Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2018:41 Accountantskamer Zwolle 17/1437 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2018:41
Datum uitspraak: 18-06-2018
Datum publicatie: 18-06-2018
Zaaknummer(s): 17/1437 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen:
  • Klacht gegrond met waarschuwing
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:   Nu het ging om een ingehuurde, bijna fulltime in de onderneming werkende directeur, met een bij die functie behorend salaris, had betrokkene moeten nagaan of een VAR-verklaring was verstrekt. Door dit na te laten heeft betrokkene in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 12 VGBA. Het enkele feit dat volgens de jaarrekening (slechts) aan een van de aandeelhouders een deel van het beoogde dividend is uitgekeerd, had voor betrokkene reden moeten zijn om aan het management nadere vragen te stellen. Door dit na te laten heeft betrokkene in strijd gehandeld met het bepaalde in paragraaf 32 van Standaard 4410H en daarmee eveneens met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Maatregel: waarschuwing.

ACCOUNTANTSKAMER

BESLISSING ex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de zaak met nummer 17/1437 Wtra AK van 18 juni 2018 van

1)     X1 B.V. ,

2)     X2 B.V. ,

3)     X3 B.V. ,

4)     X4 B.V. ,

allen gevestigd te [plaats1],

K L A A G S T E R S ,

gemachtigden: [A] en [B].

t e g e n

Y ,

accountant-administratieconsulent,

kantoorhoudende te [plaats2],

B E T R O K K E N E .

1.         Het verloop van de procedure

1.1       De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de aan partijen bekende stukken van het dossier in deze zaak, waaronder:

-        het op 3 juli 2017 ingekomen klaagschrift van 3 juli 2017 met bijlagen;

-        het op 25 juli 2017 ingekomen e-mailbericht van klaagsters;

-        het op 25 september 2017 ingekomen verweerschrift van 22 september 2017.

1.2       De Accountantskamer heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 15 december 2017 waar zijn verschenen: namens klaagsters, [A] en [B], en betrokkene, bijgestaan door zijn kantoorgenoot [C].

1.3       Klaagsters en betrokkene hebben op genoemde zitting hun standpunten doen toelichten (aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de Accountantskamer zijn overgelegd) en toegelicht, alsmede doen antwoorden en/of geantwoord op vragen van de Accountantskamer.

2.         De vaststaande feiten

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde ter zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

2.1       [A] ([A]) is voor 100% aandeelhouder van [X3] B.V. ([X3]). [X3] is voor 100% aandeelhouder van [X2] B.V. ([X2]). [X2] is 100% eigenaar van [X1] B.V. ([X1]) en voor 50% van [X4] B.V. ([X4]).

[X1] en [X4] ontwikkelen en produceren software.

2.2       Betrokkene staat sinds [datum] ingeschreven in het accountantsregister van (thans) de Nba. Betrokkene is sinds 2013 voor klaagsters werkzaam. Tot en met 31 december 2014 was betrokkene franchisenemer van [D] ([D]). Per 1 januari 2015 is betrokkene maat in de maatschap [E] Accountants en Adviseurs ([E]).

2.3       Op 22 mei 2016 heeft [A] betrokkene laten weten dat [X1] en de daaraan gelieerde bedrijven de overeenkomst met betrokkene niet langer willen voortzetten en een andere accountant gaan zoeken.

2.4       Van 1 mei 2012 tot en met 31 maart 2015 was [F] (hierna: [F]) statutair bestuurder van [X1]. [F] was in dienst van zijn persoonlijke holding [G] B.V.

