Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2017:2 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2016/41

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2017:2
Datum uitspraak: 26-01-2017
Datum publicatie: 14-03-2017
Zaaknummer(s): 2016/41
Onderwerp: Katten
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Dierenartsen worden diverse verwijten gemaakt die verband houden met de verstrekking van een Seresto teken- en vlooienband voor de kat van klaagster. Niet ontvankelijk c.q. ongegrond.

Uitspraak in de zaken van 

mw. X,                                   klaagster,    

tegen

drs. Y,                                    beklaagde sub 1 (zaak nr. 2016/41),

drs. Z,                                    beklaagde sub 2 (zaak nr. 2016/42),

hierna gezamenlijk te noemen: beklaagden.

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van een tegen beide beklaagden gericht klaagschrift. Beklaagden hebben gezamenlijk verweer gevoerd, waarna is gerepliceerd en gedupliceerd. Partijen hebben verzocht c.q. ingestemd met schriftelijke afhandeling. De zaak is op 24 november 2016 door het college in raadkamer is besproken, waarna uitspraak is bepaald.

2. DE KLACHTEN

De zaak heeft betrekking op de kat van klaagster en een consult dat op 28 april 2016 op de praktijk van beklaagden plaatsvond. Het college volgt voor wat betreft de omschrijving van de klachten de weergave zoals die in het verweerschrift is opgetekend en die in repliek ook is aangehouden. Zakelijk weergegeven betreffen de verwijten dat:

  1. door klaagster een afspraak voor een consult bij beklaagde sub 1 is gemaakt, echter dat de kat bij het betreffende consult niet door hem is onderzocht c.q. behandeld, maar door beklaagde sub 2;
  2. er ten onrechte een Seresto teken- en vlooienband zou zijn aanbevolen, terwijl door klaagster was aangegeven dat de kat “chemische spot on” varianten niet zou verdragen;
  3. klaagster de bijsluiter van de Seresto band niet mee naar huis heeft gekregen;
  4. de kat door de Seresto band bijwerkingen zou hebben gekregen (krabben, slaan c.q.  bewegingen met het hoofd, niet meer willen eten, schudden met het lichaam, braken, haaruitval) ;
  5. er pesticiden van de Seresto band in het lichaam van de kat zijn achtergebleven;
  6. er geen althans niet direct contact met klaagster is opgenomen nadat zij een e-mail naar de praktijk had gestuurd en had gemeld dat er bijwerkingen waren opgetreden;
  7. de bijwerkingen van de Seresto band tijdens het consult niet met klaagster zijn besproken;
  8. zou zijn gesteld dat bijwerkingen praktisch niet voorkomen en dat het jammer was als  daarvan sprake zou zijn;
  9. dat de bijwerkingen door beklaagden ten onrechte niet zijn gemeld aan de fabrikant van de band;
  10. dat is geweigerd de kosten van de Seresto band aan klaagster terug te betalen.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. De zaak heeft betrekking op de kat van klaagster met de naam K, geboren op 1 maart 2000.

3.2. Omdat de kat al enige tijd kampte met vermagering en darmproblemen (pijn, obstipatie, diarree), waarvoor geen duidelijke oorzaak kon worden vastgesteld, heeft klaagster via de assistente van de praktijk een consult op 28 april 2016 afgesproken bij beklaagde sub1 voor een second opinion.

3.3. Toen klaagster op de afgesproken dag met de kat op de praktijk aankwam, bleek beklaagde sub 1 echter niet beschikbaar en heeft het consult plaatsgevonden bij beklaagde sub 2. Zij heeft de kat klinisch onderzocht en geconcludeerd het dier aan de magere kant was, maar geen zieke indruk maakte. Betwist is dat zij tegen klaagster zou hebben gezegd dat de kat té mager was. Eerdere door andere dierenartsen uitgevoerde onderzoeken (o.a. bloedonderzoek, faecesonderzoek) hadden geen afwijkingen aan het licht gebracht. In verweer is gesteld dat is besproken dat een test zou kunnen worden uitgevoerd op EPI (exocriene pancreas insufficiëntie), waarvoor de kat echter nuchter moest zijn.  Ook is volgens het verweerschrift besproken dat er biopten van de maag en darm zouden kunnen worden genomen om een eventuele vorm van IBD (Inflammatory Bowel Disease) aan te tonen, echter zou de kat daarvoor onder narcose moeten worden gebracht. Om die reden zijn eerstens dieetmaatregelen (hypoallergeen of licht verteerbaar voedsel) en F-lysine geadviseerd en om eventueel in een later stadium een antibioticum (Metrobac) toe te passen. Uit de stukken heeft het college begrepen dat de verwijten in de onderhavige klachtzaak niet zozeer zien op het besprokene met betrekking tot de darmproblemen, maar feitelijk op de verstrekte teken- en vlooienband, die tijdens het consult door klaagster is gekocht en die op de praktijk door beklaagde sub 2 om de hals van de kat is aangebracht.

