Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSHE:2019:187 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 19-798/DB/LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2019:187
Datum uitspraak: 12-12-2019
Datum publicatie: 13-12-2019
Zaaknummer(s): 19-798/DB/LI
Onderwerp: Artikel 60 b e.v., subonderwerp:
Beslissingen: Onvoorwaardelijke schorsing
Inhoudsindicatie:  Advocaat zonder beroepsaanprakelijkheidsverzekering met onmiddellijke ingang geschorst.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 12 december 2019

in de zaak 19- 798/DB/LI

naar aanleiding van het verzoek op grond van artikel 60ab Advocatenwet van:

de deken van de Orde van Advocaten in het Arrondissement Limburg

tegen:

verweerder

1          Verloop van de procedure

1.1      Bij brief aan de raad van 25 november 2019 met kenmerk K19-111, door de raad per e-mail ontvangen op 25 november 2019, heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg een verzoek op grond van artikel 60ab subsidiair artikel 60b Advocatenwet tegen verweerder bij de raad ingediend.

1.2      De griffier van de raad heeft de deken en verweerder per aangetekende email en bij brief van 28 november 2019 opgeroepen om ter zitting van de raad van 9 december 2019 te verschijnen. Verweerder is in de gelegenheid gesteld tot uiterlijk 3 december 2019 schriftelijk op het verzoek te reageren.

1.3      De in artikel 60ab lid 4 Advocatenwet bepaalde termijn is door de raad met veertien dagen verlengd, hetgeen in voornoemde oproepingsbrief aan de deken en aan verweerder is bericht.

1.4      Het verzoek is behandeld ter zitting van de raad van 9 december 2019 in aanwezigheid van .

1.5      De raad heeft kennis genomen van de hiervoor bedoelde brief van de deken van 25 november 2019, met bijlagen, de email van verweerder aan de raad gedateerd 9 december 2019 om 9:06 uur en de email aan de raad gedateerd 9 december 2019 om 9:53 uur.

2          FEITEN

Voor de beoordeling van het verzoek wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1     Op 25 september 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de deken en verweerder. Aan verweerder is verzocht om uiterlijk op 9 oktober 2019 een door zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar gewaarmerkt en ondertekend bewijs te overleggen, waaruit blijkt dat hij over een adequate beroepsaansprakelijkheidsverzekering beschikt en dat hij heeft voldaan aan zijn verplichtingen van premiebetalingen. Tevens is verzocht om afschriften van de betalingsbewijzen van de premie over de jaren 2018 en 2019.

2.2     Verweerder heeft op 26 september 2019 een offerte voor een beroepsaansprakelijkheidsverzekering aangevraagd.

2.3     Het bureau van de orde van advocaten heeft verweerder op 15 oktober 2019 bericht dat er bij uitblijven van een reactie van verweerder van wordt uitgegaan dat verweerder thans en in de voorbije periode niet verzekerd is geweest voor beroepsaansprakelijkheid en dat nadere actie zou worden ondernomen.

2.3     De deken heeft vervolgens een kantoorbezoek op 5 november 2019 aangekondigd. Verweerder was telefonisch  niet bereikbaar voor het bureau van de  orde en mails van de zijde van de deken zijn onbeantwoord gebleven.

2.4     Verweerder heeft op 4 november 2019 bericht dat zijn aanvraag voor het verkrijgen van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering nog steeds in behandeling is.  Verweerder heeft tijdens het kantoorbezoek op 5 november 2019 te kennen gegeven dat hij eerder verzekerd is geweest bij de NN voor beroepsaansprakelijkheid, maar dat deze verzekering per 1 januari 2019 is geëindigd.

3          VERZOEK

3.1      Verweerder heeft erkend vanaf 1 januari 2019 niet adequaat voor beroepsaansprakelijkheid verzekerd te zijn. De verplichting van het hebben van een adequate beroepsaansprakelijkheid dient mede een publiek belang, in die zin dat een rechtzoekende erop mag vertrouwen dat zijn claim tegen een advocaat die aansprakelijk is voor door hem geleden schade, daadwerkelijk wordt gehonoreerd. Dit is mede van belang voor het vertrouwen van de samenleving in de advocatuur als beroepsgroep.