2.5       Bij e-mail van 6 november 2012, gericht aan [F], heeft [H] AA van [D] een offerte 2012 uitgebracht voor de accountantsdiensten voor [X1], [X2], [X4], [I] v.o.f en [X3]. Daarin staat onder meer het volgende:

“(…)

Naar aanleiding van ons prettig gesprek zend ik jullie hierbij de offerte 2012 voor:

  • begeleiding bij de financiële administratie in Exact Online
  • controle van de aangiften omzetbelasting
  • het toelichten, analyseren en bespreken van de periodieke cijfers
  • schatting en aangifte vennootschapsbelasting
  • schatting en aangifte inkomstenbelasting

Het tarief bedraagt € 495,- exclusief omzetbelasting per maand, af te sluiten vanaf 1 december 2012 voor de periode van 2 jaar. Voor elke extra entiteit zonder personeel is de prijs € 95,- per maand, met een korting van 15 %. Dit betekent dat bij 4 extra entiteiten de prijs € 323,- per maand bedraagt, naast de € 495,- per maand voor [X1] B.V.

(…)

Korte (telefonische) adviezen en e-mail en skype-verkeer zijn inbegrepen in de maandafspraak, evenals online inzage in jullie dossier. Inzake overige werkzaamheden, zoals uitgebreide adviezen, contacten met bankinstellingen en fiscus, berekenen wij € 55,- tot € 150,- exclusief omzetbelasting per uur, afhankelijk van de aard van de verrichte werkzaamheden."

[A] is bij e-mail van 2 januari 2013 namens alle entiteiten akkoord gegaan met deze offerte. Voor het opmaken van de jaarstukken zijn afzonderlijke opdrachten gegeven.

2.6       Betrokkene heeft onder meer de jaarstukken over 2013 en 2014 voor klaagsters opgemaakt. Betrokkene heeft bij e-mail van 4 april 2014 aan [F] een lijstje toegezonden waarop de informatie/stukken staan die nodig waren voor het samenstellen van de jaarrekening van [X1] over 2013. Op dat lijstje staat onder meer: “Zijn van al het ingeleende personeel VAR WUO verklaringen aanwezig?”

2.7       De belastingdienst Midden- en Kleinbedrijf heeft de aanvaardbaarheid van de door [X1] ingediende aangiften loonheffing over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 onderzocht en haar bevindingen vastgelegd in een op 12 april 2016 verzonden controlerapport. In dat rapport komt de belastingdienst tot de conclusie dat sprake was van een dienstbetrekking op grond van artikel 2 Wet op de loonbelasting 1964 tussen [X1] en [F] en constateert zij dat [X1] niet in het bezit is van een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) winst uit onderneming.

2.8       Vanaf het begin heeft (het kantoor van) betrokkene maandelijks telkens een vast bedrag van € 818,-- (exclusief BTW) aan [X1] gefactureerd. [X1] heeft de maandelijkse facturen tot mei 2016 telkens voldaan. De facturen van 26 mei 2016, 30 juni 2016 en 27 juli 2016, waarmee [E] naast de gebruikelijke werkzaamheden voor [X1] c.s. in de maanden april, mei en juni 2016 ad € 818,-- per maand, de werkzaamheden voor de salarisadministratie van [X4] over de maanden januari tot en met mei 2016 en een bedrag voor werkzaamheden met betrekking tot de inlenersverklaring in rekening heeft gebracht, zijn niet betaald. [E] heeft vervolgens bij dagvaarding van 22 mei 2017 een gerechtelijke procedure ingeleid.

3.         De klacht

3.1       Betrokkene heeft volgens klaagsters gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

3.2       Ten grondslag aan de klacht liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door en namens klaagsters gegeven toelichting, de volgende verwijten:

a.  Er is niet transparant gefactureerd.

b. Betrokkene heeft bij het opstellen van de jaarrekening 2014 niet gecontroleerd of [X1] beschikte over een VAR-verklaring, terwijl er alle aanleiding was dat te doen.

c. In de jaarstukken 2014 van [X4] is een kunstmatig verlies gecreëerd. Dit is fiscaal niet toegestaan, zodat betrokkene op dit punt niet professioneel heeft gehandeld.

d. In de jaarrekening 2014 van [X4] zijn de uren, gemaakt voor [X1], niet meegenomen.

e.  Er zitten in de jaarrekeningen 2014 van klaagsters verschillen in de onderlinge vorderingen, hetgeen betrokkene moet worden aangerekend.

f. Er is sprake van formele fouten met betrekking tot het agio en de verwerking van het dividend in de jaarrekening 2014. Er is voor [X1] ten onrechte geen btw-nummer aangevraagd. Tot slot heeft betrokkene potentieel risicovolle rekening-courantverhoudingen niet gecorrigeerd.

