de fusie ontstane holdingvennootschap. De betaalde koopprijs wordt door de nieuwe holdingvennootschap op de balans grotendeels geactiveerd als goodwill.”

 

2.10     Over de activering van de post goodwill in de drie hiervoor vermelde jaarrekeningen bevat het verweerschrift voor zover van belang de volgende passage:

“De resultaten van [A] waren eind jaren ’90 zo goed, dat de winsten en de daarmee samenhangende waardering van het concern sterk opliepen. Om te kunnen toetreden moesten nieuwe aandeelhouders een steeds hoger bedrag betalen. Deze bedragen waren op een gegeven moment niet meer te financieren. De in- en uitstroom van aandeelhouders dreigde hierdoor te stokken.

[A] vond in 2002 (geadviseerd door (externe) corporate finance specialisten) een oplossing voor deze situatie. Er werd een nieuwe holdingmaatschappij opgericht die de aandelen in de ‘oude’ holdingmaatschappij overnam. Deze overname werd (conform de destijds geldende leer) verwerkt op basis van de purchase accounting-methode. Hierdoor ontstond er goodwill. De herstructurering vond plaats in goed overleg met [bank1], de huisbankier van [A]. [Bank1], die tevens de toetreding van de individuele aandeelhouders financierde, verstrekte het benodigde krediet voor de overname. Door de inbreng van vreemd vermogen daalde de inkoopsom voor toetredende aandeelhouders.

Ook na de herstructuring in 2002 bleef [A] positieve resultaten behalen. Hierdoor steeg de prijs van de aandelen opnieuw. Om die reden vond in 2008 opnieuw een herfinanciering plaats. Ook nu was [bank1] bereid een lening te verstrekken. Deze transactie werd eveneens verwerkt conform de purchase accounting-methode. Er ontstond daardoor opnieuw goodwill bij de holdingmaatschappij.”

 

2.11     In het controledossier bij de jaarrekening over 2010 is met betrekking tot de activering van de goodwill vermeld dat het niet om intern gegenereerde goodwill gaat en is over de controle van de hoogte van de verantwoorde goodwill, voor zover van belang, het volgende vastgelegd:

“Waarderingsgrondslagen zoals vermeld in concept versie jaarrekening 22-4-2011:

Goodwill

Goodwill is het meerdere van de verkrijgingsprijs ten opzichte van de reëele waarde op het moment dat de deelneming is aangekocht. Goodwill wordt afgeschreven op een lineaire basis gedurende de geschatte economische levensduur. Goodwill wordt beoordeeld op bijzondere waardevermindering (‘impairment’) indien zich omstandigheden voordoen, die er op wijzen, dat de boekwaarde van de goodwill niet kan worden terugverdiend.

Goodwill wordt in maximaal 15 jaar afgeschreven.

(…)

Beoordeling waarderingsmodel goodwill

Het model is in het verleden opgesteld door [accountantskantoor2].

Vastgesteld dat kolom 2010 aansluit mert de jr 2010, versie 22-4-2011.

Beoordeling gehanteerde veronderstellingen:

-WACC is ieder jaar gelijk gebleven. Hoofd administratie [C] heeft hier geen onderbouwing voor.

8% lijkt vrij laag voor een WACC. Voor soortgelijke ondernemingen is een percentage van 10 a 11% meer gebruikelijk.

Door middel van een gevoeligheidsanalyse zal de invloed van fluctuaties in de WACC gecontroleerd worden.

(…)

Gevoeligheidsanalyse

Uit onderstaande gevoeligheidsanalyse op de groei en WACC percentages, blijkt dat bij een groei van 1% het omslagpunt voor de WACC tussen de 17,4 en 17,5 ligt.

Gezien deze uitkomst, en de overige groei/WACC verhoudingen, lijkt een extra afwaardering niet noodzakelijk.”.

 

2.12     In het controledossier bij de jaarrekening over 2011 is over de hoogte van de verantwoorde goodwill onder meer het volgende opgenomen (productie 18 bij het verweerschrift):

Toelichting bij goodwill

Goodwill

Goodwill is het meerdere van de verkrijgingsprijs ten opzichte van de reële waarde op het moment dat de deelneming is aangekocht. Goodwill wordt afgeschreven op lineaire basis gedurende de geschatte economische levensduur. Goodwill wordt beoordeeld op bijzondere waardevermindering (“impairment”) indien zich omstandigheden voordoen, die er op wijzen, dat de boekwaarde van de goodwill niet kan worden terugverdiend.

Goodwill wordt in maximaal 15 jaar afgeschreven.”

 

Achter deze toelichting staat een accolade met als uitkomst:

“# cf voorgaand jaar, derhalve akkoord”.

 

2.13     In het controledocument ‘Verloopoverzicht Goodwill’ dat deel uitmaakt van het controledossier over 2011 (productie 22 bij het verweerschrift) is onder meer opgenomen:

“Per 31-12-2011 bedraagt de goodwill €592k.

Er is geen impairment analyse uitgevoerd door [A], omdat de resultaten niet apart meer zichtbaar zijn. Saldo goodwill ad €592k ligt onder performance materiality, derhalve geen risico op een materiële afwijking.

Conclusie: goodwill is juist gewaardeerd.”.

