Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRSGR:2018:31 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-253

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:31
Datum uitspraak: 20-03-2018
Datum publicatie: 20-03-2018
Zaaknummer(s): 2017-253
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Door het benoemen van medische informatie in de rapportage naar de werkgever kan de bedrijfsarts een bepaalde mate van onzorgvuldigheid worden verweten, maar gelet op de omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De term ‘mental cause’ is weinig concreet, er was al correspondentie tussen klaagster en de werkgever in het dossier waaruit de werkgever kon afleiden dat een geheel lichamelijke oorzaak van het verzuim niet logisch was. De gebruikte term kan als een incident worden beschouwd. Discriminatie is niet vast komen te staan. Klacht afgewezen.

Datum uitspraak: 20 maart 2018

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klaagster,

tegen:

C, bedrijfs arts,

werkzaam te D,

verweerster,

gemachtigde: mr. A.C. Zentveld, jurist bij Zorg van de Zaak Netwerk.

1.         Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het  klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 25 oktober 2017;

- het verweerschrift met bijlagen.

1.2       De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 6 februari 2018. Verweerster was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Klaagster was met kennisgeving afwezig.

2.         De feiten

2.1.      Klaagster is werkzaam bij de ambassade van de E. In verband met een ziekmelding heeft zij in de periode maart 2017 tot en met oktober 2017 contact gehad met verweerster, die als bedrijfsarts voor de ambassade werkzaam is.

2.2.      Na een consult op 10 oktober 2017 heeft verweerster in haar rapportage aan de werkgever (de ambassade) geschreven “A has several health complaints, as written before. These complaints have a mental cause”.

2.3.      Tijdens de consulten heeft verweerster klaagster geïnformeerd over haar verplichtingen ingevolge de Wet Verbetering Poortwachter. In dat verband is ter sprake gekomen dat bij langdurige ziekte er een keuring in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) plaats zou kunnen vinden. In dat kader heeft verweerster de functie “vouwen van loempiavellen” genoemd als voorbeeld van werkzaamheden waarvoor klaagster geschikt zou kunnen worden geacht.

3.         De klacht

Klaagster verwijt verweerster, zakelijk weergegeven,

-          dat zij haar medisch beroepsgeheim heeft geschonden door de werkgever van klaagster te informeren over een “mental cause” als oorzaak van haar klachten;

-          dat zij onprofessioneel heeft gehandeld door klaagster op te jagen met informatie over haar verplichtingen inzake de WIA, waarbij de functie “vouwen van loempiavellen” door klaagster, die een gedeeltelijk Indonesische afkomst heeft, als discriminerend is ervaren;

-          dat verweerster klaagster emotionele en immateriële schade heeft berokkend door haar naam in diskrediet te brengen bij haar werkgever, wat haar carrièrekansen negatief heeft beïnvloed.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1.      Zoals verweerster ook in  haar verweerschrift en ter zitting heeft toegegeven, had het gebruik van de term “mental cause” in de communicatie met de werkgever achterwege gelaten moeten worden. Een bedrijfsarts mag dergelijke medische informatie niet met de werkgever delen. Verweerster heeft ter zitting toegelicht dat de gesprekken tussen haar en klaagster in het Nederlands verlopen, maar dat de communicatie met de werkgever in het Engels gaat. Bij het maken van de daarvoor benodigde vertaalslag heeft zij onjuiste bewoordingen gekozen.

5.2.      Het college stelt vast dat verweerster ter zake haar rapportage aan de werkgever weliswaar een bepaalde mate van onzorgvuldigheid kan worden verweten, maar dat er gelet op de omstandigheden van het geval geen reden is dit te kwalificeren als tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Het college neemt hierbij in ogenschouw dat de noodzakelijke vertaling naar het Engels een complicerende factor is geweest en dat de gebruikte term “mental cause” weinig concreet is, zodat de schending van het beroepsgeheim zeer beperkt is gebleven. In dit verband is ook van belang zich in het dossier correspondentie tussen klaagster en werkgever bevindt, waaruit de werkgever af heeft kunnen leiden dat een geheel lichamelijke oorzaak voor het verzuim minder voor de hand liggend was. Daarnaast is van belang dat de werkgever aan het begin van de ziekteperiode verweerster ook heeft verzocht een gepland consult te vervroegen vanwege indicaties die men meende te hebben over de toestand van klaagster. Tot slot weegt het college mee dat uit het dossier blijkt dat verweerster overigens zorgvuldig met de belangen van klaagster is omgegaan. De gebruikte term in de rapportage op 10 oktober 2017 kan als een op zichzelf staand incident worden beschouwd. Nu verweerster bovendien blijk heeft gegeven inzicht te hebben in haar fout kan het opleggen van een maatregel achterwege blijven.

5.3.      Ter zake het tweede klachtonderdeel heeft verweerster verklaard dat zij met klaagster de gebruikelijke informatie over haar verplichtingen inzake de WIA heeft besproken. Verweerster heeft verder toegelicht dat zij vreesde dat de opstelling van klaagster (onder andere het afzeggen van consulten en het onvolledig verstrekken van informatie) negatieve consequenties voor klaagster met zich kon brengen. Om die reden heeft zij klaagster met meer nadruk op die mogelijkheid gewezen. De functie “vouwen van loempiavellen” is een van de gestandaardiseerde functies waarmee binnen het kader van de WIA iemands resterende verdiencapaciteit wordt weergegeven en is om die reden door haar genoemd. Zij heeft op geen enkele wijze de intentie gehad om klaagster te discrimineren.

5.4.      Gelet op de door verweerster gegeven toelichting is het college van oordeel dat geen sprake is van handelen in strijd met de daarvoor geldende normen. Niet gebleken is dat verweerster te sterke bewoordingen heeft gebruikt of anderszins druk op klaagster heeft gelegd. Het is juist dat “vouwen van loempiavellen” een gestandaardiseerde functie is binnen het domein van de WIA. Het College kan niet afdoen aan de gevoelens van klaagster over het noemen van deze functie door verweerster, maar acht het niet aannemelijk dat verweerster met opzet juist deze functie heeft genoemd om klaagster te discrimineren. Het tweede klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.

5.5.      Ter zake het derde klachtonderdeel heeft klaagster geen concrete gedragingen van verweerster genoemd, anders dan hetgeen bij het eerste klachtonderdeel al aan de orde is gekomen. Het klachtonderdeel kan daarom niet gegrond worden verklaard.

5.6.      Uit het voorgaande vloeit voort dat de klacht ongegrond wordt geacht. Verweerster heeft niet in strijd gehandeld met de zorg die zij behoorde te betrachten zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

6.         De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven door mr. N.B. Verkleij, voorzitter, mr. E.P. de Beij, lid-jurist,

dr. J.W. van ’t Wout, dr. B. van Ek en R.P. van Straaten, leden-beroepsgenoten, en

bijgestaan door mr. J.W. Rouwendal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op

20 maart 2018.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij

            niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de

            volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde

            belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.