Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TADRAMS:2014:215
Datum uitspraak:
19-08-2014
Datum publicatie:
20-08-2014
Zaaknummer(s):
13-379A + 13-380A
Onderwerp:
Zorg voor de cliëntVereiste communicatie met de cliënt Zorg voor de cliëntGeheimhoudingsplicht
Beslissingen:
Waarschuwing
Inhoudsindicatie:
Klaagster verwijt verweerster dat zij zonder klaagster hierover te informeren en zonder haar toestemming een procesadvies met vertrouwelijke bijlagen aan haar rechtsbijstandsverzekeraar heeft gezonden. De raad is van oordeel dat van een advocaat mag worden verwacht dat een (proces)advies eerst met de cliënt wordt besproken alvorens het naar de verzekeraar wordt gezonden. In beginsel alle van de cliënt aan de advocaat toevertrouwde informatie dient als vertrouwelijk te worden aangemerkt. De geheimhoudingsverplichting van de advocaat gaat voor op verplichtingen van een advocaat jegens de derde/verzekeraar die hem voor de zaak betaalt. De klacht is gegrond. Als maatregel wordt een enkele waarschuwing opgelegd.

Amsterdam

Beslissing van 19 augustus 2014

in de zaken 13-379A en 13-380A

naar aanleiding van de klachten van:

mevrouw

klaagster

tegen:

1) mr.

advocaat te Amsterdam    

verweerster

2) mr.

advocaat te Amsterdam

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brieven aan de raad van 10 december 2013 met kenmerken 4013-0869A en 4013-0869B, door de raad ontvangen op 12 december 2013, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam de klachten ter kennis van de raad gebracht.

1.2 De klachten zijn behandeld ter zitting van de raad van 24 juni 2014 in aanwezigheid van partijen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.3 De raad heeft kennis genomen van:

- de onder 1.1 vermelde brieven;

- de stukken vermeld op de daarbij gevoegde inventarislijst.

 

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klachten wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.2 Klaagster is verwikkeld in een complexe nalatenschapskwestie. In eerste instantie werd zij bijgestaan door mr. S. Hij stond op het punt een dagvaarding uit te brengen waarbij namens klaagster vernietiging werd gevorderd van een tussen een broer van klaagster en wijlen hun vader gesloten overeenkomst op grond van een “scheefgerezen verdelingsverhouding”. Op last van de rechtsbijstandsverzekeraar Stichting Achmea Rechtsbijstand (‘de verzekeraar’) heeft mr. S. de behandeling van de zaak stopgezet omdat het plafond van de kostendekking dreigde te worden bereikt. Met instemming van klaagster heeft de verzekeraar de zaak vervolgens ondergebracht bij het netwerkkantoor waaraan verweerders zijn verbonden.

2.3 In de voorwaarden van de verzekering van klaagster is onder andere het volgende opgenomen:

“3.4 Opdracht aan advocaten of experts

1. Wanneer u een beroep doet op deze verzekering is alléén de Stichting bevoegd om, na overleg met u, opdrachten aan voorkeur en netwerk advocaten te verstrekken. Dit geldt tevens voor het verstrekken van opdrachten aan experts. De opdrachten worden steeds namens u gegeven, daartoe machtigt u de Stichting.

2. Indien een advocaat of expert is ingeschakeld, bent u verplicht om, al dan niet via de advocaat of expert, de Stichting op de hoogte te houden van de voortgang. De advocaat dient met de Stichting te overleggen over door hem te nemen maatregelen, zoals bijvoorbeeld het aanwenden van rechtsmiddelen en het leggen van beslag.”

2.4 Het kantoor van verweerders heeft met de verzekeraar een netwerkovereenkomst gesloten. Daarin is onder meer het volgende bepaald:

“2.6. Procedure

Opdrachtnemer krijgt van SAR via de afdeling Uitbestedingen per e-mail, fax of telefoon een zaak ter behandeling aangeboden. [..]