 

Tevens is als conclusie nog vermeld:

“Conclusie: Aankoop goodwill conform onderliggende aankopen. Percentage afschrijving consistent met voorgaand jaar.”.

 

2.14     In het controledocument ‘Leadsheet goodwill’ dat deel uitmaakt van het controledossier over 2011 is onder meer opgenomen:

“De immateriële vaste activa worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs; de jaarlijkse afschrijving bedraagt 20% van de verkrijgingsprijs.

De bij de verwerving van deelnemingen vastgestelde goodwill is berekend als het verschil tussen de verkrijgingsprijs van de aandelen en de netto vermogenswaarde op het moment van verkrijging.

De jaarlijkse afschrijving bedraagt 20% van de vastgestelde goodwill.

(…)

Impairmentanalyse

Besproken met [C] dd 26-3-2012:

Het belang in [D] is in een paar delen verkregen. In 2010 is de volledige 100% verkregen en in 2011 heeft de juridische fusie plaatsgevonden. [D] is opgegaan in [A] Consulting. Van de vijf jaar is er al één jaar afgeschreven over de investering in 2011, twee jaar over de investering in 2010 en over de investering uit 2009 is al 3 jaar afgeschreven.

Analyse opgesteld door [accountantskantoor1]:

De klant heeft geen impairmentanalyse uitgevoerd. [D] heeft in de jaren voor overname winst gemaakt (conform dossier voorgaand jaar). [D] is volledig opgegaan in [E]. Vastgesteld dat [E] in 2011 (zie consolidatiestaat) een verlies van 181k in 2011 heeft gemaakt. Dit is besproken met de klant. [C] ziet geen reden om hierom te impairen. [D] heeft in het eerste kwartaal van 2011 nog 130k winst gemaakt (voor overname).

Winstverwachting voor geheel [E] wordt voor 2012 gebudgetteerd op eur 2,5 mln. Gezien de performance materialiteit ad EUR 750k, is het risico dat de goodwill materieel

onjuist verantwoord zou zijn zeer beperkt. Derhalve geen verdere werkzaamheden uitgevoerd ten aanzien van de impairmentanalyse.”.

 

2.15     Over de activering van de goodwill in de jaarrekening over 2011 is in het controleprogramma Checkmate (productie 25 bij het verweerschrift) vastgelegd:

“Checkmate volledig ingevuld voor jaarrekening 2010. Derhalve voor 2011 enkel verplichte onderdelen, cf DPP”.

 

2.16     In het jaarverslag 2012 van [A] Holding B.V. heeft het bestuur onder meer geschreven:

“Eind 2013 is onverwachts een discussie ontstaan met onze accountant [accountantskantoor1] over de post Goodwill in de jaarrekening 2012. [Accountantskantoor1] heeft ons laten weten een afkeurende verklaring te zullen geven omdat zij van mening is dat de post Goodwill, voortvloeiend uit een in 2008 doorgevoerde herstructurering die samen viel met het in- en uittreden van een firmant heeft geleid tot interne goodwill. Het bestuur heeft besloten de jaarrekening niet aan te passen.”

 

2.17     In het faillissementsverslag van 22 oktober 2014 inzake de [A] Vennootschappen, is onder meer opgenomen:

“Een tweede complicerende factor vloeide voort uit de financierings- en firmantenconstructie. Als topholding heeft [A] Business Creators B. V. een structuur waarbij in- en uittreding gepaard gaat met afrekening van goodwill (“inkoop”). Toetredende aandeelhouders, worden net als de [A] Vennootschappen zelf gefinancierd door [bank1]. Voor de huidige groep aandeelhouders als geheel zou deze schuld circa EUR 10 miljoen bedragen.

Deze schuld zou idealiter moeten worden afgelost middels uitgekeerde dividenden. De resultaten van de [A] Vennootschappen hebben dit evenwel niet mogelijk gemaakt waarbij de als gevolg daarvan noodzakelijke afboekingen op het eigen vermogen tot gevolg zouden hebben dat er gedurende een groot aantal jaren waarschijnlijk geen dividenden zouden kunnen worden uitgekeerd. Dit bracht mee dat de aandeelhouders niet in staat waren om de vereiste aflossingen op hun schulden aan [bank1] te verrichten. Als gevolg van de slechte financiële resultaten waren aandeelhouders niet bereid hun aandelen over te dragen omdat de opbrengst onvoldoende zou zijn om hun schuld aan [bank1] af te lossen. Nieuwe aandeelhouders waren niet bereid toe te treden. Dit heeft tot grote spanningen tussen de aandeelhouders geleid. (…)”

 

3.         De klacht

 

3.1       Betrokkenen hebben volgens klager gehandeld in strijd met de voor hen geldende gedrags- en beroepsregels.

 