3.4. Volgens klaagster kreeg haar kat na thuiskomst en ongeveer 6 á 7 uur nadat de Seresto band was aangebracht last van bijwerkingen als krabben/slaan, niet meer willen eten, stuiptrekkingen en haaruitval. Tussen partijen is in geschil wanneer deze bijwerkingen aan beklaagden zijn gemeld. Beklaagden stellen dat dit eerst op 3 mei 2016, derhalve 5 dagen na het consult, per e-mail is gebeurd, waar klaagster stelt dat dit 29 april 2016, de dag na het consult, is geschied.

3.5. In ieder geval heeft er op 6 mei 2016 een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen klaagster en beklaagde sub 1, waarbij over de door klaagster gestelde bijwerkingen is gesproken. Beklaagde sub 1 heeft aangeboden om de kat kosteloos te onderzoeken. Hiervan heeft klaagster geen gebruik gemaakt. Wel heeft zij hierna nog per e-mail d.d. 18 mei 2016 aan beklaagde sub 1 haar onvrede over de gang van zaken geuit. Klaagster heeft dezelfde datum ook de onderhavige procedure tegen beklaagden geëntameerd.

4. HET VERWEER   

Beklaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op die verweren zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagden tekort zijn geschoten in de zorg die zij als dierenarts hadden behoren te betrachten ten opzichte van de kat van klaagster, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Het college stelt voorop dat als een van de uitgangspunten in het veterinair tuchtrecht geldt dat het er bij de beoordeling van de vraag of een dierenarts veterinair onjuist en tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld niet om gaat of er door deze de meest optimale zorg is verleend, maar om de vraag of het veterinair handelen binnen de grenzen van de redelijke bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Een ander uitgangspunt in het veterinair tuchtrecht is dat een dierenarts alleen op zijn of haar eigen diergeneeskundige handelingen kan worden aangesproken, zodat college het handelen van iedere beklaagde afzonderlijk zal bespreken.   

5.3. Hiernaast geldt dat in een tuchtprocedure als de onderhavige niet kan worden geklaagd over de wijze waarop een dierenarts met een diereigenaar communiceert, noch over hoogte van de nota van een dierenarts c.q. de in rekening gebrachte kosten. Bijzondere omstandigheden om in het onderhavige geval van dit uitgangspunt af te wijken zijn niet gebleken. In het hierna volgende wordt op nog andere klachtonderdelen, hoewel deze eveneens buiten de reikwijdte van het veterinair tuchtrecht vallen, voor de duidelijkheid toch kort ingegaan.

a. Ten aanzien van beklaagde sub 1 (zaaknummer 2016/ 41)

Met betrekking tot klachtonderdeel a:

5.4. Niet in geschil is dat klaagster in eerste instantie via de assistente van de praktijk een afspraak had gemaakt voor een consult bij beklaagde sub 1. Beklaagde heeft gesteld dat hij op die bewuste dag wegens enkele spoedzaken alsmede vanwege familieomstandigheden niet beschikbaar was, waarna beklaagde sub 2 voor hem het consult heeft waargenomen. Het college heeft geen aanleiding om hetgeen beklaagde sub 1 in deze heeft aangevoerd in twijfel te trekken en ziet ook geen reden om tuchtrechtelijk verwijtbaar te achten dat de redenen van verhindering op dat moment kennelijk niet met klaagster zijn gecommuniceerd. Het college gaat er vanuit dat sprake was van onvoorziene omstandigheden en het enkele feit dat, anders dan vooraf was afgesproken, een -eveneens gekwalificeerde- collega dierenarts het consult heeft overgenomen levert geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op, daargelaten overigens dat klaagster tegen de overname van het consult op het moment zelf geen bezwaar heeft gemaakt en zij ook niet om een nieuwe afspraak heeft verzocht.