De behandelend advocaat/behandelaar bij opdrachtnemer neemt vervolgens contact op met de cliënt binnen de daarvoor afhankelijk van de aard van de zaak – al dan niet urgent – bestemde tijd. Opdrachtnemer informeert SAR alleen (per e-mail) over het eindresultaat van de zaak. Indien de behandeling van een zaak tot een (eind-)vonnis of arrest heeft geleid, stuurt opdrachtnemer tevens een afschrift daarvan aan SAR. Tijdens de behandeling van de zaak wordt geen correspondentie met betrekking tot de zaak aan SAR verstuurd, tenzij SAR daartoe verzoekt.

2.6.1. Geen kans van slagen

Indien er op enig moment naar de gemotiveerde opinie van de behandelend advocaat geen redelijke kans van slagen (meer) is om het door verzekerde beoogde resultaat te bereiken, bestaat er geen dekking (meer) op de rechtsbijstandverzekering. Opdrachtgever deelt in dat geval aan de verzekerde mede dat de rechtshulp door opdrachtnemer eindigt. Indien verzekerde zich hier niet in kan vinden en dit bij de behandelend advocaat aangeeft, verwijst opdrachtnemer de verzekerde door naar SAR. [..]”

2.5 Verweerster heeft de zaak in behandeling genomen. Bij aanvang van de zaak heeft verweerster per email van 17 januari 2013 het telefoongesprek met klaagster bevestigd. Zij heeft zich daarbij geïntroduceerd als de door de verzekeraar ingeschakelde advocaat en gemeld dat zij na ontvangst van de stukken een plan van aanpak aan verweerster zal toezenden.

2.6 Bij email van 22 januari 2013 heeft verweerster een plan van aanpak naar klaagster gezonden en aanvullende informatie aan klaagster gevraagd. In die email heeft zij onder meer het volgende te kennen gegeven:

“[..] Alvorens tot het uitbrengen van een dagvaarding over te gaan, zal ik eerst moeten beoordelen of deze zaak (de vraag of de door uw vader met broer [B] gesloten overeenkomst – alsnog – kan worden vernietigd op grond van dwaling) naar mijn mening in juridisch opzicht een goede kans van slagen zou kunnen hebben. In dat verband zal ik derhalve eerst een procesadvies moeten opstellen. Daarbij zal naar mijn mening ook aan de orde moeten komen wat de gevolgen zijn van een succes vol beroep op dwaling en of die gevolgen wel wenselijk zijn. [..]”

2.7 Bij brief van 2 april 2013 heeft verweerster klaagster een procesadvies toegezonden. Het procesadvies houdt onder andere in:

“[..] Door tussenkomst van Achmea Rechtsbijstand heeft u mij verzocht een procedure aanhangig te maken tegen uw broer [B] [..]

Tot mijn spijt moet ik u berichten dat ik de kans van slagen in een procedure (zeer) gering acht. Ook indien er wel sprake zou zijn van een reële slagingskans, vraag ik mij af of u – gelet op de gevolgen van de vernietiging – wel tot procederen zou moeten overgaan. De kans dat u er bij vernietiging in financieel opzicht op achteruit gaat is naar mijn mening aanwezig, op basis van de mij thans bekend zijnde feiten. Ten aanzien van beide overwegingen dient het navolgende. [..]”

2.8 Een kopie van deze brief inclusief bijlagen is op dezelfde dag per email aan klaagster gezonden met een kopie aan de verzekeraar, in dat emailbericht door verweerster aangeduid als opdrachtgever. De verzekeraar heeft per email van 24 april 2013 aan klaagster laten weten dat hij gelet op het advies van verweerster het dossier zal sluiten.

2.9 Op 6 juni 2013 heeft klaagster zich met een klacht over de werkwijze van verweerster gewend tot verweerder. Op 20 juni 2013 heeft verweerder daarop als volgt gereageerd:

“[..] Tenslotte nog een enkele opmerking over – het contact met – de opdrachtgever in deze zaak, Achmea Rechtsbijstand. Achmea Rechtsbijstand is onze opdrachtgever. Achmea heeft er recht op om te kunnen beoordelen of een ingeschakelde advocaat terecht positief of negatief heeft geadviseerd over de haalbaarheid van een eventuele procedure. Indien u het niet met de wijze van behandeling eens bent, stel ik mij voor dat u zich daaromtrent tot Achmea richt. Met Achmea is afgesproken dat adviezen aan haar worden opgestuurd en dat levert voor zover ik weet geen problemen op. Indien een advies na het uitbrengen daarvan aanpassing verdient, dan kan een dergelijk advies vanzelfsprekend worden aangepast. [..]”