3.3       Wat door/namens klaagsters bij de mondelinge behandeling als nieuwe standpunten naar voren is gebracht, is door de Accountantskamer niet opgevat als nieuwe klachtonderdelen  (waarvan de inbreng op een dergelijk laat tijdstip overigens ook in strijd zou zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde) doch - voor zover het daartoe kan dienen - als een ondersteuning van de betwisting van het gestelde in de door/namens betrokkene gegeven weerspreking van de klacht.

4.         De gronden van de beslissing

Over de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende. 

4.1       Op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) is de accountant ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

4.2       Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet, nu dit plaatshad ná 4 januari 2014, worden getoetst aan de sindsdien geldende Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

4.3       Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klaagsters is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.4.      In klachtonderdeel a. verwijten klaagsters betrokkene dat niet transparant is gefactureerd. Zo geven de facturen geen inzicht in de verrichte werkzaamheden en zien ze op werkzaamheden voor ‘[X1] B.V. c.s.’, terwijl er volgens hen geen opdracht is gegeven voor werkzaamheden anders dan voor [X1], maar met elke entiteit uit de groep afzonderlijk overeenkomsten zijn gesloten. Tot slot merken klaagsters op dat er geen voorschotten zijn overeengekomen.

4.5.      Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel wordt vooropgesteld dat volgens vaste rechtspraak van de Accountantskamer in het kader van een tuchtrechtelijke procedure over declaraties slechts met succes kan worden geklaagd, indien de betrokken accountant bij het opstellen en indienen van declaraties zodanig in strijd met de van hem te verlangen zorgvuldigheid, integriteit of professionaliteit heeft gehandeld, dat daardoor schending van de VGBA aan de orde is. Daarvan kan sprake zijn indien de accountant bewust en te kwader trouw onjuiste of misleidende declaraties indient.

4.6       Klaagsters hebben niet althans onvoldoende gemotiveerd gesteld dat sprake is van onjuiste of misleidende facturen. Mede in het licht van het gegeven dat een vast bedrag per maand is overeengekomen voor de werkzaamheden die zijn genoemd in de hiervoor onder 2.5 weergegeven offerte, die mede zag op de aan [X1] gelieerde vennootschappen, en het feit dat geen urenspecificatie was overeengekomen, zoals betrokkene onweersproken heeft aangevoerd, hebben klaagsters evenmin voldoende (andere) feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat betrokkene in verband met deze facturen zodanig in strijd met de van hem te verlangen zorgvuldigheid, integriteit of professionaliteit heeft gehandeld, dat hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Daarbij komt dat [X1] tot de factuur van 26 mei 2016 alle facturen telkens heeft betaald, terwijl de omschrijving in die facturen niet afweek van de facturen van mei, juni en juli 2016. Ten slotte is ter zitting gebleken dat klaagsters in de door [E] aangespannen civiele procedure in het ongelijk zijn gesteld. Slotsom is dan ook dat klachtonderdeel a. ongegrond is.

4.7       Ten aanzien van klachtonderdeel b. overweegt de Accountantskamer dat tot 1 mei 2016 middels een VAR-verklaring zekerheid kon worden verkregen over het al dan niet aanwezig zijn van een dienstbetrekking tussen een opdrachtgever en een free-lancer. Vaststaat dat [F] op freelance-basis voor [X1] werkzaam was en dat  [X1] niet beschikte over een VAR-verklaring.