3.2       Ten grondslag aan de klacht liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door en namens klager gegeven toelichting, de volgende primaire verwijten:

a. betrokkene (1) heeft de (geconsolideerde) jaarrekeningen over 2010 en 2011 van de [A] vennootschappen ten onrechte goedgekeurd en daarmee artikel 2:365 lid 1 onder d, van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving (RJ) 115.107 en RJ 210.216 miskend;

b. betrokkene (1) heeft de posten goodwill, dividenduitkeringen en afschrijvingen in de jaarrekeningen over 2010 en 2011 onvoldoende onderzocht en dat onderzoek en de in dat kader gemaakte afwegingen onvoldoende gedocumenteerd in het controledossier;

c. betrokkene (1) heeft ten onrechte de recaps mogelijk gemaakt, althans onvoldoende gewaarschuwd voor de risico’s van deze recaps en de toelaatbaarheid van deze recaps in de toekomst;

d. betrokkene (1) heeft het onderzoek van de curator belemmerd door na te laten inzage te verlenen in het controledossier;

e. betrokkene (2) heeft ten onrechte de (geconsolideerde) jaarrekening over 2012 van de [A] Vennootschappen afgekeurd en daarmee artikel 2:365 lid 1 onder d BW, RJ 115.107 en RJ 210.216 miskend;

f. betrokkene (2) heeft ten onrechte meegewerkt aan, althans nagelaten in te grijpen, althans onvoldoende kritisch en zorgvuldig gehandeld bij de ten onrechte verleende goedkeuring door betrokkene (1) van de (geconsolideerde) jaarrekeningen over 2010 en 2011;

g. betrokkene (2) heeft de posten goodwill, dividenduitkeringen en afschrijvingen in de jaarrekeningen over 2010, 2011 en 2012 onvoldoende onderzocht en dat onderzoek en de in dat kader gemaakte afwegingen onvoldoende gedocumenteerd in het controledossier;

h. betrokkene (2) heeft ten onrechte de recaps mogelijk gemaakt, althans onvoldoende gewaarschuwd voor de risico’s van deze recaps en de toelaatbaarheid van deze recaps in de toekomst;

i. betrokkene (2) heeft het onderzoek van de curator belemmerd door na te laten inzage te verlenen in het controledossier;

j. betrokkenen (1) en (2) hebben bij de controles niet, althans inadequaat gehandeld naar aanleiding van uit de controledossiers blijkende signalen.

 

3.3       Klager heeft ter zitting de klacht voor zover deze ziet op de werkzaamheden van betrokkenen met betrekking tot de controle van de jaarrekening over 2010 ingetrokken.

 

3.4      Wat door of namens klager bij de mondelinge behandeling als nieuwe standpunten naar voren is gebracht, is door de Accountantskamer niet opgevat als nieuwe klachtonderdelen (waarvan de inbreng op een dergelijk laat tijdstip overigens ook in strijd zou zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde) maar - voor zover het daartoe kan dienen - als een ondersteuning van de betwisting van het gestelde in de door of namens betrokkenen gegeven weerspreking van de klacht.

 

4.         De gronden van de beslissing

 

Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende.

 

4.1       Op grond van artikel 31 Wet toezicht accountantsorganisaties (hierna: Wta) juncto artikel 33 Wet op de Registeraccountants (Wet RA), en sinds 1 januari 2013 op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) is de extern (register)accountant bij het beroepsmatig handelen onderscheidenlijk ten aanzien van zijn beroepsuitoefening onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wta en de Wet RA respectievelijk Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

 

4.2       Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft, moet, voor zover dit plaats had in de periode van 1 januari 2007 tot 4 januari 2014, worden getoetst aan de in die periode geldende Verordening gedragscode (RA’s; VGC) en daarvan in dit geval het (voor alle accountants geldende) deel A en het (voor openbaar accountants geldende) deel B1, en voor zover dit plaatshad ná 4 januari 2014, aan de sindsdien geldende Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

 

4.3      Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klager is om feiten en omstandigheden te stellen en – in geval van (gemotiveerde) betwisting – aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountants tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld.

 

inzake de ontvankelijkheid

 

4.4       Betrokkenen hebben primair als verweer gevoerd dat de klacht in al haar onderdelen, met uitzondering van 3.2.i., niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege overschrijding van de driejaarstermijn ex artikel 22 Wtra. Ter onderbouwing voeren zij aan dat klager op [datum] is benoemd tot stille bewindvoerder en als zodanig op de hoogte was van de goodwillproblematiek. Tevens moet volgens betrokkenen worden aangenomen dat klager als stille bewindvoerder kennis heeft genomen van de (voorlopige en definitieve) jaarrekening over 2012, waarin de nodige aandacht wordt besteed aan de goodwillproblematiek. Voorts heeft de goodwillproblematiek een grote rol gespeeld in het onderzoek naar de mogelijkheden voor een doorstart. De curator kende ook de faillissementsaanvragen die hij immers zelf (in zijn hoedanigheid van stille bewindvoerder) heeft opgesteld. Zodoende beschikte klager vóór 2 oktober 2014 over de volgende informatie, althans kon hij daarover redelijkerwijs beschikken:

- de goedkeurende controleverklaringen bij de jaarrekeningen over 2010 en 2011 van [A] Holding B.V.;

- de voorlopige jaarrekening 2012 van [A] Holding B.V. met een uiteenzetting van het bestuur over de goodwill-discussie met [accountantskantoor1];

- de afkeurende controleverklaring van [accountantskantoor1] bij de jaarrekening 2012 van [A] Holding B.V.;

- de onderbouwing van de afkeurende controleverklaring (te weten de ten onrechte verantwoording van goodwill) en het andersluidende standpunt van het bestuur ter zake;

- de achtergrond van de verantwoorde goodwill;

- de discussie die heeft plaatsgevonden tussen het bestuur van (wat betrokkenen aanduiden als) [A] en [accountantskantoor1] ten aanzien van (de reden van) de afkeurende controleverklaring; en

- het standpunt van het bestuur van [A] dat de afkeurende controleverklaring (en het niet mogen verantwoorden van goodwill) een oorzaak zou zijn van het faillissement van [A].

