Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRSGR:2019:199 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2019-127

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2019:199
Datum uitspraak: 19-11-2019
Datum publicatie: 19-11-2019
Zaaknummer(s): 2019-127
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Gegronde klacht tegen een arts. De arts heeft klager gekeurd in het kader van een aanvraag WMO-voorziening. De arts heeft door met de praktijk van de behandelend huisarts van klager te bellen en te vragen naar aanvullende medische informatie, zonder medische machtiging van klager, het beroepsgeheim in twee opzichten geschonden. Enerzijds door informatie over klager te delen met de assistente, anderzijds door de assistente ertoe te brengen het beroepsgeheim van de huisarts te schenden. Ook had de arts meer informatie op mogen vragen voor het opstellen van het advies. Hierdoor voldoet het rapport niet aan de eisen. Klacht gegrond, berisping.  

Datum uitspraak: 19 november 2019

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klager,

gemachtigde: mr R.A.M. Koolen, werkzaam te Amsterdam,

tegen:

C , arts,

werkzaam te D,

beklaagde.

1.                  Het verloop van de procedure

1.1              Het verloop van de procedure blijkt uit:

-          het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 25 april 2019;

-          het verweerschrift;

-          de brief van beklaagde, gedateerd 23 augustus 2019, ontvangen op 26 augustus 2019.

1.2              De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2019. De partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klager werd bijgestaan door zijn gemachtigde.

2.                  De feiten

2.1              In 2015 is aan klager in het kader van de WMO een driewielfiets met hulpmotor toegekend.

2.2              Op 2 maart 2018 heeft beklaagde namens het E klager gekeurd in het kader van een aanvraag WMO-voorziening, te weten een zadel met rugleuning en een verlengd stuur voor de driewielfiets.

Klager vroeg deze voorziening omdat hij met de driewielfiets driemaal ten val was gekomen, eenmaal met ernstig letsel tot gevolg.

2.3              Beklaagde heeft op 8 maart 2018 namens het E advies  uitgebracht aan de gemeente B. Het advies houdt onder meer het volgende in:

‘De gemeente verzoekt het E antwoord te geven op de onderstaande vragen:

-          Wat zijn de beperkingen die voortkomen uit medische en/of psychosociale problematiek?

-          Hebben deze beperkingen een duurzaam karakter (langer dan 6 maanden)?

-          Welke problemen ondervindt de cliënt op het gebied van zelfredzaamheid en participatie?

-          Welke externe factoren zijn van invloed op het normale dagelijks functioneren?

-          Is er vanuit medisch oogpunt een indicatie voor de gevraagde voorziening?

-          Wat is het te bereiken resultaat?

-          Zo ja, wat is de goedkoopst adequate oplossingsrichting?

 …

Onderzoeksactiviteiten

Het onderzoek werd verricht door C, arts Indicatie en Advies

De beperkingen van cliënt zijn vastgesteld middels: anamnese, observatie, oriënterend psychiatrisch onderzoek, lichamelijk onderzoek en overleg met de huisarts, d.d. 02-03-2018 (zie onder). Er is geen aanvullende medische informatie opgevraagd, omdat met de anamnese, observatie, oriënterend psychiatrisch onderzoek, lichamelijk onderzoek en telefonisch overleg met de huisarts voldoende informatie was verzameld om stoornissen en beperkingen vast te stellen.

SOORT ONDERZOEK

Spreekuur:

De cliënt is op spreekuur geweest op 02-03-2018. Hierbij cliënt was alleen aanwezig.

Interne factoren

Ziektebeeld                  Het ziektebeeld heeft betrekking op:

                              -ziekten van botspierstelsel en bindweefsel

Ziektebiografie            Cliënt presenteert knieklachten links. In 1999 heeft hij een kijkoperatie

                                     gehad, doch postoperatief is hij knieklachten blijven behouden. Hij

                                     heeft dagelijks kniepijn en doortrekkend naar zijn linkerheup. Cliënt

                                     geeft aan 150 m te kunnen lopen. Nu gaat hij wel terug met het OV naar

                                     huis, hij is gekomen met het toegekende AOV.

Beenfunctie                 Er zijn geen specifieke beenfunctiestoornissen.

Mobiliteit

Staan                           De cliënt heeft beperkingen met staan.

                                    -kan beperkt op het linkerbeen staan

Lopen                          De cliënt heeft beperkingen met lopen.