5.5. Het feit dat beklaagde die dag niet beschikbaar c.q. verhinderd was kan vervolgens tot geen andere conclusie leiden dan dat hij geen veterinaire handelingen ten aanzien van de kat heeft verricht, waar ook niet is gebleken dat hij op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de veterinaire advisering tijdens het betreffende consult. Beklaagde heeft de kat dus nimmer gezien en alleen achteraf telefonisch als spreekbuis namens de praktijk jegens klaagster gefungeerd, om de door haar gestelde bijwerkingen van de Seresto band te bespreken. Beklaagde sub 1 heeft tijdens het telefoongesprek met klaagster op 6 mei 2016 nog wel aangeboden de kat kosteloos te onderzoeken, echter is het daartoe niet gekomen. Op grond van het vorenstaande is het college van oordeel dat de klacht jegens beklaagde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Beklaagde heeft overigens betwist tijdens het genoemde telefoongesprek op 6 mei 2016 tegen klaagster te hebben gezegd dat de pesticiden van de band na anderhalve week uit het lichaam van de kat verdwenen zouden zijn (vgl. klachtonderdeel e). Voor zover nog andere klachtonderdelen (d,f,h,i,j) beklaagde sub 1 of beide beklaagden aangaan, wordt door het college verwezen naar hetgeen hierna met betrekking tot beklaagde sub 2 wordt overwogen.

b. Ten aanzien van beklaagde sub 2 (zaaknummer 2016/42)

5.6. Beklaagde is de behandelend en verantwoordelijke dierenarts geweest bij het betreffende consult op 28 april 2016.

Met betrekking tot klachtonderdeel b:

5.7. Beklaagde wordt verweten dat zij klaagster de Seresto teken- en vlooienband zou hebben aanbevolen, met als gevolg dat de kat daarvan diverse bijwerkingen zou hebben ondervonden. Beklaagde heeft echter gesteld dat klaagster om een (goed werkende) teken- en vlooienband heeft verzocht, maar dat zij, beklaagde, het gebruik van een vlooien – en tekenband juist heeft afgeraden. In de patiëntenkaart staat dienaangaande genoteerd dat klaagster is “aangeraden om geen band meer te nemen maar een andere toedieningsweg, maar ze wil toch een band”. Klaagster heeft onvoldoende weersproken dat beklaagde in eerste instantie een andere aanpak van het tekenprobleem heeft geadviseerd en dat de reden daarvan was gelegen in het feit dat de biologische tekenband die de kat op dat moment droeg reeds een bijwerking in de vorm van haaruitval c.q. een kale plek in de nek van de kat had veroorzaakt.

5.8. Beklaagde heeft verder gesteld dat klaagster, in afwijking van het door haar gegeven advies, toch de voorkeur gaf aan een teken- en vlooienband en dat in die situatie vervolgens over een Seresto band is gesproken. Voor zover beklaagde wordt verweten dat zij geen middel had mogen adviseren / toepassen dat chemische bestrijdingsmiddelen bevatte, zoals de Seresto band, omdat   de kat in het verleden slecht gereageerd zou hebben op ‘chemische spot on’ varianten, is voor het college onduidelijk gebleven of dit ook tijdens het consult zo stellig en nadrukkelijk richting beklaagde sub 2 is gecommuniceerd (in de e-mail van klaagster aan beklaagde sub 1 d.d. 18 mei 2016 wordt vermeld dat klaagster tijdens het consult heeft gezegd dat de kat verschillende merken spot-on varianten niet verdraagt). Voor zover is bedoeld te stellen dat tevoren reeds vast stond dat sprake was van een duidelijk verhoogd risico op de gestelde bijwerkingen, gaat het college daar niet zonder meer in mee. Voor het college is in deze ook doorslaggevend dat een Seresto band een in Nederland geregistreerd en geëigend middel ter bestrijding van vlooien en teken bij katten betreft. Verder geldt dat klaagster zelf om een vlooien- en tekenband had verzocht en dat de natuurlijke band die de kat op dat moment droeg onvoldoende effectief werkte. Op grond van het voorgaande voert het naar het oordeel van het college te ver om, zo de door klaagster gestelde bijwerkingen nadien zijn opgetreden, beklaagde te verwijten dat zulks voorzienbaar zou zijn geweest en te concluderen dat haar een tuchtrechtelijk verwijt treft met betrekking tot de verstrekking en verkoop van de Seresto band. Klachtonderdeel b wordt mitsdien verworpen.  