 

4.5       De Accountantskamer overweegt dat artikel 22, eerste lid, Wtra, zoals dat luidde ten tijde van het indienen van de klacht, onder meer bepaalde dat geen klacht meer in behandeling kan worden genomen indien op het moment van indienen van de klacht drie jaren zijn verstreken nadat klager heeft geconstateerd of redelijkerwijs heeft kunnen constateren dat het handelen of nalaten in strijd is met het bij of krachtens de Wta of de Wab bepaalde of met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. De Accountantskamer heeft al vaker geoordeeld dat voor aanvang van de termijn van drie jaren beslissend is of sprake is van een constatering van het tuchtrechtelijk laakbare karakter van het handelen of nalaten van de accountant, dan wel van zodanige feiten dat daarop redelijkerwijs een vermoeden van zulk tuchtrechtelijk laakbaar handelen of nalaten kan worden gebaseerd. Daarbij is van belang hoe de klacht is omschreven, althans door de Accountantskamer moet worden opgevat. Het gaat er dus niet om wanneer een klager een handelen of nalaten van een accountant heeft geconstateerd of redelijkerwijs heeft kunnen constateren, maar wanneer bij een klager op grond van door hem geconstateerde feiten in verband met dat handelen of nalaten een vermoeden is ontstaan of redelijkerwijs kon ontstaan dat de accountant van zijn handelen of nalaten een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Voor een vermoeden van (mogelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten is niet vereist dat een klager volledig op de hoogte is van de exacte regelgeving voor accountants waarmee het handelen of nalaten (mogelijk) in strijd is. Het klaagschrift in deze zaak is van 2 oktober 2017 en op dezelfde dag ingekomen. Dat betekent dat in dit geval voor de driejaarstermijn bedoeld in artikel 22 Wtra, mede gezien artikel 7, eerste lid van het Procesreglement Accountantskamer 2015, de datum 2 oktober 2014 bepalend is.

 

4.6       De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkenen terecht hebben gesteld dat in dit verband ook betekenis toekomt aan de kennis van klager in zijn voormalige hoedanigheid van stille bewindvoerder. Klager heeft niet ontkend dat hij al vóór 2 oktober 2014 beschikte over de in 4.4 van deze uitspraak opgesomde stukken. Gelet op de inhoud van deze stukken had klager daar echter niet toen al uit hoeven af te leiden dat betrokkenen tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld. Evenmin heeft hij daaruit toen al een vermoeden kunnen putten van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van betrokkenen. Bekendheid met de discussie tussen het bestuur van de [A] Holding B.V. en betrokkene (2) over de goodwillproblematiek en met de reden voor diens afkeurende verklaring bij de jaarrekening over 2012 en bekendheid met de reden voor de aanvraag van de faillissementen houden immers niet in dat klager ook kennis droeg van alle gegevens die door beide betrokkenen in aanmerking zijn genomen bij de controles van de aan de orde zijnde posten in de jaarrekeningen en van de afwegingen die betrokkenen aan de hand van die gegevens hebben gemaakt, laat staan dat hij daaraan enig vermoeden van tekortschieten bij die controles en bij het vastleggen van die gegevens en afwegingen in de controledossiers kon ontlenen. Gezien het vorenstaande faalt het verweer.

 

inzake de inhoudelijke beoordeling van de klachtonderdelen

 

4.7       De Accountantskamer ziet geen grond om te beslissen dat er redenen ontleend aan het algemeen belang aanwezig zijn om de behandeling van de klacht voor zover deze is ingetrokken, voort te zetten. Over het niet ingetrokken deel van de klacht wordt als volgt overwogen.  

 

inzake de klachtonderdelen 3.2a. en 3.2b.

 

4.8       Klager verwijt betrokkene (1) in deze klachtonderdelen (samengevat) dat hij met betrekking tot de goodwill die volgens de jaarrekening over 2011 per ultimo 2011 resulteerde uit de in 2003 en 2008 uitgevoerde recaps/herstructureringen en met betrekking tot de dividenduitkeringen die in 2011 hebben plaatsgevonden, onvoldoende geschikte controlewerkzaamheden heeft verricht.

 

4.9       Betrokkene (1) heeft als verweer tegen het verwijt inzake de goodwill aangevoerd dat tot en met medio 2012 de algemeen heersende opvatting was dat goodwill die is ontstaan door een herstructurering (in de vorm van een zogeheten common control-transactie, dat wil zeggen: tussen als afzonderlijke entiteiten te beschouwen rechtspersonen) mocht worden verantwoord op basis van de purchase accounting methode. Betrokkene (1) verwijst daarbij onder meer naar RJ 214.305, dat naar zijn mening moet worden gezien als een uitzondering op het uitgangspunt neergelegd in RJ 115.107, dat bij het opstellen van de jaarrekening de economische realiteit van transacties dient te worden gevolgd. Die heersende opvatting blijkt volgens betrokkene uit (ter zitting geciteerde) passages in het Jaarboek Externe verslaggeving 2005/2006 van zijn eigen kantoororganisatie en in het Handboek Jaarrekening 2009 van [accountantskantoor2].

