Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2017:73 Accountantskamer Zwolle 16/3002 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2017:73
Datum uitspraak: 17-11-2017
Datum publicatie: 17-11-2017
Zaaknummer(s): 16/3002 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht gegrond met tijdelijke doorhaling in het AFM-register
Inhoudsindicatie:   Met onvoldoende diepgang en onvoldoende professioneel kritische instelling uitgevoerde controle naar de juistheid van (Europese) subsidiabele kosten (“subsidieverklaring”). Met onvoldoende diepgang en onvoldoende professioneel kritische instelling uitgevoerde assurancewerkzaamheden in het kader van een NVCOS 3000 rapportage over het bestaan en de waarde van niet in de jaarrekening verwerkte intellectuele activa van zijn cliënt. Ten onrechte adviseren aan cliënt van het opnemen van een voorziening met als doel (al dan niet tijdelijk) een lager bedrag aan vennootschapsbelasting te betalen. Klacht gegrond; maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van 3 maanden.

ACCOUNTANTSKAMER

BESLISSING ex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de zaak met nummer 16/3002 Wtra AK van 17 november 2017 van

HET OPENBAAR MINISTERIE ,

Functioneel Parket ‘s-Hertogenbosch, afdeling Fraude,

vertegenwoordigd door officier van justitie mr. P.T.R. Bliek,

K L A G E R ,

raadslieden: mr. drs. R.E. Dohmen RA AA en mr. S. van den Kerkhof,

t e g e n

Y ,

registeraccountant,

kantoorhoudende te [plaats1],

B E T R O K K E N E ,

raadsman mr. J.F. Garvelink.

1.         Het verloop van de procedure

1.1       De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewisselde en aan partijen bekende stukken, waaronder:

-        het klaagschrift met bijlagen van 13 december 2016, ontvangen op 15 december 2016;

-        het verweerschrift met bijlagen van 1 maart 2017, ontvangen op dezelfde datum;

-        een brief van de raadsman van klager van 7 maart 2017, ontvangen op 9 maart 2017, met als bijlagen 3 nadere producties bij het klaagschrift;

-        een brief van de raadsman van betrokkene (destijds mr. J.H. Hermsen) van 16 maart 2017, ontvangen op 17 maart 2017, met als bijlagen een twaalftal nadere producties bij het verweerschrift.

1.2       De Accountantskamer heeft de klacht vooreerst behandeld ter openbare zitting van 31 maart 2017, waar zijn verschenen - aan de zijde van klager - diens raadslieden mr. drs. R.E. Dohmen RA AA en mr. S. van den Kerkhof en - aan de zijde van betrokkene - drs. [Y] RA in persoon, tot bijstand vergezeld van diens raadsman, mr. J.H. Hermsen, advocaat te Zutphen, alsmede [A] RA en drs. [B].

1.3       Klager en betrokkene hebben op deze zitting hun standpunten doen toelichten en/of toegelicht en doen antwoorden en/of geantwoord op vragen van de Accountantskamer. Vervolgens heeft de Accountantskamer de mondelinge behandeling van de zaak geschorst tot een nadere zitting en betrokkene verzocht zijn - voor de onderhavige zaak relevante -controledossiers ter beschikking te stellen aan klager, die vervolgens zijn bevindingen inzake de controledossiers van betrokkene in een memorie aan de Accountantskamer kon doen toekomen (zonder aanvulling(en) van de klacht met zaken die niet reeds in het OLAF-rapport vermeld staan).

1.4       Hierna heeft de Accountantskamer kennisgenomen van de vervolgens in deze zaak gewisselde en aan partijen bekende brief van de raadsman van klager van 5 juli 2017, met als bijlage de door betrokkene overgelegde controledossiers.

1.5       De Accountantskamer heeft de klacht verder behandeld ter openbare zitting van 22 september 2017, waar zijn verschenen - aan de zijde van klager - diens raadsman mr. drs. R.E. Dohmen RA AA en - aan de zijde van betrokkene - drs. [Y] RA in persoon, tot bijstand vergezeld van zijn (opvolgend) raadsman, mr. J.F. Garvelink, advocaat te Amsterdam, alsmede [A] RA en drs. [B].

2.          De vaststaande feiten

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde ter zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

2.1       Betrokkene staat sedert [datum] als registeraccountant ingeschreven in het register van de Nba (voorheen: het Nivra). Hij houdt als openbaar accountant kantoor te [plaats1].