4.8       In paragraaf 14 van Standaard 4410, zoals die luidde ten tijde van het samenstellen van de jaarrekening 2013 van [X1], van de Nadere Voorschriften Controle en Overige Standaarden, (hierna: Standaard 4410) is (samengevat)  bepaald dat, indien de accountant constateert dat de door het management verstrekte gegevens onjuist, onvolledig of anderszins onbevredigend zijn, hij bij het management om aanvullende of gecorrigeerde informatie moet vragen. Weliswaar schrijft deze paragraaf het opvragen van VAR-verklaringen niet specifiek voor, maar in dit geval kon van betrokkene verlangd worden om na te gaan of de vereiste VAR-verklaring was verstrekt. Het ging immers om een ingehuurde directeur, met een bij die functie behorend salaris, die (bijna) fulltime in de onderneming werkzaam was.  De eventueel verschuldigde loonheffing betrof dan ook een materiële post. Bovendien was [F] degene die betrokkene van informatie voorzag. Vaststaat dat betrokkene bij het samenstellen van de jaarrekening over 2013 heeft gevraagd of van al het ingeleende personeel VAR-verklaringen aanwezig waren. Ter zitting heeft betrokkene, daarnaar gevraagd, verklaard dat hij niet meer weet hoe deze vraag destijds is beantwoord, maar dat de VAR-verklaring in elk geval niet in zijn administratie zat. Juist het feit dat geen VAR-verklaring werd verstrekt had naar het oordeel van de Accountantskamer voor betrokkene een signaal moeten zijn dat de gegeven informatie niet volledig of juist was. Ter zitting heeft betrokkene ook erkend dat hij nader onderzoek had moeten doen. Mede gelet op de mogelijke risico’s voor [X1] is de Accountantskamer van oordeel dat betrokkene door dit na te laten heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 12 van de VGBA en dat dit betrokkene moet worden aangerekend. Klachtonderdeel b. is dan ook gegrond.

 4.9      In klachtonderdeel c. stellen klaagsters dat betrokkene in [X1] bewust omzet, bestaande uit uren die voor [X4] zijn gemaakt maar die nog niet zijn gefactureerd, heeft afgeboekt om daarmee kunstmatig de winst te verlagen, terwijl hij dezelfde posten wel als kosten heeft opgenomen in  de jaarrekening van [X4].  

4.10     Betrokkene heeft in het verweerschrift en ter zitting uiteengezet dat de gemaakte uren pas door [X1] aan [X4] werden gefactureerd als de liquiditeit van [X4] dat toeliet. De facturen werden opgemaakt aan de hand van urenoverzichten die door [X4] werden bijgehouden en die door alle directeuren werden ondertekend. Doordat bij [X1] en [X4] voor dit onderhanden werk verschillende waarderingsmethoden werden gehanteerd, zijn volgens betrokkene verschillen ontstaan. Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij dit alles heeft besproken met de directie, onder wie [A], en dat daarbij uitdrukkelijk het voorzichtigheidsprincipe aan de orde is geweest.

4.11     Nu betrokkene gemotiveerd heeft aangevoerd dat er goede redenen waren om de uren te boeken op de wijze zoals betrokkene heeft gedaan en [A] ter zitting heeft erkend dat het voorzichtigheidsprincipe is besproken en dat de overleggen waarnaar betrokkene verwijst, inderdaad hebben plaatsgevonden, bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat betrokkene een kunstmatig verlies heeft gecreëerd. Klachtonderdeel c. is dan ook ongegrond.

4.12     Klachtonderdeel d. ziet blijkens de omschrijving in het klaagschrift op de verwerking van uren van [X1] in de jaarrekening 2014 van [X4]. Betrokkene heeft in het verweerschrift toegelicht hoe hij ten behoeve van het opstellen van de jaarrekening over 2014 het uitgebreide en ingewikkelde Excelbestand dat [X4] hanteert voor alle uren die worden gemaakt, heeft besproken met de directie. Naar aanleiding van dit overleg zijn de uren verwerkt en waar nodig aanpassingen doorgevoerd.

