ECLI:NL:TGZRSGR:2018:137 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-076
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2018:137 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-08-2018 |
| Datum publicatie: | 21-08-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2018-076 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. De bedrijfsarts is, ervan uitgaande dat onvoldoende is gebleken dat hij toestemming had om het medische dossier van klaagster op te vragen en in zijn advies te betrekken, op zorgvuldige wijze tot zijn advies gekomen. Het advies is in lijn met de informatie die klaagster volgens de aantekeningen van verweerder aan hem heeft verstrekt. De administratie van de werkgever zorgt voor verdere verzending van rapportages, deze gang van zaken acht het College plausibel. Niet gebleken dat de bedrijfsarts niet onafhankelijk is. Klacht afgewezen. |
Datum uitspraak: 21 augustus 2018
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
wonende te B,
klaagster,
tegen:
C , bedrijfsarts,
destijds werkzaam te D ,
verweerder.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 6 april 2018;
- het verweerschrift met bijlagen;
- een aanvulling op het verweerschrift;
- de repliek met bijlagen.
De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 10 juli 2018. De partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
2.
De feiten
2.1
Klaagster, geboren op […] 1979, is sinds […] 2006 als supportmedewerkster werkzaam
bij stichting E (hierna: de werkgever). Op […] 2015 is klaagster uitgevallen voor
haar werk.
2.2
Op 14 september 2017 zijn de re-integratie inspanningen van de werkgever als onvoldoende
beoordeeld door het UWV en is de werkgever verplicht klaagster langer loon door te
betalen.
2.3
Sinds 1 januari 2018 is verweerder werkzaam als één van de nieuwe bedrijfsartsen van
de werkgever.
2.4
Aangezien de werkgever niet voldoende heeft meegewerkt aan het herplaatsen van klaagster,
heeft klaagster een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. Op 22 februari 2018
heeft de arbeidsdeskundige geoordeeld dat de vacante functie bij de werkgever die
klaagster zou willen vervullen passend is voor haar. Per diezelfde datum heeft de
arbeidsdeskundige geconcludeerd dat de werkgever de tekortkomingen in de re-integratie-inspanningen
nog niet heeft hersteld en dat de werkgever derhalve loon aan klaagster moet blijven
doorbetalen.
2.5 Op 23 februari 2018 is klaagster voor de eerste maal bij verweerder op het spreekuur geweest. Op dat moment had klaagster nog geen machtiging voor de overdracht van haar medische gegevens getekend, zodat verweerder geen inzage had gehad in haar medisch dossier. De aantekeningen in het medisch dossier van dit consult – kennelijk per vergissing gedateerd op 22 februari 2018 – luiden als volgt:
“W/Support mwr; 21 uur
Geeft geen toestemming voor het opvragen van het arbo unie dossier.
S/ Uitgevallen met surmenage tgv privé omstandigheden en angstklachten […].
In de loop van de ziekte ook maagklachten met fors afvallen en fysieke beperkingen.
Langdurig obv psi voor de hartstoornis angst.
Huidige: geen lichamelijke beperkingen meer.
Psychisch: ook beter; nog 1 x 3 a 4 weken psi.
Heeft op allerlei vacatures gesolliciteerd binnen E: altijd afgewezen.
Kort geleden nog op de vacature voor salarismw.
Wgr had bij UWV bekortingsverzoek ingediend. Wnr heeft bij UVW DO tegen deze afwijzing ingesteld. en is door het UWV in het gelijk gesteld.
O/ Cognitief goed; geen cognitieve beperkingen te duiden.
E/ Op wellicht een beperking voor werken met agressieve cliënten (gezien de angst problematiek) geen beperkingen meer
P/ Omdat er geen lichamelijke beperkingen meer zijn en het ook weer psychisch goed gaat: reintegratie in een aangepaste zorgfunctie in principe weer mogelijk. Nieuw AD onderzoek?”
Verweerder heeft zijn uit te brengen advies niet tijdens het consult aan klaagster meegedeeld.
2.6
Op 5 maart 2018 heeft klaagster een gesprek gehad met haar werkgever over haar re-integratie.
Tijdens dit gesprek is aangestipt dat klaagster op 23 februari 2018 bij verweerder
op spreekuur is geweest en dat er eind maart een nieuwe afspraak bij de bedrijfsarts
zou worden gemaakt. Ook is gesproken over het deskundigenoordeel van het UWV en vacatures
bij de werkgever.