2.2       Betrokkene heeft in opdracht van [C] B.V. (hierna: [C]) met ingang van het boekjaar 2006 tot 1 oktober 2013 als accountant werkzaamheden voor die vennootschap uitgevoerd. De aan betrokkene opgedragen werkzaamheden betroffen: het samenstellen van de jaarrekeningen, de aangiften vennootschapsbelasting en assurance-werkzaamheden als bedoeld in NVCOS 3000.

2.3       [C] hield zich bezig met het initiëren en organiseren van (gesubsidieerde) projecten op het gebied van innovatie en productontwikkeling. In 2009 heeft [C] het initiatief genomen tot het organiseren en coördineren van het (deels) door de Europese Commissie (hierna EC) gesubsidieerd innovatieproject [project1]. Met dat project werd beoogd om startende bedrijven op het gebied van design, mode en gaming te helpen om investeerders te vinden en om hun intellectuele eigendomsrechten te beschermen.

2.4       Met dat oogmerk is in december 2009 een subsidie-overeenkomst gesloten tussen enerzijds het “Directorate-General for Enterprise and Industry” (hierna DG ENTR) en [C] en anderzijds 10 projectpartners (medebegunstigden). De projectpartners hebben zich in de desbetreffende overeenkomst verbonden om het innovatieproject ten uitvoer te brengen en [C] heeft zich verbonden op te treden als intermediair tussen de projectpartners en de EC. In het bijzonder heeft [C] zich verbonden om namens de projectpartners aan de EC alle documenten e.d. te leveren die nodig waren voor het indienen en onderbouwen van verzoeken om betaling van subsidiegelden. De overeenkomst is aangegaan voor de looptijd van 1 september 2009 tot 31 augustus 2012.

2.5       De kosten van het project [project1] zijn geraamd op € 2.918.700. De EC heeft een bedrag van maximaal € 1.861.405 subsidiabel gesteld. Tussen 10 december 2009 en 21 december 2012 heeft de EC in totaal € 1.958.492 aan [C] betaald.

2.6       De werkzaamheden die betrokkene in het kader van het project [project1] heeft uitgevoerd betreffen het - met het oog op de bevoorschotting door de EC - afgeven van ‘audit certificates’ voor de eerste twee perioden (01-09-2009 t/m 01-06-2010 en 01-06-2010 t/m 28-02-2011) van het project.

2.7       De desbetreffende administratie van [C] werd gedurende de volledige looptijd van het innovatieproject gevoerd door een administratiekantoor te [plaats2].

2.8       In februari 2013 heeft het DG ENTR bij [C] een controle ingesteld. Naar aanleiding van deze controle is de Office Européen de la Lutte Antifraude (hierna OLAF), het Europees bureau voor fraudebestrijding, in maart 2013 geïnformeerd over mogelijke onregelmatigheden binnen het project. Per 6 juni 2013 heeft OLAF een onderzoek ingesteld. Het rapport van dat onderzoek is gedateerd op 15 december 2014.

2.9       Naar aanleiding van die rapportage van OLAF is door de FIOD, kantoor Eindhoven, vanaf 10 december 2015 een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd naar betrokkenes cliënt [C]. Uit dat strafrechtelijk onderzoek komt naar voren, enerzijds, dat [C] niet alle gelden heeft doorbetaald waar zij contractueel toe verplicht was en, anderzijds, dat zij kosten bij de EC heeft gedeclareerd die niet voor subsidie in aanmerking komen.

2.10     Bij het claimen van laatstvermelde kosten werd de aanvraag ondersteund door controlecertificaten ('audit certificates'), die waren opgesteld en ondertekend door betrokkene.

2.11     Betrokkene heeft tevens assurancewerkzaamheden als bedoeld in NVCOS 3000 voor [C] verricht. Zo heeft hij in een ‘assurance report concerning intellectual properties’ bevestigd dat het intellectuele eigendom van [C] per 4 april 2012 een waarde van € 21.090.695 vertegenwoordigde.