De Accountantskamer moet vaststellen dat klaagsters, hoewel uitdrukkelijk daarnaar ter zitting is gevraagd, niet duidelijk hebben gemaakt op welk handelen van betrokkene het klachtonderdeel ziet, laat staan dat helder is geworden welk tuchtrechtelijk verwijt betrokkene kan worden gemaakt. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

4.13     In klachtonderdeel e. stellen klaagsters dat in de jaarrekeningen van klaagsters verschillen zitten in de onderlinge vorderingen. Ook zou de omzet van [J] onjuist zijn opgenomen. Klaagsters stellen zich op het standpunt dat dergelijke onjuistheden niet mogen voorkomen.

Betrokkene heeft verklaard dat twee verschillen het gevolg zijn van een vergissing van zijn kant, maar dat deze verkeerde boekingen op grootboekniveau geen gevolgen hebben. Met betrekking tot de omzet van [J] heeft betrokkene ter zitting verklaard dat over deze post in 2012/2013 veelvuldig is gesproken met klaagsters en dat hij deze post conform de gemaakte afspraken heeft verwerkt. Hij heeft daaraan toegevoegd dat hij in 2014 daar niet opnieuw op is teruggekomen, maar  de post heeft geboekt zoals het jaar ervoor. Betrokkene heeft daarbij erkend dat hij in de jaarrekening een aantal getallen onjuist heeft opgenomen.

4.14     De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene door zijn uitleg aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van een kennelijke vergissing of verschrijving, die geen invloed heeft op het totale beeld van de jaarrekening. Betrokkene heeft daarnaast afdoende toegelicht dat de wijze van boeken van de post met betrekking tot [J] is afgestemd met klaagsters, zodat dit klachtonderdeel ongegrond is.

4.15     In klachtonderdeel f. sommen klaagsters verschillende fouten op die zij in de jaarrekeningen hebben aangetroffen en die volgens hen betrokkene kunnen worden aangerekend.

In de eerste plaats stellen zij dat in de jaarrekening een bedrag als agio is opgenomen zonder dat dit agio is overeengekomen in een formele aandeelhoudersvergadering. Betrokkene heeft hiertegen aangevoerd dat er weliswaar geen formeel aandeelhoudersbesluit over is genomen, maar dat hij in 2013 over het verwerken van het agio in de boeken van [X4] uitvoerig in talloze mails en meerdere besprekingen overleg heeft gevoerd met de directie, die  indirect de aandelen hield, en de (juridisch) adviseurs van [K] B.V..

4.16     Vooropgesteld wordt dat het bestuur van een vennootschap verantwoordelijk is voor de jaarrekening. Vaststaat dat alle bestuurders hebben ingestemd met de jaarrekening.

Uit de door betrokkene overgelegde stukken blijkt dat uitvoerig overleg heeft plaatsgevonden over (onder andere) het agio en dat daarover ook overeenstemming is bereikt. Er was dan ook aanleiding deze post zo op te nemen in de jaarrekening over 2013 Zoals in rechtsoverweging 4.3 is overwogen, is het aan klaagsters om aannemelijk te maken dat betrokkene desalniettemin een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het is niet aan betrokkene, zoals ter zitting namens klaagsters is betoogd, om het tegendeel aan te tonen. Klaagsters hebben niet het door hen gestelde tuchtrechtelijke verwijt aannemelijk gemaakt, zodat dit sub-klachtonderdeel geen doel treft.  

4.17     Vervolgens hebben klaagsters betoogd dat betrokkene het in 2013 uitgekeerde dividend ten onrechte niet in de jaarstukken van 2014 heeft verwerkt. Ook is hierover geen besluit genomen door de aandeelhouders, aldus klaagsters.

4.18     De Accountantskamer stelt vast dat volgens de door betrokkene als bijlage 12 overgelegde notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van [X2] van 17 juli 2014 in die vergadering het voornemen tot het besluit is genomen om een totaal dividend van € 80.000,-- uit te keren. Onduidelijk is gebleven of dat voorgenomen besluit een definitief besluit is geworden. Uit de jaarrekening 2014 blijkt, zoals ook door partijen is bevestigd, dat in 2014  aan één aandeelhouder, [L] B.V., een deel van het beoogde dividend (€ 20.000,--) is uitgekeerd. Reeds dit enkele feit had voor betrokkene reden moeten zijn om aan het management nadere vragen te stellen. Dividend moet immers evenredig over alle aandeelhouders worden verdeeld. Betrokkene heeft erkend dat hij hierin is tekortgeschoten. Geoordeeld dient dan ook te worden dat betrokkene in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in paragraaf 32 van Standaard 4410H. Daarbij komt dat, indien moet worden aangenomen dat een rechtsgeldig dividendbesluit was genomen, uit de jaarrekening had moeten blijken dat nog een bedrag van € 60.000 aan de andere aandeelhouders zou moeten worden uitgekeerd. Dit sub-klachtonderdeel is dan ook gegrond.