 

4.10     De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene 1) in geen van de documenten (die hiervoor in 2.11 tot en met 2.15 van deze uitspraak zijn vermeld), waarnaar hij ter onderbouwing van zijn verweer op dit punt verwijst, expliciet heeft vastgelegd op grond van welke gegevens en afwegingen hij het opnemen van goodwill in de jaarrekening over 2011 aanvaardbaar heeft geacht. Productie 4 (vermeld in 2.11 van deze uitspraak) behelst alleen de blote mededeling dat de post immateriële activa geen intern gegenereerde goodwill omvat. In geen van de overige documenten staat wat de algemeen heersende opvatting is over de verwerking van goodwill in een context zoals die bij de [A] vennootschappen en ook niet waarom die opvatting als de algemeen heersende moet worden beschouwd en evenmin (en dat is belangrijker) waarom aan die opvatting zoveel gezag toegekend moet worden dat ze een goede reden oplevert om af te wijken van het uitgangspunt neergelegd in RJ 115.107. Dat uitgangspunt is immers vetgedrukt en dat betekent dat het om een stellige uitspraak gaat, waarvan volgens RJ 100.407 verwacht wordt dat daarvan slechts wordt afgeweken indien daarvoor goede gronden zijn. In de betreffende stukken ontbreekt ook een verwijzing naar RJ 214.305. Daardoor is niet aannemelijk dat deze richtlijn de grondslag heeft gevormd om af te wijken van RJ 115.107. Het ontbreken van elke over/afweging in deze documenten wordt des te ernstiger als in aanmerking wordt genomen dat er volgens klager (ter zitting) over de verwerking van goodwill in deze context een andere opvatting is verwoord in de [accountantskantoor1] Jaarboeken Externe verslaggeving 2007/2008 en 2013/2014 dan in het Jaarboek waarop betrokkene 1) het oog heeft en dat ook [accountantskantoor3] hierover in 2008, 2012 en 2013 een opvatting huldigde die afwijkt van die welke betrokkene 1) bestempelt als de algemeen heersende. Los van wat er opgemaakt kon worden uit enig hand- of jaarboek, geldt dat het verwerken van goodwill in een context zoals die bij de [A] vennootschappen gelet op RJ 115.107 aangemerkt kan worden als een moeilijke of tot discussie aanleiding gevende zaak, zoals bedoeld in paragraaf 18 van Standaard 220 van de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (NVCOS). Daaruit volgt dat betrokkene 1) als voor de opdracht verantwoordelijke partner ervoor zorg diende te dragen dat er passende consultaties werden gepleegd met betrekking tot die verwerking en dat de uitkomsten daarvan behoorlijk werden vastgelegd. Daarbij komt nog dat twee van de hier bedoelde documenten (vermeld in 2.11 van deze uitspraak, waaronder productie 4) onderdeel uitmaken van het dossier met betrekking tot de controle van (deze post in) de jaarrekening over het jaar 2010. De Accountantskamer is van oordeel dat een accountant bij de controle van specifieke posten in een jaarrekening van enig jaar niet kan volstaan met een simpele verwijzing naar informatie die bij een controle in een of meer voorgaande jaren is vergaard (door hemzelf of een accountant verbonden aan zijn eigen of een andere organisatie). Hij zal zich immers altijd en wel expliciet moeten afvragen of er (goede) redenen zijn om anders te oordelen dan in het verleden. Dat betrokkene 1) zich dat bij de controle van de post in de jaarrekening over 2011 heeft afgevraagd, blijkt uit niets.

 

4.11     Verder stelt de Accountantskamer vast dat de accountant op grond van Standaard 540 van de NVCOS toereikende controle-informatie dient te verkrijgen aangaande in de jaarrekening verwerkte schattingen. Onder de definitie van schatting valt volgens deze Standaard de toerekeningen van de kosten van de vaste activa aan hun geschatte economische levensduur. Derhalve valt ook de hoogte van de afschrijvingen op die activa onder de schattingen. Ingevolge het bepaalde onder 11 van Standaard 540 omvat het onderzoek en de toetsing van de door het bestuur van de entiteit toegepaste werkwijze aangaande de schatting, een aantal stappen. De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene (1) bij de controle van de afschrijving van de goodwill geen van deze stappen heeft uitgevoerd, laat staan heeft vastgelegd dat hij ze heeft uitgevoerd, en ook niet waarom hij ze niet heeft uitgevoerd. Betrokkene (1) heeft evenmin gesteld, laat staan vastgelegd dat dit in het verleden wel is gebeurd. Betrokkene (1) heeft er wel op gewezen dat de weighted average cost of capital (wacc) ieder jaar gelijk is gebleven (2.11), maar door enkel naar de uitkomst te kijken, heeft betrokkene (1), naar het oordeel van de Accountantskamer, niet de gegevens en het onderzoek naar de veronderstellingen, waarop de schatting is gebaseerd, beoordeeld (of anders gezegd: niet gemotiveerd beoordeeld waarom de wacc in 2011 gelijk zou moeten blijven). Bovendien gaat het hier om een document dat deel uitmaakt van het dossier dat betrekking heeft op de controle van de jaarrekening over 2010.