2.12     Betrokkene heeft op 3 december 2012 in een e-mail aan de directeur van [C], [D], onder meer het volgende geschreven:

(…)

“Afgelopen week kreeg ik een brief van de Belastingdienst met de mededeling dat de aangifte van [C] over 2011 tijdig binnen moet zijn, anders krijg ik voor 2012 geen uitstel. De winst over 2011 staat op euro 140.552,- met een belasting van euro 28.110,- en dat zal niet zo goed uitkomen. Nu heb ik het volgende idee:

In deze aangifte kan ik een voorziening vormen voor de rekening van de EC inzake [F] + de te maken advocaatkosten e.d. voor een totaal van euro 140.000. De belasting wordt dan iets van euro 100,-. Als de financiën het toelaten kan ik in de aangifte 2012 de voorziening dan weer vrij laten vallen.

Wil je en [voornaam1] daar je gedachten eens over laten gaan?”

(…).

3.         De klacht

3.1       Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

3.2       Ten grondslag aan de klacht liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift, de volgende verwijten:

I. primair

Betrokkene heeft met onvoldoende diepgang en onvoldoende professioneel kritische instelling een controle naar de juistheid van de subsidiabele kosten uitgevoerd. Met de (wel) uitgevoerde controlewerkzaamheden heeft betrokkene onvoldoende controle-informatie verkregen over de juistheid van deze post. Als gevolg daarvan zijn met dagtekening 18 mei 2011 aan de EC twee controlecertificaten verstrekt zonder dat daarvoor een deugdelijke grondslag kan worden vastgesteld en op basis waarvan de EC meer subsidie heeft uitgekeerd dan waar recht op bestond. Met een en ander heeft betrokkene het fundamentele beginsel ‘deskundigheid en zorgvuldigheid’ als bedoeld in art. A-100.4 onder c. van de VGC en verder uitgewerkt in A‑130 van de VGC onvoldoende nageleefd.

I. subsidiair

Betrokkene heeft de werkzaamheden en bevindingen naar aanleiding van de assurancewerkzaamheden als bedoeld onder I. primair niet (voldoende) vastgelegd, zoals wel is vereist volgens NV COS 230. Aldus heeft betrokkene het fundamentele beginsel ‘deskundigheid en zorgvuldigheid’ als bedoeld in art. A-100.4 onder c. van de VGC en verder uitgewerkt in A-130 van de VGC onvoldoende nageleefd.

II. primair

Betrokkene heeft met onvoldoende diepgang en onvoldoende professioneel-kritische instelling een controle naar de juistheid van de intellectuele activa van cliënt [C] BV uitgevoerd, hetgeen heeft geleid tot de afgifte van een ‘assurance report concerning intellectual properties’ van 3 april 2012, zijnde een assurance-rapport als bedoeld in NV COS 3000. Met de (wel) uitgevoerde controlewerkzaamheden heeft betrokkene onvoldoende controle-informatie verkregen over de juistheid van deze post, waardoor geen deugdelijke grondslag kan worden vastgesteld. Aldus heeft betrokkene het fundamentele beginsel ‘deskundigheid en zorgvuldigheid’ als bedoeld in art. A-100.4 onder c. van de VGC en verder uitgewerkt in A-130 van de VGC onvoldoende nageleefd.

II. subsidiair

Betrokkene heeft de werkzaamheden en bevindingen naar aanleiding van de assurancewerkzaamheden als bedoeld onder II. primair niet (voldoende) vastgelegd, zoals wel is vereist volgens NV COS 230. Aldus heeft betrokkene het fundamentele beginsel ‘deskundigheid en zorgvuldigheid’ als bedoeld in art. A-100.4 onder c. van de VGC en verder uitgewerkt in A-130 van de VGC onvoldoende nageleefd.

III.

Betrokkene is niet integer geweest, door zijn cliënt voor te stellen een voorziening op de balans op te nemen met als enige doel het omlaag brengen van het bedrag aan te betalen vennootschapsbelasting, terwijl dit voorstel door de cliënt daadwerkelijk (meer dan) gevolgd is en voor de juistheid van de voorziening uit het cliëntdossier zelfs geen begin van een aannemelijkheid is te destilleren. Betrokkene heeft aldus het fundamentele beginsel ‘integriteit’ als bedoeld in artikel A-100.4 onder a en verder uitgewerkt in A-110 VGC onvoldoende nageleefd.

3.3       Wat namens klager bij de mondelinge behandeling als nieuwe standpunten naar voren is gebracht, is door de Accountantskamer niet opgevat als nieuwe klachtonderdelen (waarvan de inbreng op een dergelijk laat tijdstip overigens ook in strijd zou zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde) doch - voor zover het daartoe kan dienen - als een ondersteuning van de betwisting van het gestelde in de door/namens betrokkene gegeven weerspreking van de klacht.