2.7
Naar aanleiding van de rapportages van 14 september 2017 en 22 februari 2018 heeft
de advocaat van klaagster op 8 maart 2018 een brief naar de werkgever gestuurd om
een herplaatsing van klaagster op de loonadministratie te bewerkstelligen.
2.8 Op 13 maart 2018 heeft klaagster een mail ontvangen van personeelszaken met daarin de consultrapportage van verweerder. Voor zover hier van belang vermeldt het rapport:
“Beperkingen
In principe heeft mevrouw geen beperkingen meer. Wellicht is, gezien de problematiek waarmee zij te kampen heeft gehad, het werken met potentieel agressieve cliënten nog af te raden.
Advies
Mevrouw is geschikt voor haar eigen werk als support medewerkster op een locatie waar
de kans op agressie van bewoners gering is.”
2.9 Op 13 april 2018 is klaagster wederom op consult geweest bij verweerder. De aantekeningen van verweerder in het medisch dossier van dit consult vermelden het volgende:
“S/ Is het absoluut niet eens met mijn beoordeling van de vorige keer.
Opnieuw de vraag wat zijn de aandoeningen en beperkingen:
- Straatvrees
- Alleen op een woning werken
- Hypochondrie
- Lichamelijke zwakte en hierdoor niet in staat zware werkzaamheden te verrichten
- Angst voor hartklachten
- Vertigo
Gewicht van 63 naar 47 en nu op 53.
Lichamelijke klachten geduid als psycho somatiek
Nog 1x 4w bij psi F, mw G; CGT
Geen medicatie> Durft deze ook niet te nemen vanwege haar hypochondrie
P/ Gegevens opvragen bij de psi en dossier opvragen bij Arbounie”.
3.
De klacht
Klaagster verwijt verweerder zakelijk weergegeven dat verweerder:
1. onzorgvuldig heeft gehandeld door te adviseren dat klaagster terug kon keren naar eigen werk, waardoor klaagster schade aan haar gezondheid zou kunnen oplopen;
2. niet als een onafhankelijk bedrijfsarts en niet volgens de beroepsregels heeft gehandeld, nu zijn advies pas lijkt te zijn opgesteld na de brief van de advocaat van klaagster aan de werkgever van 8 maart 2018.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.
Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Ter beoordeling staat of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2 Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel gaat het College er op grond van de aantekeningen in het medisch dossier van verweerder vanuit dat hij met klaagster heeft gesproken over toestemming om kennis te nemen van haar medische dossier en dat verweerder in ieder geval heeft begrepen dat klaagster die toestemming op dat moment niet wilde geven. Het College kan in ieder geval niet vaststellen dat klaagster op dat moment wel die toestemming heeft gegeven, nu de lezingen van partijen daarover uiteenlopen.
Vervolgens heeft verweerder een anamnese afgenomen.
Hij heeft tot verweer tegen de klacht aangevoerd dat hij meende dat hij, op grond van hetgeen tijdens het spreekuur ter sprake was geweest, voldoende gegevens verzameld had om tot een advies te komen. De reden waarom hij dit advies niet tijdens het spreekuur met klaagster heeft besproken, is volgens verweerder dat hij, gezien het conflict tussen klaagster en de werkgever, zichzelf de vraag heeft gesteld of hij in dit geval wel een advies kon uitbrengen. ’s Avonds is verweerder tot de slotsom gekomen dat hij kon adviseren over de mogelijkheden en de beperkingen van klaagster, aldus verweerder.
Het College is – ervan uitgaande dat onvoldoende is gebleken dat verweerder toestemming had om het medische dossier van klaagster op te vragen en in zijn advies te betrekken – van oordeel dat verweerder op voldoende zorgvuldige wijze tot zijn advies is gekomen. Het advies is in lijn met de informatie die klaagster volgens de aantekeningen van verweerder aan hem heeft verstrekt. De stelling van klaagster dat zij door dit advies schade aan haar gezondheid zou kunnen oplopen, acht het College niet aannemelijk. Verweerder heeft in zijn consultrapport ten aanzien van de beperkingen vermeld dat het werken met potentieel agressieve cliënten wellicht nog af te raden is. Klinkt dit nog wat weifelend, in zijn advies heeft hij duidelijk een voorwaarde gesteld aan de locatie waar klaagster haar werkzaamheden zou uitvoeren, te weten een locatie waar de kans op agressie van bewoners gering zou zijn.
Dit klachtonderdeel zal derhalve als ongegrond worden afgewezen.