                                    De cliënt kan buitenshuis beperkt lopen: >800 meter in medisch

                                     objectief opzicht

Beperkingen en belemmeringen op specifieke leefgebieden

Cliënt ervaart overwegend knieklachten links. Er heeft overleg plaatsgevonden met de huisarts, F, d.d. 02-03-2018, waarbij aangegeven is dat er geen uitslag is van aanvullend medisch onderzoek van de linkerknie. Cliënt staat ook sedert 2003 ingeschreven bij de huisarts, terwijl een kniefoto hiervoor gemaakt was. Het is dus niet zinvol om aanvullende medische informatie op te vragen, enerzijds zijn de uitslagen nu langer dan 10 jaar geleden en anderzijds heeft de huisarts de uitslagen niet.

Wel heeft hij de linker heupklachten gepresenteerd aan de huisarts, waarbij er geen verdere actie is ondernomen. Bij onderzoek blijkt dat zowel de linkerknie, als de linkerheup, soepel beweeglijk zijn en de kracht van het linkerbeen is verder niet gestoord of beperkt. Er is verder geen sprake van zwelling of roodheid van de linkerknie. Aanwijzingen voor duizeligheid of evenwichtsproblemen zijn er niet.

Mobiliteit

Cliënt kan beperkt lopen, staan, tillen, sjouwen, duwen, trekken, knielen, kruipen, hurken etc. De aangegeven fysieke beperkingen zijn niet in consistentie met de geringe onderzoeksbevindingen en met het dagelijks functioneren. Zo gaat cliënt terug met OV naar huis, terwijl hij aangeeft niet langer dan 150 m te kunnen lopen.

Advies en motivering

In medisch objectieve zin moet cliënt adequaat gebruik maken van een tweewielfiets en dan met electrische ondersteuning om krachtinspanning te vermijden tijdens het rijden over lange afstanden, vanwege knieklachten links. Eventueel kan er gebruik gemaakt worden van een fiets met lage zitting om te kunnen afzetten met de beide benen tijdens het stoppen. Een dergelijke fiets is algemeen gebruikelijk. Er is hierdoor geen indicatie voor een voorziening binnen het kader van de WMO. Op uw gerichte vraagstelling of er een indicatie bestaat voor een scootmobiel kan deze ontkennend worden beantwoord.’

2.4              Aan de hand van het door beklaagde uitgebrachte advies is de WMO-voorziening op

21 maart 2018 geweigerd en is ook niet langer een indicatie aanwezig geacht voor de driewielfiets met hulpmotor. Het besluit van de gemeente B houdt onder meer het volgende in:

U komt niet in aanmerking voor een individuele vervoersvoorziening, zoals een driewielfiets of scootmobiel. Dit besluit is gebaseerd op het advies van het E van 8 maart 2018. Wij nemen dat advies over.

Waarom dit besluit?

Het E vindt dat u gebruik kunt maken van een algemeen gebruikelijk middel, namelijk een tweewielfiets (met lage instap) en eventueel met hulpmotor.

Het E komt tot deze conclusie na:

-          het spreekuur van 2 maart 2018

-          de informatie van uw huisarts van 2 maart 2018

-          anamnese, observatie, oriënterend psychiatrisch onderzoek, lichamelijk onderzoek door een arts van het IAB

De door u aangegeven klachten en beperkingen blijken niet onderbouwd te kunnen worden door recente medische gegevens. Ook uit de anamnese, observatie en oriënterend psychiatrisch en lichamelijk onderzoek, verricht door een arts van het IAB, zijn geen dusdanige beperkingen gebleken, die een individuele Wmo-voorziening noodzakelijk maken.

In medisch objectieve zin moet u adequaat gebruik kunnen maken van een tweewielfiets en dan met elektrische ondersteuning om krachtinspanning te vermijden tijdens het rijden over lange afstanden, vanwege knieklachten links. Eventueel kan er gebruik gemaakt worden van een fiets met lage zitting om te kunnen afzetten met de beide benen tijdens het stoppen. Een dergelijke fiets is algemeen gebruikelijk. Er is hierdoor geen indicatie voor een voorziening binnen het kader van de WMO.

3.                  De klacht

De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt:

a.              Beklaagde heeft zijn beroepsgeheim geschonden en heeft de huisarts van klager diens

beroepsgeheim doen schenden door medische informatie over klager te delen met de assistente van klagers huisarts en haar ertoe te brengen het medisch beroepsgeheim van klagers huisarts te schenden door haar te verzoeken medische informatie over klager te verstrekken.

b.             Beklaagde heeft bewust een onjuiste verklaring danwel onjuiste rapportage afgegeven.