3.2      Door zonder adequate beroepsaansprakelijkheidsverzekering als advocaat op te treden roept verweerder welbewust een risico in het leven dat er een situatie ontstaat dat tegen hem een aansprakelijkstelling wordt ingediend, terwijl hiervoor geen verzekering is afgesloten die dekking zal bieden. Verweerder roept hiermee niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn cliënten een onaanvaardbaar risico in het leven. Verweerder handelt aldus in strijd met de Verordening op de advocatuur.

3.3      Verweerder maakt zich aldus schuldig aan een handelen of nalaten waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang zeer ernstig is geschaad of dreigt te worden geschaad, althans is er een zeer ernstig vermoeden gerezen dat van zo’n handelen of nalaten sprake is. De deken verzoekt de raad op grond van het bovenstaande primair om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 60ab Advocatenwet met onmiddellijke ingang in de uitoefening van de praktijk te schorsen.

3.4      De deken verzoekt de raad subsidiair om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 60 b Advocatenwet met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd te schorsen in de uitoefening van de praktijk , nu verweerder door te verkiezen zonder beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor cliënten op te treden, er blijk van heeft gegeven zijn praktijk niet behoorlijk te kunnen uitoefenen.

3.5      Zowel ten aanzien van het primaire (artikel 60 ab Advocatenwet) als het subsidiaire (artikel 60b Advocatenwet) verzoekt de deken de raad de volgende voorzieningen te treffen:

1)    dat de deken of een door de deken aan te wijzen gemachtigde de bevoegdheid heeft zich, zo nodig met behulp van de sterke arm, toegang te verschaffen tot de ruimte(s) waarin de praktijk van verweerder wordt gevoerd, en tot de daarbij behorende voorzieningen, opdat de deken in het belang van de cliënten van verweerder al die maatregelen kan nemen, waartoe verweerder als advocaat zelf bevoegd zou zijn en de dossiers in overleg met de cliënten van verweerder onder kan brengen bij andere advocaten of rechtsbijstandverleners en alle overige voorzieningen kan treffen die de deken nodig acht met het oog op de behartiging van de belangen van die cliënten;

2)    verweerder op te dragen de deken alle medewerking en gevraagde inlichtingen te verschaffen die de deken nodig heeft voor de uitoefening van zijn dekenale taak, waarbij de noodzaak daartoe uitsluitend wordt bepaald door de deken;

3)    te bepalen dat indien de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg gehouden is aan de door de deken aan te wijzen gemachtigde kosten te voldoen, zij gerechtigd is deze terug te vorderen van verweerder.

4          VERWEER

4.1      Verweerder erkent dat hij vanaf 1 januari 2019 niet verzekerd is voor beroepsaansprakelijkheid. Verweerder was tot en met 2018 bij Nationale Nederlanden voor beroepsaansprakelijkheid verzekerd. Verweerder heeft echter aangegeven dat NN over het gehele jaar 2018 geen dekking onder de polis heeft verleend vanwege achterstallige premiebetaling Nationale Nederlanden heeft per 1 januari 2019 de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van advocaten beëindigd.

4.2      Verweerder heeft op 26 september 2019 een offerte voor een beroepsaansprakelijkheidsverzekering aangevraagd. Wegens drukte is deze aanvraag nog niet behandeld. Het verzoek van de deken is juist en verweerder begrijpt dat hij zijn advocatenpraktijk niet mag uitoefenen zonder voor het risico van beroepsaansprakelijkheid verzekerd te zijn. Verweerder verzoekt de schorsing tijdelijk op te leggen en wel tot het moment waarop hij weer verzekerd is voor het risico van zijn beroepsaansprakelijkheid.

5          BEOORDELING

5.1      Ingevolge het bepaalde in artikel 60ab Advocatenwet kan de raad op verzoek van de deken een advocaat, jegens wie een ernstig vermoeden is gerezen van een handelen of nalaten waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang is geschaad of dreigt te worden geschaad, met onmiddellijke ingang schorsen, indien enig door artikel 46 van de Advocatenwet beschermd belang dit vergt.