Het College merkt nog op dat het er vanuit gaat dat verweerder in zijn verweerschrift abusievelijk heeft vermeld dat er op 23 februari 2018 al sprake was van inmenging van raadslieden, nu is gebleken dat die pas later in beeld zijn gekomen. Uit hetgeen klaagster verweerder blijkens zijn aantekeningen op 23 februari 2018 heeft verteld, blijkt echter voldoende dat toen reeds sprake was van een conflict tussen klaagster en haar werkgever.
5.3 Het tweede klachtonderdeel houdt in dat verweerder zich niet als een onafhankelijk arts en niet volgens de beroepsregels heeft opgesteld. Het College begrijpt dat klaagster hiermee bedoelt dat zij het vermoeden heeft dat verweerder zijn rapportage heeft opgesteld nadat haar raadsman op 8 maart 2018 een brief heeft verstuurd naar de werkgever. Zij komt tot dit vermoeden omdat zij op 5 maart 2018 een gesprek had met de werkgever en dat toen het rapport niet ter sprake is geweest en zij het niet eerder heeft ontvangen dan op 13 maart 2018.
Verweerder heeft ter zitting toegelicht hoe het versturen van rapporten in zijn werk gaat. Verweerder werkt voor zijn inzet als bedrijfsarts samen met een bedrijf, H. Hij dient binnen 48 uur zijn consultrapport in een door H gehanteerd geautomatiseerd systeem in te voeren. Vervolgens zorgt H via de administratie van de werkgever voor verdere verzending naar werkgever en werknemer. Dit is de vaste werkwijze. In het geval van klaagster is daar kennelijk helaas iets mis gegaan, aldus verweerder. Zoals hiervoor vermeld, heeft hij verklaard dat hij in de avond van 23 februari 2018 tot zijn advies is gekomen. Verweerder stelt dat het praktisch niet doenlijk is om te controleren of de administratie zorgdraagt voor een juiste doorzending van de stukken.
Het College is van oordeel dat de door verweerder geschetste gang van zaken plausibel is en dat daaruit voortvloeit dat er geen aanleiding is om te twijfelen dat verweerder niet onafhankelijk en op de hand van de werkgever van klaagster zou zijn. Uit het tweede consult op 13 april 2018 valt ook te lezen dat verweerder, nu klaagster in ieder geval alsnog toestemming heeft gegeven haar medische gegevens op te vragen, voornemens is een nieuw advies uit te brengen op basis van alle beschikbare gegevens.
Ook overigens is het College niet gebleken van feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat verweerder zijn werkzaamheden niet onafhankelijk heeft verricht.
Ook dit klachtonderdeel kan dus niet slagen.
5.3 De conclusie is dat verweerder met betrekking tot de klacht geen verwijt
zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht zal dan ook als ongegrond worden afgewezen.
5.4 Ten overvloede overweegt het College echter nog het volgende.
De indruk bij klaagster dat verweerder zijn rapport en advies op basis van het consult van 23 februari 2018 pas na de brief van de advocaat van klaagster van 8 maart 2018 heeft opgesteld, heeft mede kunnen ontstaan door het feit dat verweerder zijn advies noch tijdens het consult, noch nadien zelf aan klaagster heeft meegedeeld. Uit de Leidraad Bedrijfsarts en Privacy (blz. 21) volgt dat het advies van de bedrijfsarts met de werknemer besproken dient te worden alvorens hij dit doorgeeft aan de werkgever.
Daarnaast heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg bepaald dat advisering van de bedrijfsarts op grond van een verzuimconsult schriftelijk, gelijkluidend en gelijktijdig dient te geschieden aan werkgever en werknemer ( ECLI:NL:TGZCTG:2013:46 en ECLI:NL:TGZCTG:2018:179). Voor zover het College de werkwijze van verweerder goed heeft begrepen maakt hij als bedrijfsarts gebruik van de diensten van H. Dit brengt met zich mee dat hij zich ervan dient te vergewissen dat de werkwijze van H voldoende waarborgt dat aan de verplichtingen van verweerder als bedrijfsarts wordt voldaan. Ofschoon het College de verklaring van verweerder als afdoende beschouwt, acht het College het wel van belang dat verweerder hier in de toekomst extra aandacht aan geeft.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven door N.B. Verkleij, voorzitter, E.B. Schaafsma-van Campen,
lid-jurist, M. van Heugten-Hoogendoorn, B. van Ek en R.P. van Straaten, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Braspenning-Groeneveld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2018.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te
Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.