4.         De gronden van de beslissing

Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende.

4.1       Op grond van artikel 33 Wet op de Registeraccountants (oud, hierna: Wet RA) en sinds 1 januari 2013 op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) is de registeraccountant bij het beroepsmatig handelen, onderscheidenlijk ten aanzien van zijn beroepsuitoefening, onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wet RA respectievelijk de Wab bepaalde, alsmede ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

4.2       Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet, nu dit plaats had in de periode van 1 januari 2007 tot 4 januari 2014, worden getoetst aan de in die periode geldende Verordening gedragscode (RA’s) (hierna: VGC) en daarvan in dit geval het (voor alle accountants geldende) deel A en het (voor openbaar accountants geldende) deel B1.

4.3       Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klager is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.4.1    Het in klachtonderdeel III. bedoelde voorstel van betrokkene aan [C] tot het opnemen van een voorziening met als doel het omlaag brengen van het bedrag aan te betalen vennootschapsbelasting, blijkt uit de hiervoor onder 2.12 aangehaalde e-mail van 3 december 2012 aan de directeur van [C].

4.4.2    Namens betrokkene is gesteld dat genoemd e‑mailbericht verband houdt met de aankondiging van de EC van 28 augustus 2012 tot terugvordering van een bedrag van € 113.754,81.

4.4.3    Er bestaat in beginsel geen bezwaar tegen het door een accountant adviseren van het opnemen van een voorziening als in het onderhavige geval, waarin de terugvordering van een aanzienlijk bedrag in het verschiet ligt. De Accountantskamer merkt evenwel op dat het door betrokkene als voorziening geadviseerde bedrag van € 140.000,-- nogal ruim uitsteekt boven het terug te vorderen bedrag van € 113.754,81, dat op grond van een afspraak al vast stond, zodat er geen ‘advocaatkosten e.d.’ te verwachten waren. Bovendien lag het door betrokkene als voorziening geadviseerde bedrag wel heel dicht in de buurt van het bedrag van de winst van [C] in 2012. Voorts heeft betrokkene desgevraagd ter zitting geen bevredigende verklaring kunnen geven voor het ontbreken van de desbetreffende voorziening in de ‑ door hemzelf samengestelde ‑ jaarrekening 2012 van [C]. Bovendien heeft betrokkene niet in zijn overwegingen betrokken of de terugvordering zou kunnen worden verhaald op de projectpartners van [C] in het project [project1]. Ten slotte valt moeilijk te begrijpen dat, indien de voorziening inderdaad bedoeld was voor een terugvordering van de EC op [C], betrokkene deze ‘als de financiën het toelaten in de aangifte 2012’ weer kon laten vrijvallen, zoals hij in de e-mail van 3 december 2012 aan de directeur van [C] eveneens suggereerde. Aannemelijk is dan ook dat betrokkenes voorstel slechts tot doel had het ongerechtvaardigd (al dan niet tijdelijk) omlaag brengen van de door [C] te betalen vennootschapsbelasting, in elk geval die over een bedrag dat het verschil tussen € 140.000,-- en € 113.754,81 uitmaakt. Niet alleen het opzettelijk doen van een onjuiste belastingaangifte, maar ook het aanzetten daartoe is strijdig met het fundamentele beginsel ‘integriteit’ als bedoeld in artikel A-100.4 onder a en verder uitgewerkt in hoofdstuk A‑110 van de VGC. Klachtonderdeel III. moet daarom gegrond worden verklaard.

4.5.1    Met betrekking tot klachtonderdeel I. is namens klager onder meer naar voren gebracht dat het controledossier een bonte verzameling is van documenten die onder meer:

·       betrekking hebben op periodes voorafgaand aan de periodes waarop de assurance-verklaringen zien;

·       betrekking hebben op andere projecten dan waarop de assurance-verklaringen zien;

·       zijn opgemaakt nadat de assurance-verklaringen zijn opgemaakt;

·       volstrekt nietszeggend zijn of niets toevoegen in het licht van een assurance-opdracht;

·       door betrokkene zijn gefabriceerd - tenminste - na 24 mei 2016 (de dag van uitlevering van de digitale gegevens door betrokkene aan de FIOD).