 

4.12     Gelet op het voorgaande is de Accountantskamer van oordeel dat betrokkene (1) in het kader van de controle van de post goodwill in de (geconsolideerde) jaarrekeningen 2011 van de [A] Vennootschappen meer controle-informatie over de goodwill had moeten vergaren en vastleggen dan hij heeft gedaan. Door dit na te laten heeft hij gehandeld in strijd met de hiervoor genoemde standaard, met Standaard 200, Standaard 230 en Standaard 500 van de NVCOS en met de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag zoals bedoeld in artikel A-100.4 onder c. en onder e. van de VGC. Het vorenstaande impliceert dat reeds hierom bij voormelde jaarrekening een goedkeurende controleverklaring in het maatschappelijk verkeer is gebracht die op een onvoldoende deugdelijke grondslag berust. Ook het afgeven van die verklaring levert een schending op van de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en professioneel gedrag zoals bedoeld in de VGC. Daaruit volgt dat de klachtonderdelen 3.2a. en 3.2b. in zoverre gegrond zijn.

 

4.13     Het beweerde tekortschieten bij de controle van de in 2011 plaatsgevonden hebbende dividenduitkeringen berust op het door klager gehanteerde uitgangspunt dat de in jaarrekening over 2011 verwerkte goodwill geheel of gedeeltelijk niet (meer) had mogen worden verwerkt, waardoor de dividendruimte in dat jaar veel kleiner was dan de bedragen die daadwerkelijk zijn uitgekeerd. Daaruit volgt volgens klagers dat de dividenduitkeringen ten onrechte zijn gedaan omdat dan het eigen vermogen negatief zou zijn geweest. De juistheid van het door klagers gehanteerde uitgangspunt volgt echter niet uit het oordeel van de Accountantskamer over de tekortschietende controle van de (verwerking en de waardering van de) post goodwill. Dat oordeel stoelt immers (alleen) op de vaststelling dat het aanvaardbaar achten van die verwerking en waardering (volstrekt) onvoldoende gemotiveerd is. Betrokkene 1) heeft er verder terecht op gewezen (en klagers hebben dat ter zitting niet weersproken) dat een negatief eigen vermogen (gesteld al dat daarvan sprake zou zijn geweest in 2011) niet in de weg behoeft te staan aan dividenduitkeringen. Gelet op het voorgaande is van tekortschietende controle van deze post geen sprake. Daaruit volgt dat klachtonderdeel 3.2b in zoverre ongegrond moet worden verklaard.

 

inzake klachtonderdelen 3.2c. en 3.2d.

 

4.14     De Accountantskamer is van oordeel dat klager de klachtonderdelen 3.2.c en 3.2.d. onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De Accountantskamer neemt daarbij in aanmerking dat klager tegenover de gemotiveerde betwisting door betrokkene (1) dat hij bij geen van de recaps waarop klagers het oog hebben (waarvan de laatste in 2008 heeft plaatsgevonden) betrokken was, nog niet een begin van onderbouwing heeft aangedragen dat dit anders is geweest. Ditzelfde geldt voor het klachtonderdeel dat betrokkene (1) het onderzoek van de curator zou hebben belemmerd. Daargelaten het antwoord op de vraag of betrokkene (1) in dit geval verantwoordelijk is voor de medewerking aan een dergelijk onderzoek, heeft klager naar het oordeel van de Accountantskamer niet, althans onvoldoende, duidelijk gemaakt waarin betrokkene (1) op dit punt is tekortgeschoten. Gelet op het voorgaande dienen beide klachtonderdelen ongegrond te worden verklaard.

 

klachtonderdeel 3.2e.

 

4.15     De Accountantskamer is van oordeel dat klager, op wie in dezen de stelplicht en de bewijslast rusten (4.3), gelet op de uitvoerige beschrijving van de werkzaamheden van betrokkene 2) in het kader van de controle van de post goodwill in de jaarrekening over 2012 van de [A] vennootschappen niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene (2) ten onrechte een afkeurende controleverklaring bij deze jaarrekening heeft gegeven. Dit klachtonderdeel dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

 

klachtonderdeel 3.2f.

 

4.16     Wat betreft de klacht jegens betrokkene (2) inzake de controle van de jaarrekening over 2011 van de [A] Vennootschappen verwijst de Accountantskamer naar hetgeen is overwogen en geoordeeld onder 4.8 tot en met 4.12. Dat geldt ook voor deze klachtonderdelen, omdat betrokkene 2) ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat hij bij de controle van de jaarrekening over 2011 de dagelijkse leiding had over het controleteam. Daaruit volgt dat hij in dezelfde mate tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid draagt voor de werkzaamheden in het kader van de controle van de post goodwill en voor de vastlegging daarvan in het controledossier. Dit leidt tot het oordeel dat ook betrokkene (2) heeft nagelaten voldoende controle-informatie over deze post te vergaren en vast te leggen. Door dit na te laten heeft hij gehandeld in strijd met Standaard 200, Standaard 230 en Standaard 540 en met de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag zoals bedoeld in artikel A-100.4 onder c. en onder e. van de VGC. Het vorenstaande impliceert dat ook aan betrokkene 2) kan worden toegerekend dat bij voormelde jaarrekening een goedkeurende controleverklaring in het maatschappelijk verkeer is gebracht die op een onvoldoende deugdelijke grondslag berust. Dat in het verkeer brengen  levert ook een schending op van de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en professioneel gedrag zoals bedoeld in de VGC.

