Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZREIN:2019:74 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 19136

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2019:74
Datum uitspraak: 11-12-2019
Datum publicatie: 11-12-2019
Zaaknummer(s): 19136
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Gynaecoloog wordt op grond van artikel 7:456 BW jo. artikel 7:464 lid 1 BW verweten dat hij klaagster geen inzage heeft gegeven in zijn medisch advies aan zijn opdrachtgever de verzekeraar in het kader van een aansprakelijkheidsstelling. Geen behandelrelatie. Ontvankelijk onder de tweede tuchtnorm. Intern medisch advies zag op de vraag of lege artis was gehandeld. De aard van de rechtsbetrekking verzet zich tegen toepasselijkheid van artikel 7:456 BW. Iedere partij heeft een eigen recht om haar verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te bereiden. Aan dat recht zou afbreuk worden gedaan als er een verplichting zou bestaan tot het verlenen van inzage in onder meer medische adviezen. Kennelijk ongegrond.

                                                    Uitspraak: 11 december 2019

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op  27 juni 2019 binnengekomen klacht van:

[A]

wonende te [B]

klaagster

gemachtigde: mr. A. Benamar te Utrecht

tegen:

[C]

gynaecoloog

destijds werkzaam te [D]

verweerder

gemachtigde: mr. S. Slabbers te Utrecht

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-          het klaagschrift;

-          het verweerschrift;

-          het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek.

Klaagster en haar gemachtigde hebben gebruik gemaakt van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 21 oktober 2019. Verweerder en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.

Het college heeft met toepassing van artikel 67a wet BIG bepaald dat in raadkamer een eindbeslissing zal worden gegeven.

De zaak is op 11 november 2019 in raadkamer behandeld.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klaagster heeft een ziekenhuis en een betrokken behandelaar aansprakelijk gesteld, omdat zij meent dat een medische fout is gemaakt. In het kader van die aansprakelijkstelling heeft de verzekeraar van het ziekenhuis (hierna: de verzekeraar) verweerder, destijds gynaecoloog in een ander ziekenhuis en daarnaast medisch adviseur, verzocht aan de verzekeraar een medisch advies uit te brengen over de vraag of er lege artis is gehandeld. Verweerder heeft op basis van het medisch dossier een advies uitgebracht aan de verzekeraar.

De advocaat van klaagster heeft de verzekeraar verzocht om een kopie van het door verweerder opgestelde medisch advies. De verzekeraar heeft dat geweigerd. De advocaat van de verzekeraar schreef daarover per e-mail van 2 april 2019 aan de advocaat van klaagster:

“Ik ben inderdaad in het onderzoek naar de aansprakelijkheid medisch voorgelicht door [naam verweerder]. Zijn advies is echter niet beschikbaar voor extern gebruik en ik zal u dan ook geen inzage verlenen. Het is beleid van onze maatschappij geen inzage te verschaffen in medische adviezen/voorlichting die in het kader van de beoordeling van de aansprakelijkstelling zijn ingewonnen. Net als in een relatie advocaat-cliënt, moeten wij vrijelijk en vertrouwelijk, zowel intern als met onze verzekerden, van gedachten kunnen wisselen over de verschillende inhoudelijke aspecten en de juridische beoordeling van een casus (…)”.

Later heeft klaagster verweerder zelf om inzage in het door hem opgestelde medisch advies verzocht. De advocaat van de verzekeraar heeft de advocaat van klaagster per e-mail van

2 mei 2019 namens verweerder bericht dat het medisch advies niet voor inzage beschikbaar is.

3. Het standpunt van klaagster en de klacht

Klaagster verwijt verweerder dat hij zijn plicht tot het verlenen van inzage in het door hem opgestelde medisch advies heeft geschonden. Daarmee heeft verweerder klaagsters recht op inzage en afschrift volgens artikel 7:456 van het Burgerlijk Wetboek (BW) jo. artikel 7:464 lid 1 BW geschonden.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht gemotiveerd weersproken en zich primair op het standpunt gesteld dat klaagster niet ontvankelijk verklaard dient te worden in haar klacht. Op dit verweer zal, voor zover relevant, in het hiernavolgende worden teruggekomen.

5. De overwegingen van het college

Ontvankelijkheid

Verweerder heeft een medisch advies opgesteld voor de verzekeraar van het ziekenhuis. Verweerder wordt, kort gezegd, verweten dat hij klaagster geen inzage heeft gegeven in dat medisch advies. Hij heeft dit gedaan in zijn hoedanigheid van arts. Er is geen sprake van een behandelrelatie tussen klaagster en verweerder noch is daar sprake van geweest. De eerste tuchtnorm (artikel 47 lid 1 aanhef en onder a Wet BIG) is daarom niet van toepassing.

De tweede tuchtnorm (artikel 47 lid 1 aanhef en onder b Wet BIG) ziet op “enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt”. Nu verweerder het medisch advies heeft opgesteld in zijn hoedanigheid van arts, is het college van oordeel dat sprake is van ontvankelijkheid onder de tweede tuchtnorm.

Inhoudelijke beoordeling

Aan de orde is de vraag of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door klaagster geen inzage te geven in zijn medisch advies opgesteld voor zijn opdrachtgever de verzekeraar. Klaagster is van mening dat verweerder haar inzage had moeten verlenen op grond van artikel 7:456 BW jo. artikel 7:464 lid 1 BW.

Artikel 7:456 BW bepaalt dat een hulpverlener een patiënt desgevraagd inzage in en afschrift van de gegevens uit het dossier verstrekt. Dit artikel is van toepassing als sprake is van een behandelrelatie. Er is, zoals gezegd, geen sprake (geweest) van een behandelrelatie tussen klaagster en verweerder.

Volgens artikel 7:464 lid 1 BW is artikel 7:456 BW ook van toepassing indien in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf anders dan krachtens een behandelingsovereenkomst handelingen op het gebied van de geneeskunst worden verricht, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

Vaststaat dat verweerder klaagster niet zelf heeft beoordeeld. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat zijn medisch advies niet zag op het beoordelen van klaagsters gezondheidstoestand, maar op de vraag of lege artis was gehandeld door de betrokken behandelaar. Volgens verweerder is hem gevraagd een advies voor intern gebruik door zijn opdrachtgever, de verzekeraar, op te stellen in het kader van de beoordeling van de aansprakelijkheidsstelling. Het college overweegt als volgt.

Voor zover de medische advisering door verweerder al als handeling op het gebied van de geneeskunst kan worden aangemerkt (op grond waarvan artikel 7:464 lid 1 BW van toepassing zou zijn), oordeelt het college dat de aard van de rechtsbetrekking zich tegen toepasselijkheid van artikel 7:456 BW (artikel over de inzage) verzet en wel vanwege het volgende.

Het ziekenhuis en in het verlengde daarvan zijn verzekeraar hebben in het kader van de aansprakelijkheidsstelling het recht een partijdeskundige (hier: verweerder) in te schakelen. Iedere partij heeft een eigen recht om haar verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te bereiden. Aan dat recht zou afbreuk worden gedaan in geval er een verplichting zou bestaan tot het openbaar maken van (lees: het verlenen van inzage in) correspondentie en (medische) adviezen. Verweerder heeft met zijn weigering klaagster inzage te verlenen in het door hem voor zijn opdrachtgever, de verzekeraar, opgestelde advies daarom niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dit geldt eens te meer nu zijn opdrachtgever klaagster deze inzage eerder had geweigerd.

Op grond van het voorgaande wordt de klacht afgewezen als kennelijk ongegrond.

6. De beslissing

Het college:

-          verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door C.D.M. Lamers, voorzitter, G.L. Bremer en P.F. Boekkooi, leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van I.H.M. van Rijn, secretaris, en uitgesproken op

11 december 2019 in aanwezigheid van de secretaris.