Maar ook bij nadere beschouwing van de overgelegde documenten, kan de conclusie volgens klager niet anders zijn dan dat de assurancewerkzaamheden met onvoldoende diepgang en onvoldoende professioneel-kritische instelling zijn uitgevoerd, want:

·       de gegevensgerichte werkzaamheden worden beperkt omdat gesteund zou kunnen worden op de interne beheersingsmaatregelen van [C], terwijl betrokkene initieel concludeert dat dit vanwege de beperkte omvang van de organisatie en de aard van de aanwezige interne controles niet mogelijk is en hij om die reden de effectieve werking van die interne controles ook niet heeft getoetst;

·       voor de controle op de immateriële activa wordt gesteld dat die qua omvang beperkt kan blijven omdat mede kan worden gesteund op de jaarrekeningen, die echter nooit eerder zijn gecontroleerd;

·       bij de controle van de projectkosten (p. 66 en 67) zijn onder meer reizen naar [land1], [land2] en [land3] in de controle meegenomen, terwijl [project1] helemaal geen projectdeelnemers in die landen had;

·       de bijgevoegde overzichten roepen meer vragen op dan dat ze duidelijkheid geven, want in het controledossier (p. 42 van het controledossier) zitten lijstjes met personeelskosten per medewerker over de perioden 1 september 2009 - 31 mei 2010 (periode 1) en 1 juni 2010 - 28 februari 2011 (periode 2), maar als men die vergelijkt met de personeelskosten per medewerker (p. 43-54 van het controledossier) dan blijkt dat die laatste overzichten de totale kosten per jaar zijn, waarbij de onderverdeling naar de diverse projecten ontbreekt, zodat niet uit het dossier blijkt hoe betrokkene heeft vastgesteld dat voor het project [project1] de juiste uren zijn verantwoord.

De accountants van de Europese Commissie komen in hun rapportage (DOC-004D) tot de conclusie dat 99,3% respectievelijk 98,1% van de door de cliënt van betrokkene gedeclareerde kosten ten onrechte zijn gedeclareerd. Hoe het mogelijk is dat betrokkene dat bij zijn controlewerkzaamheden niet heeft ontdekt, blijkt wel uit het controledossier: als er al controlewerkzaamheden hebben plaatsgevonden, dan hadden die niets om het lijf, aldus klager.

4.5.2    Met betrekking tot klachtonderdeel II. is namens klager aangevoerd dat het dossier dat betrekking heeft op de controle van de immateriële activa mogelijk nog beschamender is dan het gedeelte dat ziet op de EC-subsidies. Immers:

·       wederom zijn documenten niet terug te vinden in de digitale versie van het dossier van betrokkene, terwijl die documenten wel geautomatiseerd zijn opgemaakt;

·       de assurance-verklaring was volgens betrokkene bedoeld voor [E], die wilde weten wat er allemaal aan niet in de jaarrekening terug te vinden immateriële activa in de onderneming zat. Volgens betrokkene betreffen het voor het project gemaakte kosten die echter uit voorzichtigheid niet in de jaarrekening zijn opgenomen. De kosten die in het controledossier (in de cijferbeoordeling op p. 105) zijn opgenomen, zijn evenwel alle in de resultatenrekening verantwoord en kunnen dus onmogelijk zien op die geactiveerde kosten;

·       volgens de toelichting op de projecten die onderdeel uitmaken van de post immateriële activa (p. 114-117 van het controledossier) kunnen verscheidene deelprojecten niet als immateriële activa worden gekwalificeerd, terwijl ze wel in het assurance-rapport zijn vermeld.

Betrokkene heeft per 3 april 2012 een assurance-verklaring afgegeven over de waarde van de immateriële activa bij zijn cliënt en kwam tot de conclusie dat die post € 21.090.695,-- bedroeg, maar uit het controledossier blijkt niet dat ook maar één euro van dat bedrag daadwerkelijk door betrokkene is gecontroleerd. Daarnaast is namens klager opgemerkt dat een uitgebreid (al of niet aan NVCOS 3000 voldoend) rapport terzake van de tweede deelklacht - waarover betrokkene de Accountantskamer bij de inhoudelijke behandeling van de klacht op 31 maart j.l. heeft verklaard dat dit wel bestond - niet in het door betrokkene overgelegde dossier is aangetroffen.