 

klachtonderdeel 3.2g.

 

4.17     Gelet op wat hiervoor is overwogen en geoordeeld met betrekking tot klachtonderdeel 3.2e., is de Accountantskamer van oordeel dat aan dit klachtonderdeel voor zover het ziet op de controle van en de afschrijving op de post goodwill in de jaarrekening over 2012 (en de vastlegging van de verkregen informatie in het controledossier) geen zelfstandige betekenis meer toekomt. Dit klachtonderdeel dient daarom in zoverre ongegrond te worden verklaard.

 

4.18     Met betrekking tot de controle door betrokkene 2) van de in 2012 plaatsgevonden hebbende dividenduitkeringen wordt het volgende overwogen. In het aanvullend klaagschrift en ter zitting is onder meer aangevoerd dat betrokkene 2) nadat hij tot het oordeel was gekomen dat de wijze van verwerking van de goodwill die voortvloeide uit de recap van 2008, niet (meer) was toegestaan, in een e-mailbericht van 19 februari 2014 aan een partner van [accountantskantoor1] heeft aangekondigd dat hij de “rechtmatigheid van reeds gedane dividenduitkeringen” wilde bespreken. Verder is door klager gesteld dat betrokkene 2) kennis droeg van mededelingen in de notulen van bestuursvergaderingen van [A] Holding B.V. in 2012 en 2013 over (kort gezegd) vooruitzichten, resultaatsontwikkeling en een reorganisatie, die volgens klager  waren  te beschouwen als risico’s voor het doen van dividenduitkeringen. In het directieverslag van 4 april 2014 dat deel uitmaakt van de jaarrekening over 2012 wordt dat jaar gekenschetst als een lastig jaar. In een verslag van een vergadering van het bestuur op 28 oktober 2013 is melding gemaakt van een geschat verlies van € 2 miljoen, de verwachting dat de kredietlimiet in 2014 zal worden bereikt en de mededeling dat er bij een zodanig verlies en “geen EV” geen sprake kan zijn van een dividenduitkering. Klager stelt dat betrokkene 2) tegen deze achtergrond en in aanmerking nemend dat er gezien zijn oordeel over de post goodwill, (vanaf 2010) dividenduitkeringen hadden plaatsgevonden die hoger waren dan de dividendruimte, meer oog had moeten hebben voor het liquiditeitsrisico dat daardoor ontstond, en voor de aanvaardbaarheid van de in de jaarrekening over 2012 gehanteerde continuïteitsveronderstelling. Dat was te meer nodig omdat er vanaf 2008 sprake was van een sterk neergaande markt, zonder dat de verwachting bestond dat daarin op korte termijn verbetering zou komen, aldus klager. In het verweerschrift is uiteengezet dat betrokkene 2) bij de controle van de gehanteerde continuïteitsveronderstelling informatie heeft verzameld en beoordeeld over (kort gezegd) de afspraken van de [A] vennootschappen met de bank met betrekking tot de financiering, over prognoses in een toekomstverwachting van het bestuur gedateerd 16 oktober 2013 en over de (verwachte en werkelijke) hoogte van de liquide middelen. Hij heeft die informatie en zijn overwegingen vastgelegd in een memo van 20 februari 2014. De informatie over de afspraken met de bank waarover betrokkene beschikte, behelst onder meer een Verklaring (door de bank) van afstand en amendering en herformulering van een eerder door de bank uitgebrachte offerte (hierna: de Verklaring). In deze Verklaring is als nieuwe grond voor vervroegde opeising van (kort gezegd) de lening opgenomen het niet nakomen door een partner van de verplichtingen uit hoofde van de Partner Financiering.  Deze Verklaring bevindt zich in het controledossier van betrokkene 2). Bij de betreffende grond voor opeising in deze Verklaring is (door het controleteam) in de kantlijn aangetekend dat het management heeft bevestigd dat een individuele partner alleen een aflossingsverplichting op zijn persoonlijke lening heeft, indien hij ook dividend ontvangt. Daaraan is toegevoegd dat het risico “dus beperkt van invloed (is) op de continuïteit van de vennootschap.”

 

4.19     Ter zitting is van de kant van klager aangevoerd dat betrokkene 2) had moeten nagaan op grond waarvan het bestuur van [A] vennootschappen meende erop te mogen vertrouwen dat de partners de verplichtingen uit hoofde van de Partner Financiering zouden nakomen. De Accountantskamer stelt vast dat uit het memo van 20 februari 2014 niet blijkt welke overwegingen betrokkene 2) ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel in dat memo dat “deze opeisingsgrond niet sensitief is voor de going concern veronderstelling”. Wat betrokkene hierbij heeft laten wegen kan ook niet worden afgeleid uit de e-mailberichten met de vragen die betrokkene in dit verband aan “het  management” heeft voorgelegd en de antwoorden daarop, die zijn overgelegd als productie 49 bij het verweerschrift, nog daargelaten dat betrokkene 2) niet louter mocht varen op informatie afkomstig van “het management”. Verder is er van de kant van klager ter zitting op gewezen dat de prognoses van het bestuur waarop betrokkene 2) acht heeft geslagen, dateren van oktober 2013. Volgens klager had betrokkene in het licht van alle gegevens over de (kort gezegd) niet rooskleurige vooruitzichten moeten onderzoeken of er in februari 2014 redenen waren om die prognoses te herzien. De Accountantskamer onderschrijft dat standpunt niet alleen vanwege het tijdsverloop, maar ook gelet op wat er is opgetekend in het verslag van de vergadering van het bestuur van 28 oktober 2013. Daarbij komt nog dat het oordeel van betrokkene 2) dat de wijze van verwerking van de goodwill in de jaarrekening niet meer was toegestaan, in feite impliceerde dat de toetreding van nieuwe aandeelhouders niet meer op dezelfde wijze als in het verleden kon plaatsvinden. Dat kon uiteraard gevolgen hebben voor het voortbestaan van de onderneming. Gezien het vorenstaande had betrokkene moeten onderkennen dat (ook) de dividenduitkeringen die in 2012 hadden plaatsgevonden een omstandigheid vormden die gerede twijfel kon doen ontstaan over de juistheid van de gehanteerde continuïteitsveronderstelling. Nu hij dat heeft nagelaten heeft hij gehandeld in strijd met standaard 570 van de NVCOS en met de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag zoals bedoeld in artikel A-100.4 onder c. en onder e. van de VGC en met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid zoals bedoeld in artikel 2 onder d van de VGBA.

 

klachtonderdelen 3.2h. en 3.2i.

 

4.20     De Accountantskamer is van oordeel dat  klager de klachtonderdelen 3.2h. en 3.2i. onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Daartoe verwijst zij naar wat is overwogen en geoordeeld in 4.14 van deze uitspraak. Dat geldt ook voor deze klachtonderdelen. Gelet op het voorgaande dienen beide klachtonderdelen ongegrond te worden verklaard.

 

 

klachtonderdeel 3.2j.

 

4.21     Dit klachtonderdeel hangt samen met de klachtonderdelen 3.2b. en 3.2g. die handelen over de dividenduitkeringen in 2011 en 2012. Ze delen het lot van die klachtonderdelen.      

 

4.22     Nu de klacht gedeeltelijk gegrond moet worden verklaard, kan de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. Bij de beslissing daarover houdt zij rekening met de aard en de ernst van de verzuimen van betrokkenen en de omstandigheden waaronder deze zich hebben voorgedaan. De Accountantskamer acht in deze klachtzaak voor beide betrokkenen de maatregel van een tijdelijke doorhaling passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer laten wegen dat beide betrokkenen met betrekking tot een wezenlijke post in de jaarrekening over 2011 geen toereikende controle-informatie hebben verkregen. Betrokkene 2) heeft voorts bij de controle van de jaarrekening over 2012 te weinig oog gehad voor omstandigheden die een mogelijke bedreiging vormden voor de continuïteitsveronderstelling die door de entiteit werd gehanteerd. Door een en ander na te laten hebben zij hun kerntaak als controlerend accountant  veronachtzaamd. Door hun handelwijze hebben betrokkenen het door het maatschappelijk verkeer te stellen vertrouwen in de beroepsgroep geschaad en aldus tevens het fundamentele beginsel van professioneel gedrag overtreden. Bovendien is meegewogen dat betrokkenen ter zitting geen blijk hebben gegeven lering te hebben getrokken uit hun handelwijzen. Anderzijds heeft de Accountantskamer meegewogen dat aan betrokkenen niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd.

 

4.23     Op grond van het hiervoor overwogene wordt als volgt beslist.

 

5.         Beslissing

 

De Accountantskamer:

 

 

 

·      legt ter zake aan betrokkenen op de maatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder d. Wtra, te weten die van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van één maand, welke maatregel ingaat op de tweede dag volgend op de dag waarop deze beslissing onherroepelijk is geworden én de voorzitter van de Accountantskamer een last tot tenuitvoerlegging heeft uitgevaardigd, en eindigt na verloop van de vermelde termijn;

 

·      verstaat dat de AFM en de voorzitter van de Nba na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkenen daarin zijn of waren ingeschreven;

 

·      verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkenen het door klager betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klager vergoedt.

 

Aldus beslist door mr. M.J. van Lee, voorzitter, mr. A.L. Goederee en mr. W.J.B. Cornelissen (rechterlijke leden) en P. Mansvelder RA en drs. E. van Splunter RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2019.

 

 

 

_________                                                                                     __________

secretaris                                                                                         voorzitter

 

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

 

 

 

 

 

Ingevolge artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift dient de gronden van het beroep te bevatten en te zijn ondertekend.

 

RA

Meer informatie

Acties

Meta gegevens