5.2      Ingevolge het bepaalde in artikel 6.24 van de Verordening op de Advocatuur is een advocaat verplicht om ter zake van het risico van zijn beroepsaansprakelijkheid verzekerd te zijn. Als door verweerder erkend, staat vast dat verweerder sinds 1 januari 2019 niet adequaat is verzekerd voor het risico van zijn beroepsaansprakelijkheid. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de door hem op 26 september 2019 aangevraagde offerte nog steeds in behandeling is en dat hij derhalve nog steeds niet adequaat verzekerd is voor het risico van zijn beroepsaansprakelijkheid. Hiermee staat vast dat verweerder handelt in strijd met het in artikel 6.24 van de Verordening op de Advocatuur bepaalde. De raad is met de deken van oordeel dat verweerder, door zonder adequate beroepsaansprakelijkheidsverzekering als advocaat op te treden, welbewust een risico in het leven roept dat er een situatie ontstaat dat tegen hem een aansprakelijkstelling wordt ingediend, terwijl hiervoor geen verzekering is afgesloten die dekking zal bieden, waarmee verweerder niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn cliënten een onaanvaardbaar risico in het leven roept. Verweerder maakt zich aldus schuldig aan een handelen of nalaten waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang zeer ernstig is geschaad of dreigt te worden geschaad .

5.3      De raad is op grond van het bovenstaande van oordeel dat het verzoek ex artikel 60ab Advocatenwet van de deken dient te worden toegewezen. De raad ziet geen aanleiding om te voldoen aan het verzoek van verweerder om de schorsing te beperken voor de periode tot het moment waarop verweerder weer zal zijn verzekerd voor zijn beroepsaansprakelijkheid. De in artikel 60ab Advocatenwet bedoelde voorlopige voorziening is bedoeld voor de situatie waarin het door artikel 46 Advocatenwet beschermde belang een schorsing met onmiddellijke ingang vergt en de beoordeling van het dekenbezwaar door de tuchtrechter niet kan worden afgewacht. Het ligt op de weg van de geschorste advocaat om ingevolge het bepaalde in artikel 60ab lid 6 Advocatenwet de raad te verzoeken om de op grond van artikel 60 ab lid 1 Advocatenwet opgelegde schorsing of voorlopige voorziening op te heffen, indien hij daartoe aanleiding ziet.

5.4      Nu de deken nog geen bezwaar ter kennis van de raad heeft gebracht stelt de raad de termijn waarbinnen de deken zijn bezwaar schriftelijk ter kennis van de raad brengt op zes weken na dagtekening van deze beslissing.

5.5      Omdat het verzoek ex artikel 60ab Advocatenwet door de raad wordt toegewezen zal de raad bepalen dat op het verzoek ex artikel 60b Advocatenwet niet meer hoeft te worden beslist.

BESLISSING

De raad van discipline:

-             wijst het verzoek van de deken ex artikel 60ab Advocatenwet toe en schorst verweerder met onmiddellijke ingang in de uitoefening van de praktijk als advocaat:

-             bepaalt dat de deken het aan het onderhavige verzoek ten grondslag gelegde bezwaar uiterlijk binnen zes weken na dagtekening van deze beslissing schriftelijk ter kennis van de raad brengt;

-             bepaalt bij wijze van voorziening dat de deken of een door de deken aan te wijzen gemachtigde de bevoegdheid heeft zich, zo nodig met behulp van de sterke arm, toegang te verschaffen tot de ruimte(s) waarin de praktijk van verweerder wordt gevoerd, en tot de daarbij behorende voorzieningen, opdat de deken in het belang van de cliënten van verweerder al die maatregelen kan nemen, waartoe verweerder als advocaat zelf bevoegd zou zijn en de dossiers in overleg met de cliënten van verweerder onder kan brengen bij andere advocaten of rechtsbijstandverleners en alle overige voorzieningen kan treffen die de deken nodig acht met het oog op de behartiging van de belangen van die cliënten;

-             draagt verweerder op de deken alle medewerking en gevraagde inlichtingen te verschaffen die de deken nodig heeft voor de uitoefening van zijn dekenale taak, waarbij de noodzaak daartoe uitsluitend wordt bepaald door de deken;

-             wijst het meer of anders verzochte af;

-             bepaalt dat op het verzoek ex artikel 60b Advocatenwet niet hoeft te worden beslist.

Aldus beslist door mr. C. A.M. de Bruijn , voorzitter, mrs. N.M. Lindhout-Schot en L.R.G.M. Spronken, leden, bijgestaan door mr. I.J.M. Huysmans-van Opstal als griffier en uitgesproken op 12 december 2019.

Griffier                                                                 Voorzitter