4.6.1    Namens betrokkene heeft diens raadsman inzake klachtonderdeel I. een uitvoerige uiteenzetting gegeven over de gevolgde controlestappen en gewezen op de vastleggingen daarvan in het inmiddels aan klager overgelegde controledossier van betrokkene. Betoogd is dat betrokkene heeft gehandeld op een wijze die men v an een accountant kan verwachten als het gaat om controle van kosten en dat betrokkene zijn werkzaamheden daarbij in belangrijke mate gegevensgericht heeft ingestoken en deze ook heeft gedocumenteerd.

4.6.2    Aangaande klachtonderdeel II. heeft de raadsman van betrokkene onder meer naar voren gebracht:

-        dat de achtergrond en het doel van deze controle uit het zicht zijn verdwenen, waardoor het gevaar bestaat dat deze controle een verkeerde lading krijgt;

-        dat de betrokken werkzaamheden immers geen ander doel hadden dan de specifiek voor het maken van onderlinge afspraken tussen [E] en [C] opgestelde rapportage, met specifieke grondslagen en een zeer beperkte verspreidingskring;

-        dat, nu [C] het intellectueel eigendom had ter zake deze projecten, alle investeringen in de betreffende projecten zijn meegenomen in de berekening, ook de kosten van andere participanten die niet hoefden te worden gecontroleerd omdat ze reeds door de EC waren goedgekeurd, in jaarrekeningen verwerkt en afgesloten;

-        dat de opdracht feitelijk dus niet meer inhield dan een optelsom van de gemaakte kosten van de beschreven projecten;

-        dat betrokkene ter zake deze opdracht heeft gesteund op de administratieve bescheiden die hij tot zijn beschikking kreeg; het ging om al afgeronde projecten waarvoor subsidies waren verstrekt;

-        dat de verklaring afdoende was voor [E] en uitdrukkelijk exclusief bestemd was voor [E], wat ook expliciet in de rapportage is opgenomen;

-        dat de samenwerking met [E] vervolgens nooit zijn beslag heeft gekregen en de rapportage van betrokkene dus ook nooit ergens voor is gebruikt.

4.7.1    De Accountantskamer overweegt met betrekking tot de klachtonderdelen I. en II. dat betrokkene er niet in is geslaagd om te weerleggen de namens klager op grond van het OLAF-rapport van 15 december 2014 opgeworpen stellingen dat betrokkene met onvoldoende diepgang en onvoldoende professioneel kritische instelling de controles naar de juistheid van a) de subsidiabele kosten en b) de intellectuele activa van [C] heeft uitgevoerd. Van de uitvoering van een opdracht volgens NV COS 3000 is geen sprake geweest en betrokkene heeft inmiddels ook erkend dat hij niet volgens die standaard heeft gewerkt. De raadsman van betrokkene heeft weliswaar gewezen op allerlei vermeldingen van controlestappen in de controledossiers van betrokkene, maar deze vermeldingen blijken bij nadere beschouwing slechts te bestaan uit een opsomming van (uit te voeren of uitgevoerde) werkzaamheden, zonder vermelding van uitkomsten of resultaten van die werkzaamheden.

Als voorbeelden mogen hier dienen de verwijzingen van de raadsman van betrokkene naar document F1, waarin onder meer staat vermeld:

“De individuele contracten zijn nagelopen (waren dat ook al bij [F]).

Daarbij aandacht of de functie(omschrijving) past in het beeld van het project.

Dit is ook nog eens nagevraagd bij [B], de projectmanager.

De uren zijn globaal doorgenomen op plausibiliteit,

Voorts op rekenkundige juistheid, aanvaardbaarheid etc.

Door de kleine organisatie is het personeel bekend bij de accountant.

De betalingen blijken jaarlijks bij het samenstellen van de jaarrekening.”

en naar document G1, waarin onder meer staat vermeld:

“Voor de reiskosten is daarbij een directere benadering genomen: ik ben een dag naast [D] gaan zitten en heb deze post doorgenomen met een toelichting; zijn agenda had hij ter raadpleging bij zich.

Daarbij heb ik ook naar de e-mails gekeken

Hier valt nog over op te merken, dat zijn taken (zie personeelskosten) niet zozeer

management-taken, maar veelal gericht op contact houden, vergaderingen, overleg etc.

Vanuit zijn functie als directeur zou je het eerder zien als management activities, maar het is verdedigbaar om er niet formeel naar te kijken, maar juist practisch.

Voorshands is die dan ook zo meegenomen.

Verder onderhielden met name [voornaam2], [voornaam3], [voornaam4] en [voornaam5] contacten en

maakten daartoe ook kosten.”