4.19     Klaagsters werpen betrokkene tegen dat hij voor [X2] geen btw-nummer heeft aangevraagd. Betrokkene heeft gesteld dat de activiteit van [X2], namelijk het houden van aandelen, geen btw-plichtige activiteit is, zodat een btw-nummer niet aan de orde is.

De Accountantskamer overweegt dat het aan de vennootschap zelf is te bepalen of zij kosten doorbelast met btw aan de werkmaatschappijen. Nu verder niet is gebleken dat betrokkene op grond van de aan hem verleende opdracht tot het samenstellen van de jaarrekening verplichtingen had op dit punt en de eerst ter zitting door klaagsters geponeerde stelling met betrekking tot frauduleus handelen niet is onderbouwd, is de slotsom dat dit sub-klachtonderdeel ongegrond is.

4.20     Tot slot hebben klaagsters gesteld dat betrokkene de rekening-courantverhoudingen tussen de diverse entiteiten niet juist heeft verwerkt. Betrokkene heeft zich verweerd door te stellen dat hij vorderingen en schulden nooit zonder akkoord van de directie saldeert. Daar waar hij dat wel heeft gedaan, heeft hij dat besproken met de directie en ging deze daarmee akkoord, aldus betrokkene. Naar het oordeel van de Accountantskamer hebben klaagsters in het licht van dit verweer niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene op dit punt  tuchtrechtelijk iets te verwijten valt, zodat dit sub-klachtonderdeel ongegrond is.

4.21     Uit het vorenstaande volgt dat de klacht gegrond dient te worden verklaard voor wat betreft  klachtonderdeel b en het tweede sub-klachtonderdeel van klachtonderdeel f. De overige klachtonderdelen worden ongegrond verklaard.

4.22     Nu de klacht gedeeltelijk gegrond moet worden verklaard, kan de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. Bij de beslissing daarover houdt zij rekening met de aard en de ernst van het verzuim van de betrokkene en de omstandigheden waaronder dit zich heeft voorgedaan. De Accountantskamer acht in deze klachtzaak de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Daarbij heeft de Accountantskamer er mede op gelet dat is gebleken dat betrokkene weliswaar regelmatig en uitvoerig overleg heeft gevoerd met zijn opdrachtgevers, maar op enkele belangrijke onderdelen zijn dossier niet helemaal compleet had en onvoldoende heeft doorgevraagd.  Aldus heeft betrokkene gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Anderzijds is meegewogen dat aan betrokkene niet eerder een maatregel is opgelegd.

4.23      Op grond van het hiervoor overwogene wordt als volgt beslist.

5.         Beslissing

De Accountantskamer:

·       verklaart klachtonderdeel b. en het tweede sub-klachtonderdeel van klachtonderdeel f. gegrond;

·       verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

·       legt ter zake aan betrokkene op de maatregel van waarschuwing ;

·       verstaat dat de AFM en de voorzitter van de Nba na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;

·       verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klaagsters betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klaagsters vergoedt.

Aldus beslist door mr. drs. M. Stempher, voorzitter, mr. E.W. Akkerman en mr. W.J.B. Cornelissen (rechterlijke leden) en drs. R.G. Bosman RA en D.J. ter Harmsel AA RB (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2018.

_________                                                                                          __________

secretaris                                                                                            voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Ingevolge artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift dient de gronden van het beroep te bevatten en te zijn ondertekend.