Hij heeft immers in strijd met de waarheid opgenomen in de rapportage aan de gemeente opgenomen dat hij overleg heeft gevoerd met klagers huisarts. Ook het verwijt vanwege de inconsistentie, dat klager met het openbaar vervoer naar huis zou gaan na het spreekuur, terwijl hij aangeeft niet langer dan 150 meter te kunnen lopen, is ten onrechte gemaakt.

c.              Het onderzoek door beklaagde naar de relevante medische gegevens was onzorgvuldig.

Het gegeven dat nog in 2015 een driewielfiets was toegekend had in combinatie met de van klager verkregen informatie beklaagde aanleiding moeten geven om nader onderzoek te doen.

4.                  Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.                  De beoordeling

5.1              Het College stelt voorop dat beklaagde door het uitbrengen van het medisch advies van 8 maart 2018 een medisch oordeel heeft gegeven over de gezondheidstoestand van klager. Aldus is sprake van voldoende weerslag op het belang van de individuele gezondheidszorg en dient het handelen van beklaagde te worden getoetst aan de volgende criteria:

-          Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

-          Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

-          In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

-          Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

-          De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Daarbij dient het onderzoek door beklaagde uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek te kunnen doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of beklaagde in redelijkheid tot zijn conclusie is kunnen komen.

5.2       Op grond van het onderzoek ter zitting is gebleken dat beklaagde niet bekend was met een schriftelijke machtiging van klager om medische informatie op te mogen vragen. Niettegenstaande het ontbreken van een dergelijke machtiging heeft beklaagde naar de praktijk van de behandelend huisarts van beklaagde gebeld en diens assistente gevraagd of er aanvullende medische informatie over klager beschikbaar was, in het bijzonder een foto van de knie links.

Daarmee is volgens het College sprake van schending van het beroepsgeheim in twee

opzichten: door medische informatie over klager te delen met de assistente van klagers huisarts en door de assistente van klagers huisarts ertoe te brengen het beroepsgeheim van de huisarts te schenden. Klachtonderdeel a is daarmee gegrond.

5.3       Tevens oordeelt het College daarmee dat beklaagde in strijd met de waarheid in de rapportage aan de gemeente heeft opgenomen dat hij overleg had gevoerd met klagers huisarts. Hiermee is ook klachtonderdeel b gegrond.

5.4       Beklaagde heeft ter zitting verklaard dat hij niet beschikte over de indicatiestelling uit 2015 voor de driewielfiets. Het College stelt vast dat beklaagde weliswaar onderzoek heeft gedaan naar de linker knie, maar geen nader onderzoek heeft gedaan naar de aanleiding voor het in 2015 aan klager toekennen van de driewielfiets. Ook heeft beklaagde geen gerichte anamnese opgenomen van of onderzoek gedaan naar het meermalen vallen. Het had op beklaagdes weg gelegen om bij de huisarts meer informatie op te vragen, met name ten aanzien van het herhaalde vallen/balansproblemen in combinatie met de reden waarom klager in het verleden voor een driewielfiets was geïndiceerd. Door het opvragen van deze informatie achterwege te laten is klager tekortgeschoten in het onderzoek.

5.5         In het licht van het voorgaande kan niet worden gezegd dat het onderzoek uit het

oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Dit geldt zowel voor de schending van het beroepsgeheim als voor het verwerken van onjuiste gegevens in het advies en ook voor het onvoldoende verrichten van onderzoek. Daarmee kan niet worden gezegd dat in het rapport op inzichtelijke en consistente wijze is uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen. 

5.6         De conclusie is dat beklaagde in verschillende opzichten heeft gehandeld in strijd met

het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder b, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG).

De klacht is dan ook in al zijn onderdelen gegrond.

5.7         Naar het oordeel van het College past bij de verschillende tuchtrechtelijke verwijten

een berisping.

6.         De beslissing

Het College:

verklaart de klacht gegrond;

-           legt op de maatregel van berisping.

Deze beslissing is gegeven door Y. Wijnnobel- van Erp, voorzitter, M.W. Koek, lid-jurist, M.Keus, J.G.M. van Eekelen, B. van Ek, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R.C. Kruit, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 19 november 2019.

voorzitter                                                                                           secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.       Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.      Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.       Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.