Aansluitend op 26 juni 2013 heeft verweerder klaagster per email “ter vermijding van misverstanden” bevestigd “dat u vanzelfsprekend onze cliënte en opdrachtgever bent, maar dat wil niet zeggen dat Achmea dat ook niet is. Zij heeft ons in het kader van de rechtsbijstandverzekering ingeschakeld en in dat verband heb ik haar aangeduid als opdrachtgever.”

2.10 Bij brief met bijlagen van 27 juni 2013 heeft klaagster zich bij de deken beklaagd over verweerders.

3 KLACHT

De klacht jegens verweerster (13-379A)

3.1 De klacht jegens verweerster houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a) zij een procesadvies aan de verzekeraar heeft gezonden zonder klaagster hierin vooraf te kennen en/of haar vooraf over de inhoud te informeren en haar van de werkwijze in kennis te stellen;

b) zij vertrouwelijke stukken uit het dossier aan de verzekeraar heeft gezonden zonder klaagster hierin vooraf te kennen en/of hiervoor toestemming te hebben gevraagd, zonder dat een en ander een feitelijk belang dient.

De klacht jegens verweerder (13-380A)

3.2 De klacht jegens verweerder houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij heeft aangezet tot schending van de geheimhoudingsplicht door klaarblijkelijke vastlegging van werkprocessen met de verzekeraar aan wie vertrouwelijke stukken beschikbaar worden gesteld.

 

4 VERWEER

4.1 Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een (opzettelijke) schending van de geheimhoudingsplicht of ander tuchtrechtelijke laakbaar handelen of nalaten. Verweerder heeft ook gesteld dat hij niet heeft gefaciliteerd tot het schenden van de geheimhoudingsplicht door kantoorgenoten.

4.2 Volgens verweerders wist klaagster, althans had zij moeten weten, op grond van de communicatie en de polisvoorwaarden dat de verzekeraar inhoudelijk op de hoogte zou raken van de zaak. De verzekeraar moet de zaak kunnen beoordelen in verband met de controle op de dekking, de aanpak en de financiën van de zaak. Daartoe strekt de informatieplicht van de verzekerde jegens de verzekeraar. Daarbij is volgens verweerders relevant dat (uitsluitend) de verzekeraar de opdracht aan de advocaat verstrekt en de inhoud van die opdracht bepaalt. Indien het advies en de (vertrouwelijke) bijlagen niet zouden zijn toegezonden, had de verzekeraar volgens verweerders geen (verdere) dekking verleend en dat zou niet in het belang van klaagster zijn geweest.

4.3 Daarnaast wijzen verweerders op hun afspraken met de verzekeraar en de werkwijze met de verzekeraar in de praktijk. Zo is bij de inhoudelijke behandeling het volgende uiteengezet:

“[..] 13. Ons kantoor werkt sinds vele jaren voor rechtsbijstandverzekeraars. Het was en is gebruikelijk om adviezen over de haalbaarheid van de zaak alsmede processtukken en relevante correspondentie aan de verzekeraar toe te zenden. Daarbij zijn nooit problemen gerezen. [..]”

4.4 Volgens verweerders was de verzekeraar bovendien al in het bezit van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder alle bijlagen bij het procesadvies. Klaagster heeft de verzekeraar immers al in een eerder stadium moeten informeren over de relevante stukken. De verzekeraar had al eerder een advocaat aan klaagster toegewezen, en daaruit blijkt ook dat de verzekeraar al over de vertrouwelijke bijlagen beschikte.

4.5 De gedragsrechtelijke plicht tot geheimhouding is ook niet geschonden omdat de verzekeraar geen derde is, maar de contractspartij van klaagster. Ook de verzekeraar heeft een geheimhoudingsplicht.

4.6 Tot slot hebben verweerders naar voren gebracht dat naar aanleiding van de klacht van klaagster het kantoor tegenwoordig bij het begin van de zaak wel aan alle rechtsbijstandsverzekerden een intakebrief stuurt. Daarin wordt, in aanvulling op de polisvoorwaarden van de verzekeraar, nadrukkelijk meegedeeld dat alle processtukken, (proces)adviezen en andere van belang zijnde stukken aan de verzekeraar moeten en zullen worden toegezonden.

 

5 BEOORDELING

De klacht jegens verweerster (13-379A)

5.1 Voor de beoordeling van de klacht tegen verweerster is van belang wie nu eigenlijk haar cliënte en/of opdrachtgeefster was. Verweerster zelf is daarover richting klaagster noch richting de deken en raad consequent geweest. De raad stelt vast dat verweerster als advocaat met klaagster een advocaat-cliënt relatie had zoals bedoeld in de Advocatenwet en de gedragsregels. Dat verweerster betaald zou worden door de verzekeraar doet daaraan niet af of toe.

5.2 De vaststelling van die relatie brengt met zich dat door de advocaat de in artikel 46 Advocatenwet opgenomen zorgplicht jegens de cliënt in acht moet worden genomen. Uit die zorgplicht vloeien diverse verplichtingen voor de advocaat voort, zoals een duidelijke vastlegging van belangrijke afspraken en een adequate communicatie over de aanpak van de zaak in welk kader in het algemeen een cliëntengesprek in de rede ligt. Een andere belangrijke pijler van de verhouding advocaat-cliënt is de geheimhoudingsplicht van de advocaat. De geheimhoudingsplicht heeft te gelden als een fundamenteel beginsel voor de advocaat in de uitoefening van zijn beroep, dat slechts in uiterst zeldzame gevallen uitzondering lijdt.

Klachtonderdeel a)

5.3 Klaagster verwijt verweerster in klachtonderdeel a), kort gezegd, dat zij een procesadvies aan de verzekeraar heeft gezonden zonder klaagster hierin vooraf te kennen en/of haar vooraf over de inhoud te informeren.

5.4 Volgens verweerster bepaalt uitsluitend de verzekeraar de inhoud van de opdracht aan de advocaat. Haar procesadvies diende op grond van de uit de verzekering voor klaagster voortvloeiende informatieplicht en de (werk)afspraken van verweersters kantoor met de verzekeraar aan de verzekeraar te worden toegezonden. Dit was van belang teneinde verlies van dekking voor klaagster te voorkomen. Het was dus in klaagsters belang om het procesadvies aan de verzekeraar te verstrekken. Verweerster verwijst hierbij naar de polisvoorwaarden van klaagster en verzekeraar.

5.5 De raad volgt dit verweer niet. Van een advocaat mag worden verwacht dat een (proces)advies eerst met de cliënt wordt besproken alvorens het naar de verzekeraar wordt gezonden. In de eerste plaats is immers goed denkbaar dat de cliënt nog (feitelijke) aanvullingen dan wel anderszins op- en aanmerkingen heeft. Dit geldt temeer wanneer, zoals verweerster onweersproken heeft gesteld, zij de advocaat enkel staand in de ontvangstruimte op kantoor met de cliënte heeft gesproken over de tijdens die gelegenheid verstrekte dossierstukken en de advocaat vervolgens uit die stukken de kennelijke bedoeling en wens van klaagster heeft gedestilleerd.

5.6 In de tweede plaats miskent verweerster dat het aan de verzekerde, de cliënt van de advocaat dus, is om te bepalen welke invulling de verzekerde/cliënt wil geven aan de polisverplichtingen jegens de verzekeraar. Dat het kantoor van verweerster ook de verzekeraar als cliënt beschouwt en in dat kader eigen afspraken met de verzekeraar heeft, doet aan het voorgaande vanzelfsprekend niet af. De verhouding advocaat-cliënt gaat voor de verhouding advocaat-rechtsbijstandsverzekeraar. Het klachtonderdeel is derhalve gegrond.

Klachtonderdeel b)

5.7 Klaagster verwijt verweerster in klachtonderdeel b) dat zij vertrouwelijke stukken aan de verzekeraar heeft gezonden zonder klaagster hierin vooraf te kennen en/of hiervoor toestemming te hebben gevraagd.

5.8 Het verweer van verweerster, zoals hiervoor weergegeven in paragraaf 4, slaagt niet. De raad stelt voorop dat in beginsel alle van de cliënt aan de advocaat toevertrouwde informatie als vertrouwelijk dient te worden aangemerkt en dat daarop de uit de relatie advocaat-cliënt voortvloeiende geheimhoudingsplicht van toepassing is. Deze geheimhoudingsverplichting gaat, zoals hiervoor al overwogen, voor op verplichtingen van een advocaat jegens de derde die hem voor de zaak betaalt. Dit nog daargelaten dat uit de polisvoorwaarden van klaagster en de verzekeraar volgens de raad niet voortvloeit dat de door de verzekeraar betaalde advocaat zo maar informatie van de verzekerde dient door te sturen naar de verzekeraar. Zelfs uit de overeenkomst tussen verweersters kantoor en de verzekeraar volgt naar het oordeel van de raad niet de verplichting dat de advocaat alle stukken die zij van de cliënt in ontvangst neemt zonder diens toestemming dient door te sturen naar de verzekeraar. In elk geval blijkt uit het dossier niet dat verweerster een dergelijke verplichting aan klaagster kenbaar heeft gemaakt en/of dat klaagster met deze informatieverstrekking zou hebben ingestemd. Van een gerechtvaardigde uitzondering op de geheimhoudingsplicht is de raad ook overigens niet gebleken.

5.9 De door klaagster gemotiveerd betwiste (veronder)stelling dat de verzekeraar reeds beschikte over de vertrouwelijke informatie, ontheft de advocaat niet van zijn plicht om kritisch en terughoudend te zijn in de verstrekking van die vertrouwelijke gegevens. In dit geval is geenszins komen vaststaan dat de verzekeraar hierover reeds de beschikking had of waarom verweerster daarvan uit heeft mogen gaan.

5.10 Het verweer dat de geheimhoudingsplicht niet is geschonden omdat de verzekeraar geen derde is en een eigen geheimhoudingsplicht heeft, slaagt evenmin. Dit reeds omdat een contractuele geheimhoudingsplicht van de verzekeraar niet gelijk is aan de geheimhoudingsplicht van de advocaat. Zo kent de verzekeraar bijvoorbeeld geen zelfstandig wettelijk verschoningsrecht.

5.11 Het klachtonderdeel is derhalve gegrond.

De klacht jegens verweerder (13-380A)

5.12 Bij de beoordeling van de klacht tegen verweerder is van belang dat hij niet als advocaat van klaagster is opgetreden en met haar dus geen advocaat – cliënt relatie had. Daarom zal de raad niet toetsen of het handelen of nalaten van verweerder in strijd is met de zorg die hij als advocaat behoort te betrachten ten opzichte van de cliënt, maar of verweerder door zijn handelwijze het vertrouwen in de advocatuur (in het algemeen) heeft geschaad.

5.13 Verweerder heeft als kantoorgenoot van verweerster de klacht van klaagster jegens verweerster intern in behandeling genomen. Het is de raad niet gebleken dat hij zich daarbij tuchtrechtelijk laakbaar heeft opgesteld. Het verwijt dat verweerder als beleidsbepaler van het kantoor de hiervoor als laakbaar beoordeelde handelingen van verweerster zou hebben gefaciliteerd en goedgekeurd, is te weinig concreet geduid. Het is de verantwoordelijkheid van de behandelend advocaat om met betrekking tot elk concreet stuk met de cliënt af te wegen of dat ter kennis van de verzekeraar wordt gebracht. Het is de raad niet gebleken dat verweerder als kantoorgenoot van verweerster daarbij een dergelijke betrokkenheid heeft gehad dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. De klacht tegen verweerder is ongegrond.