Met betrekking tot klachtonderdeel c:

5.9. Klaagster verwijt beklaagde dat zij geen bijsluiter van de Seresto band mee heeft gekregen. In dat verband wordt overwogen dat uit artikel 5.7 lid 1 onder b juncto artikel 2.26 van de Regeling Diergeneesmiddelen voortvloeit dat er een bijsluiter in de verpakking van een diergeneesmiddel aanwezig behoort te zijn. Het college gaat er in redelijkheid vanuit dat dit ook hier het geval is geweest. Verder geldt dat beklaagde de band om de nek van de kat heeft aangebracht en dat zij onbestreden heeft gesteld dat zulks op verzoek van klaagster is gebeurd.

5.10. Waar klaagster heeft gesteld dat zij de bijsluiter niet heeft meegekregen, heeft beklaagde gesteld dat klaagster het verpakkingsdoosje, met daarin de bijsluiter, al dan niet bewust, op de praktijk heeft achtergelaten. Als van de lezing van beklaagde zou worden uitgegaan, dan ziet het college onvoldoende grond om tuchtrechtelijke consequenties te moeten verbinden aan het feit dat klaagster na afloop van het consult en thuisgekomen heeft geconstateerd dat zij niet over een bijsluiter beschikte, die zij overigens vervolgens via internet heeft geraadpleegd. Blijft staan dat door het college niet kan worden vastgesteld wie of wat er debet is geweest aan het feit dat het verpakkingsdoosje met bijsluiter op de praktijk is achtergebleven. Gelet op het voorgaande zal dit klachtonderdeel ongegrond  worden verklaard.

Met betrekking tot klachtonderdeel d:

5.11. Het college overweegt dat Seresto een geregistreerd diergeneesmiddel betreft ter bestrijding van teken en vlooien bij katten. Voor zover klaagster heeft gesteld dat de kat als gevolg van de band bijwerkingen heeft gekregen (krabben en slaan, niet eten, stuiptrekkingen en haaruitval), geldt dat, als die er zouden zijn geweest, van de zijde van beklaagden terecht is gesteld dat een deel van die bijwerkingen (eetproblemen, haaruitval) al bestond voordat de Seresto band werd verstrekt en enkele andere door klaagster genoemde bijwerkingen (slaan bewegingen, bewegingen met het hoofd, stuiptrekkingen) als zodanig niet in de bijsluiter worden genoemd of zeldzaam voorkomen. De kat is na het bewuste consult ook niet meer op de praktijk van beklaagden gezien en onderzocht, ondanks een daartoe strekkend aanbod. Aldus heeft geen van beide beklaagden de gelegenheid  gekregen om zich een beeld over de gestelde bijwerkingen te vormen en of deze in causaal verband stonden het gebruik van de Seresto band, welk oorzakelijk verband aldus voor het college niet is komen vast te staan.  Op grond van het voorgaande zal klachtonderdeel d ongegrond worden verklaard.

Met betrekking tot klachtonderdeel e:

5.12. Dit klachtonderdeel ziet op de stelling van klaagster dat de pesticiden van de Seresto band in het lichaam van de kat zijn achtergebleven. Dat dit op 18 mei 2016 nog het geval was, terwijl de kat de band minder dan 24 uur om had gehad, wordt door het college niet bewezen geacht. Meer algemeen geldt dat de pesticiden juist zijn bedoeld en doorgaans effectief zijn om daarmee vlooien en teken te bestrijden, waarbij ook in dit verband wordt overwogen dat een Seresto band een in Nederland geregistreerd en overigens vrij en zonder recept verkrijgbaar middel betreft. Mitsdien wordt er door het college vanuit gegaan dat dit middel op veiligheid voor dieren is getest. Ten overvloede geldt dat nimmer kan worden uitgesloten dat er bij het gebruik van (dier)geneesmiddelen bijwerkingen kunnen optreden. Ook klachtonderdeel e zal worden afgewezen.