Wat echter de uitkomst van de hier telkens opgesomde bezigheden is geweest, blijft in het ongewisse. Evenmin wordt duidelijk met wie en waartoe contacten en/of vergaderingen moesten worden gehouden.

4.7.2    Uit het door betrokkene overgelegde controledossier blijkt dus niet welke controlemiddelen daadwerkelijk door betrokkene zijn ingezet, laat staan wat de uitkomst van die inzet is geweest. Volgens vaste rechtspraak van de Accountantskamer moet het er dan ook voor worden gehouden dat wat niet behoorlijk is vastgelegd, niet is geschied. Wat er ook zij van het door klager gesuggereerde omtrent het door betrokkene naderhand gefabriceerd of aangevuld zijn van de controledossiers, die dossiers voldoen niet aan de daaraan te stellen eisen omdat er niet uit kan worden afgeleid dat betrokkene met voldoende diepgang en professioneel kritische instelling de controles op de juistheid van de subsidiabele kosten (als bedoeld in klachtonderdeel I.) en de juistheid van de intellectuele activa van cliënt [C] (als bedoeld in klachtonderdeel II.) heeft uitgevoerd. Een en ander moet worden aangemerkt als schendingen van het fundamentele beginsel ‘deskundigheid en zorgvuldigheid’ als bedoeld in artikel A-100.4 onder c. en verder uitgewerkt in hoofdstuk A‑130 van de VGC. De (primaire) klachtonderdelen I. en II. moeten reeds daarom gegrond worden verklaard.

4.8        Nu de klacht gegrond wordt geacht, kan en zal op grond van artikel 2 Wtra door de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel worden opgelegd. Daarbij houdt de Accountantskamer rekening met de aard, omvang en de ernst van de schendingen door betrokkene van de fundamentele beginselen ‘integriteit’ en ‘deskundigheid en zorgvuldigheid’ en de omstandigheden waaronder deze schendingen zich hebben voorgedaan. Betrokkene wordt in het bijzonder aangerekend dat hij min of meer achteloos assuranceverklaringen heeft afgegeven, (mede) op grond waarvan uit gemeenschapsgelden (naar later is gebleken: ten onrechte) subsidies zijn verstrekt. Op assuranceverklaringen van een accountant moet in het maatschappelijk verkeer kunnen worden vertrouwd en dat vertrouwen heeft betrokkene beschaamd. Betrokkene heeft ter zitting niet laten blijken inmiddels te begrijpen dat het uitvoeren van accountantscontroles op de wijze waarop hij dat heeft gedaan, onacceptabel is. Anderzijds blijkt dat betrokkene thans geen assurancewerkzaamheden meer uitvoert en bezig is zijn praktijk af te bouwen. Bovendien blijkt het kantoor van betrokkene in 2016 nog aan een kwaliteitstoetsing onderworpen te zijn geweest en deze met goed gevolg te hebben doorstaan. Er mag daarom vanuit worden gegaan dat betrokkene zijn aan assurance verwante werkzaamheden met voldoende kwaliteit uitvoert. Alles afwegende acht de Accountantskamer de in artikel 2, eerste lid, sub d. Wtra bedoelde maatregel van tijdelijke doorhaling passend en geboden, waarbij de duur van die doorhaling zal worden bepaald op drie maanden.  

4.9       Op grond van al het hiervoor overwogene dient als volgt te worden beslist.

5.         Beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht in alle onderdelen gegrond in voege als hiervoor omschreven;
  • legt ter zake aan betrokkene op de maatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder d. Wtra, te weten die van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van 3 (drie) maanden, welke maatregel ingaat op de tweede dag volgend op de dag waarop deze beslissing onherroepelijk is geworden én de voorzitter van de Accountantskamer een last tot tenuitvoerlegging heeft uitgevaardigd;
  • verstaat dat de AFM en de voorzitter van de Nba na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven.

Aldus beslist door mr. M.B. Werkhoven, voorzitter, mr. A.L. Goederee en mr. R.P. van Eerde (rechterlijke leden) en P. Mansvelder RA en D.J. ter Harmsel AA RB (leden-accountants), in aanwezigheid van W. Welmers, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 17 november 2017.

_________                                                                                          __________

secretaris                                                                                            voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Ingevolge artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift dient de gronden van het beroep te bevatten en te zijn ondertekend.