Overweging ten overvloede

5.14 Ten overvloede overweegt de raad dat het voorgaande de aandacht verdient van het hele kantoor van verweerders. Volgens het kantoor wordt aan de rechtsbijstandsverzekerden tegenwoordig schriftelijk meegedeeld dat alle processtukken, (proces)adviezen en andere van belang zijnde stukken aan de verzekeraar moeten en zullen worden gezonden. Deze mededeling laat naar het oordeel van de raad echter onverlet dat de advocaten in beginsel steeds, dus met betrekking tot elk concreet stuk of mondelinge informatie, toestemming moeten hebben van de cliënt om dat stuk of die informatie ter kennis te brengen van de verzekeraar, terwijl de cliënt ten opzichte van de advocaat, uitzonderingen daargelaten, aanspraak kan maken op voornoemd beginsel van de geheimhoudingsplicht.

 

6 MAATREGEL

6.1 De raad rekent het verweerster aan dat zij in de verhouding tussen het kantoor, de verzekeraar en de cliënt onvoldoende oog heeft gehad - en naar wordt gevreesd heeft - voor de belangen van klaagster. Het onvoldoende in acht nemen van de zorg voor de cliënt, zoals blijkt uit zowel de communicatie met klaagster als de omgang met vertrouwelijke informatie, merkt de raad als een ernstig tuchtrechtelijk verwijt aan. In aanmerking nemende het ontbreken van antecedenten is de maatregel van een waarschuwing passend en geboden.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart de klacht jegens verweerster in al haar onderdelen gegrond;

- legt aan verweerster de maatregel van een enkele waarschuwing op;

- verklaart de klacht jegens verweerder ongegrond.

Aldus gewezen door mr. Q.R.M. Falger, voorzitter, mrs. E.C. Gelok, B. Roodveldt, B.J. Sol en M. Ynzonides, leden, bijgestaan door mr. J.G. Geertsma als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 19 augustus 2014.

griffier voorzitter

 

Deze beslissing is in afschrift op 19 augustus 2014 per aangetekende brief verzonden aan:

- klaagster

- verweerster

- verweerder

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.

Van deze beslissing kan hoger beroep bij het Hof van Discipline worden ingesteld door:

- klaagster in de zaak 13-380A

- verweerster

- verweerder

- de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam in de zaak 13-380A

- de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten

Het hoger beroep moet binnen een termijn van 30 dagen na verzending van de beslissing worden ingesteld door middel van indiening van een beroepschrift, waarin de gronden van het beroep zijn vermeld en van een motivering zijn voorzien. Het beroepschrift moet in zevenvoud worden ingediend tezamen met zes afschriften van de beslissing waarvan beroep.

De eerste dag van de termijn van 30 dagen is de dag volgend op de dag van de verzending van de beslissing. Uiterlijk op de dertigste dag van die termijn moet het beroepschrift dus in het bezit zijn van de griffie van het Hof van Discipline. Verlenging van de termijn van 30 dagen is niet mogelijk.

Het beroepschrift kan op de volgende wijzen worden ingediend bij het Hof van Discipline:

a.  Per post

Het postadres van de griffie van het Hof van Discipline is:

Postbus 9679, 4801 LT Breda

b. Bezorging

De griffie is gevestigd aan het adres Thorbeckeplein 8, 4812 LS Breda.

Indien u bij de griffie van het Hof van Discipline een stuk wenst af te geven en daarvoor een ontvangstbewijs wenst te ontvangen, dient u tijdig contact op te nemen teneinde er zeker van te zijn dat het stuk onder verkrijging van de ontvangstbevestiging kan worden afgegeven.

c.  Per fax

Het faxnummer van het Hof van Discipline is 076 - 548 4608. Tegelijkertijd met de indiening per fax dient het beroepschrift tezamen met de beslissing waarvan beroep in het vereiste aantal per post te worden toegezonden aan de griffie van het hof.

Nadere informatie over hoger beroep en over (de griffie van) het hof

076 - 548 4607 of griffie@griffiehvd.nl

Praktische informatie vindt u op www.hofvandiscipline.nl

Meer informatie

Acties

Meta gegevens