Met betrekking tot klachtonderdeel f:

5.13. Voor zover beklaagden wordt verweten dat er geen reactie kwam op de eerste e-mail van klaagster en dat eerst na een tweede e-mail contact vanuit de praktijk werd opgenomen, geldt eerstens dat dit klachtonderdeel feitelijk ziet op de communicatie van een dierenarts met een dierhouder en valt dit verwijt daarmee buiten de reikwijdte van het veterinaire tuchtrecht, tenzij de zorg voor het dier hieronder heeft geleden. Dat laatste is niet vast komen te staan. In dat verband geldt ook dat partijen verschillende standpunten hebben ingenomen over de datum van verzending van de eerste e-mail. Van de zijde van beklaagden is verder gesteld dat zo spoedig mogelijk telefonisch contact is gezocht. Hiernaast geldt dat klaagster in deze ook zelf geen telefonisch contact met de praktijk heeft gezocht en dat niet in geschil is dat geen sprake was van een spoedeisende situatie.

Met betrekking tot klachtonderdeel g:

5.14. Klaagster heeft gesteld dat beklaagde heeft verzuimd om tijdens het consult de mogelijke bijwerkingen van de Seresto band met haar te bespreken. Op de dierenarts rust echter richting dierhouders niet de verplichting en het zou ook in praktische zin ondoenlijk zijn om alle bijwerkingen die in de bijsluiter staan tijdens een consult limitatief met een diereigenaar door te moeten nemen. Overigens geldt ook in dit verband dat er door klaagster tevens bijwerkingen zijn genoemd die als zodanig niet in de hier van toepassing zijnde bijsluiter stonden beschreven. Ook klachtonderdeel g wordt afgewezen.

Met betrekking tot klachtonderdeel h:

5.15. Voor zover jegens klaagster zou zijn gezegd dat bijwerkingen praktisch niet voorkomen en dat het jammer was wanneer daarvan sprake zou zijn, ziet ook dit verwijt op de communicatie tussen een dierenarts en een dierhouder, waarover het college niet oordeelt. Voor zover klaagster met dit klachtonderdeel heeft bedoeld te stellen dat beklaagden de situatie onvoldoende serieus zouden hebben genomen, is zulks naar het oordeel van het college met voormelde voor klaagster onwelgevallige opmerking niet aangetoond. Aldus kan dit klachtonderdeel niet slagen.

Met betrekking tot klachtonderdeel i:

5.16. Klaagster heeft gesteld dat de door haar genoemde bijwerkingen ten onrechte niet zijn gemeld bij de fabrikant van de Seresto band. Het college deelt deze opvatting niet. Behalve dat er geen wettelijke verplichting op een dierenarts rust om vermoedelijke bijwerkingen te melden, hebben  beklaagden de door klaagster beschreven bijwerkingen niet zelf kunnen vast stellen, ondanks een aanbod om de kat kosteloos te onderzoeken (en eventueel te behandelen). Beklaagden hebben derhalve niet zelf kunnen verifiëren en bevestigen dat er sprake was van de gestelde bijwerkingen en of die in verband konden worden gebracht met het gebruik van de Seresto band. Overigens kan de diereigenaar ook zelf rechtstreeks (vermoedelijke) bijwerkingen melden bij de fabrikant of bijvoorbeeld bij het Bureau Diergeneesmiddelen van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen. Aldus wordt dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.

Met betrekking tot klachtonderdeel j:

5.17. Klaagster heeft zich op het standpunt gesteld dat beklaagde de kosten van de Seresto-band aan haar terug dient te betalen. Dit klachtonderdeel is evenwel van civielrechtelijke aard en valt buiten de reikwijdte van het veterinaire tuchtrecht.   

6. DE BESLISSING 

Het college:

In de zaken met de nummers 2016/41 en 2016/42;

verklaart de klachten niet-ontvankelijk althans ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. G.J. van Muijen, voorzitter, en door de leden  drs. J. Hilvering, drs. J.A.M. van Gils, drs. M. Lockhorst en drs. B.J.A. Langhorst−Mak,  in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris.

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2017, bij afwezigheid van de voorzitter, door mr. T. Rothuizen-Van Dijk, plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris.