Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TADRAMS:2019:117
Datum uitspraak:
03-06-2019
Datum publicatie:
07-06-2019
Zaaknummer(s):
19-138/A/A/D
Onderwerp:
Wat een behoorlijk advocaat betaamtBezwaren van de deken Wat een behoorlijk advocaat betaamtNiet voldoen
Beslissingen:
Voorwaardelijke schorsing Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie:
Gegrond dekenbezwaar. Verweerder heeft de kernwaarde integriteit geschonden door zonder grondslag gelden over te boeken van zijn derdengeldenrekening naar zijn kantoorrekening en door een bedrag van € 5.000 op zijn derdengeldenrekening niet onverwijld door te betalen aan de rechthebbende. In de gegeven omstandigheden ziet de raad aanleiding te volstaan met een voorwaardelijke schorsing van vier weken.

Amsterdam

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam

van 3 juni 2019

in de zaak 19-138/A/A/D

naar aanleiding van het bezwaar van:

deken

over:

 

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Bij brief aan de raad van 6 maart 2019 met kenmerk 2019-805600, door de raad digitaal ontvangen op 6 maart 2019, heeft de deken zijn bezwaar ter kennis van de raad gebracht. Het bezwaar is behandeld ter zitting van de raad van 6 mei 2019 in aanwezigheid van de deken, vergezeld van mevrouw S.M. de Waard, stafmedewerker, en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.2    De raad heeft kennisgenomen van de hiervoor genoemde brief van de deken met de bijlagen 1 tot en met 8. Tevens heeft de raad kennisgenomen van de e-mails met bijlage(n) van de gemachtigde van verweerder aan de raad van 23 april en 3 mei 2019.

2    FEITEN

Voor de beoordeling van het bezwaar wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan.

2.1    Op 6 maart 2018 heeft een kantoorbezoek plaatsgevonden aan het kantoor van verweerder. Namens de Amsterdamse orde waren daarbij aanwezig de heer mr. B, lid van de Amsterdamse raad van de orde, en een stafmedewerker.

2.2    Ter voorbereiding van het kantoorbezoek heeft verweerder op verzoek van de orde de jaarrekening over 2016 toegestuurd. De orde heeft de jaarrekening doorgestuurd naar de Unit Financieel Toezicht Advocatuur (hierna: Unit FTA) van de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: NOvA). De Unit FTA heeft een analyse (quick scan) uitgevoerd van de financiële situatie.

2.3    De analyse heeft (onder meer) aandacht gevraagd voor de rekening-courant schuld per 31 december 2016 van het kantoor van verweerder aan de stichting derdengelden van het kantoor. Het ging daarbij om een bedrag van € 7.696.

2.4    Uit het verslag dat van het hiervoor in 2.1 genoemde kantoorbezoek is gemaakt volgt dat verweerder over de rekening-courantschuld het volgende heeft verklaard:

“Ten aanzien van de rekening-courantschuld € 7.696,00 aan de stichting derdengelden zet [verweerder] het volgende uiteen. In de karen 2006 tot en met 2014 werd er gewerkt met overschrijvingsformulieren. Hij reed dan naar zijn accountant (…) die medebestuurder was van de stichting derdengelden voor zijn handtekening. Rond mei 2014 is [mr. R] medebestuurder geworden van de stichting derdengelden.

Het bedrag van € 7.696,00 is als volgt opgebouwd:

7/10/2011        € 2.000,00

2/09/2016        € 600,00

30/09/2016    € 296,00

09/12/2016    € 4.800,00

[Verweerder] legt uit dat de ABN AMRO bank zijn derdengeldrekening gekoppeld heeft aan zijn zakelijke rekening. Per abuis heeft hij in 2016 bedragen aangewend van de derdengeldrekening voor kantoor (storting naar kantoorrekening). Hij heeft de bedragen teruggestort op 28 april 2017 € 3.300, op 29 augustus 2016 € 600 en op 14 augustus 2017 € 1.900, dus totaal € 5.800 teruggestort. Ten aanzien van het bedrag van € 2.000,00 was er toestemming om te verrekenen met een openstaande factuur. [Verweerder] vertelt dat er geen RC-vordering meer is. (…)

Gezien bovenstaande heeft de deken [de heer B] van de financiële unit van de NOvA verzocht om een financieel onderzoek uit te voeren. In dit onderzoek dienen de afgelopen vijf jaren te worden onderzocht aangaande de stichting derdengelden en de algehele situatie van [het kantoor van verweerder].”

2.5    Op 6 april 2018 heeft verweerder twee e-mailberichten aan de orde gestuurd met het bewijs van de stortingen waarmee de schuld aan de stichting derdengelden is afgelost.

2.6    De deken heeft de Unit FTA in mei 2018 gevraagd onderzoek te doen naar mogelijke andere onregelmatigheden bij het kantoor van verweerder. De Unit FTA heeft met een rapport van 26 juni 2018 en een aanvulling daarop van 26 november 2018 verslag gedaan van het onderzoek. Het rapport van 26 juni 2018 luidt, voor zover relevant:

“4. Stichting Derdengelden

Uit de jaarrekening van het jaar 2016 van [het kantoor van verweerder] blijkt dat ultimo 2016 [het kantoor van verweerder] een schuld heeft van € 7.696 aan Stichting Beheer Derdengelden (…)

Dit bedrag van € 7.696 is als volgt opgebouwd:

•    een bedrag van € 2.000 dat is afgeboekt van de derdenrekening naar de kantoorrekening op 7 oktober 2011. Volgens de toelichting van [verweerder] is dit bedrag in 2011 geheel verrekend;

•    een bedrag van € 600 dat is afgeboekt van de derdenrekening naar de kantoorrekening op 26 augustus 2016. Uit de onderzochte bankafschriften is dit bedrag op 29 augustus 2016 teruggeboekt op de derdenrekening;

•    een bedrag van € 296 dat is afgeboekt van de derdenrekening naar de kantoorrekening op 30 september 2016;

•    een bedrag van € 4.800 dat is afgeboekt van de derdenrekening naar de kantoorrekening op 9 december 2016.

Uit het vorenstaande blijkt dat voor 31 december 2016 van het totaalbedrag van € 7.696 een bedrag van € 2.600 is verrekend dan wel teruggestort voor 31 december 2016. Daarnaast is vastgesteld dat op 28 april 2017 een bedrag van € 3.300 van de kantoorrekening is terugbetaald op de derdenrekening en op 14 augustus 2017 een bedrag van € 1.900. Voorafgaand aan de start van het onderzoek (…) heeft [verweerder] de mutaties van de derdenrekening gedurende de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017 gecontroleerd. Bij deze controle is vastgesteld dat (…) de volgende mutaties hebben plaatsgevonden:

•    Op 11 oktober 2013 is een bedrag van € 400 van de derdenrekening overgeboekt naar de bankrekening van [B.V.];

•    Op 2 april 2014 is een bedrag van € 500 van de derdenrekening overgeboekt naar de kantoorrekening;

•    Eveneens op 2 april 2014 is nog een bedrag van € 500 van de derdenrekening overgeboekt naar de kantoorrekening;

•    Op 5 september 2016 is een bedrag van € 6.250 van de derdenrekening overgeboekt naar de kantoorrekening;

•    Op 2 augustus 2017 is een bedrag van € 2.202,44 verrekend met verzonden declaraties.

Dit betekent dat op 13 juni 2018 een bedrag van per saldo € 5.343,56 te veel is afgeboekt van de derdengeldenrekening. Op 19 juni 2018 heeft [verweerder] € 5.343,56 van de kantoorrekening overgeboekt naar de derdengeldenrekening.

Op 30 mei 2015 is een bedrag van € 5.000 op de derdenrekening ontvangen. Verzuimd is dit bedrag naar een bankrekening van de rechthebbende over te boeken. [Verweerder] heeft tijdens het onderzoek op 13 juni 2018 verklaard dit bedrag van € 5.000 minus een nog openstaand saldo van € 137,19 op korte termijn over te boeken op de door de rechthebbende aangegeven bankrekening. Op 19 juni 2018 heeft [verweerder] € 4.862,71 van de derdengeldenrekening overgeboekt naar de bankrekening van de rechthebbende. Na 19 juni 2018 bestaat geen rekening courantsaldo meer van [het kantoor van verweerder] met [stichting derdengelden].

(…)

5. Conclusies

Uit het onderzoek zijn –in de kern samengevat- de volgende bevindingen naar voren gekomen.

(…)

•    Van de derdengeldenrekening is – met als belangrijkste reden de slechte liquiditeitspositie van [het kantoor van verweerder] – een aantal bedragen zonder de vereiste grondslag van de derdenrekening overgeboekt naar de kantoorrekening en een bedrag van € 400 naar de bankrekening van [B.V.]”

3    BEZWAAR

3.1    Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de kernwaarde integriteit (artikel 10a lid d en 46 Advocatenwet) en de artikelen 6.5 en 6.19 van de Verordening op de advocatuur (hierna: Voda) door:

a)    gelden van de derdengeldenrekening zonder de vereiste grondslag over te boeken naar de kantoorrekening in verband met de slechte liquiditeitspositie van zijn kantoor;

b)    het bedrag van € 5.000 op de derdengeldenrekening niet onverwijld aan de rechthebbenden te hebben overgemaakt;

c)    tijdens het kantoorbezoek te verklaren dat – naast de rekening-courantschuld zoals die bleek uit de jaarrekening 2016 – overigens geen onttrekkingen hadden plaatsgevonden en derhalve op dat moment geen rekening-courantschuld bestond.

4    VERWEER

4.1    Verweerder voert, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aan. De in het verslag van de Unit FTA van 26 juni 2018 genoemde bedragen zijn correct, met één uitzondering. Er is volgens de bankafschriften van de derdengeldrekening in 2011 geen bedrag van € 2.000 overgeboekt van de stichting derdengelden naar de kantoorrekening. Ook is er, anders dan verweerder dacht, niets verrekend. De cliënt heeft de voorschotnota van 3 oktober 2011 betaald op de kantoorrekening. Er is dus in 2011 geen onttrekking, mutatie of verrekening van € 2.000 (of welk ander bedrag dan ook) geweest met derdengelden. Overigens hebben de twee overboekingen van ieder € 500 die in het verslag van de Unit FTA zijn vermeld als plaatsgevonden in april 2014 plaatsgevonden in april 2015. Verweerder erkent dat hij klachtwaardig en zeer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en is zich bewust van de ernst van de gedraging. In 2013 heeft verweerder te maken gehad met een faillissement van een grote klant, waar op dat moment ruim € 40.000 aan declaraties open stond. Dit had een aanzienlijke impact op de liquiditeit van zijn kantoor. Verweerder heeft daar jaren last van gehad c.q. in financiële zin de gevolgen daarvan gedragen en achteraf bezien is dit de eerste aanleiding geweest om een overboeking zonder grondslag te doen. Het had op de weg van verweerder gelegen om hulp te vragen, maar hij schaamde zich en wilde alles zelf oplossen. Zonder afbreuk te willen doen aan de ernst van zijn gedragingen heeft verweerder altijd de intentie gehad om de opnames terug te storten en nimmer de intentie gehad de belangen van zijn cliënten te schaden.   

4.2    Verweerder voert voorts aan dat hij op 19 februari 2018 tijdig alle gevraagde informatie aan de orde heeft verstrekt. In de jaarrekening 2016 was duidelijk een rekening-courantverhouding met de stichting derdengelden opgenomen, die verweerder voor het kantoorbezoek ook al aan de orde had gemeld. Toen tijdens het kantoorbezoek de vraag over de rekening-courant werd gesteld heeft verweerder direct aangegeven dat hij zonder grondslag onttrekkingen had gedaan en dat hij dat heeft kunnen doen omdat zijn derdengeldrekening aan zijn betaalrekening was gekoppeld. Er is toen geen vraag gesteld over andere onttrekkingen dan die rekening-courant. Verweerder ging er – naar achteraf blijkt ten onrechte – van uit dat er geen schuld uit hoofde van de rekening-courant meer was. Verweerder heeft duidelijk laten merken dat hij zich zeer schaamde over de gang van zaken en direct erkend dat hij fout zat. Ook tijdens een telefoongesprek op 6 april 2018 met de stafmedewerker van de deken is er geen vraag gesteld over andere onttrekkingen dan die waren gebleken uit de rekening-courant. Op een vervolgonderzoek van de Unit FTA heeft verweerder juist om transparant te zijn voor de start van het onderzoek zelf alle overige mutaties van de derdengeldrekening over vijf jaar doorgelopen en zijn bevindingen gecommuniceerd met de Unit FTA met een kopie aan de stafmedewerker van de deken. De rekening-courantstand en eerder gecommuniceerde opstelling was tot grote schrik van verweerder niet juist. Verweerder vindt het jammer dan hem verweten wordt dat hij nagelaten zou hebben openheid van zaken te geven tijdens het kantoorbezoek. Dat is nimmer zijn bedoeling geweest.

4.3    Verweerder erkent tot slot dat het bedrag van € 5.000 inderdaad had moeten worden doorgestort naar de rechthebbende, aldus nog steeds verweerder.

5    BEOORDELING

5.1    Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van de Voda voert een advocaat de administratie van zijn praktijk en bewaart hij de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen kunnen worden gekend en stelt een advocaat de balans en de staat van baten en lasten op schrift binnen zes maanden na afloop van het boekjaar.

5.2    Ingevolge artikel 6.19, eerste lid,  van de Voda draagt een advocaat er zorg voor dat derdengelden worden overgemaakt hetzij rechtstreeks naar de belanghebbende, hetzij naar de bankrekening van de stichting derdengelden die hem ter beschikking staat. Ingevolge het tweede lid van dit artikel maakt een advocaat die derdengelden onder zich heeft de gelden zodra de gelegenheid zich voordoet over naar de bankrekening van de stichting derdengelden of van de rechthebbende. Ingevolge het derde lid van dit artikel doet een advocaat derdengelden niet tot zekerheid strekken van hemzelf, zijn praktijk of enige derde.

Ad bezwaaronderdelen a) en b)

5.3    Deze bezwaaronderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.4    Verweerder heeft erkend – met uitzondering van het bedrag van € 2.000 – dat hij gelden van de derdengeldenrekening naar zijn kantoorrekening heeft overgeboekt zonder de vereiste grondslag. Verweerder heeft tevens erkend dat hij het bedrag van € 5.000 op de derdengeldenrekening niet onverwijld aan de rechthebbende heeft overgemaakt. Bezwaaronderdelen a) en b) zijn dan ook gegrond.

Ad bezwaaronderdeel c)

5.5    Verweerder heeft erkend dat hetgeen hij tijdens het kantoorbezoek op 6 maart 2018 heeft verklaard over de rekening-courantschuld niet juist is geweest. Bezwaaronderdeel c) is daarom eveneens gegrond. Overigens is niet vast komen te staan dat verweerder hierover opzettelijk onjuist heeft verklaard.

6    MAATREGEL

6.1    Verweerder heeft de kernwaarde integriteit geschonden door zonder grondslag gelden over te boeken van zijn derdengeldenrekening naar zijn kantoorrekening en door een bedrag van € 5.000 op zijn derdengeldenrekening niet onverwijld door te betalen aan de rechthebbende. De raad rekent verweerder dit zwaar aan.  Gezien de impact die een en ander kennelijk al op verweerder heeft gehad, de meermaals door verweerder gemaakte excuses voor zijn handelen, de maatregelen die hij heeft getroffen om dit in de toekomst te voorkomen – waaronder het opheffen van de derdengeldenrekening en het in de arm nemen van een coach – en het blanco tuchtrechtelijke verleden van verweerder, ziet de raad aanleiding in dit geval te volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke schorsing voor de duur van vier weken.

7    KOSTENVEROORDELING

7.1     Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 750 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

b)  € 500 kosten van de Staat. 

7.2    Verweerder moet het bedrag van € 750 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 500 binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer NL 05 INGB 0705 003981 t.n.v. Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder vermelding van “Tuchtrechtelijke kostenveroordeling advocatuur, DGRR” en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart het bezwaar gegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van vier weken op;

-    bepaalt dat deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder binnen de hierna te vermelden proeftijd zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;

-     stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 750 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 500 aan de Staat, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    bepaalt dat de in artikel 8a, derde lid, van de Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot twee jaar.

Aldus beslist door mr. E.J. van der Molen, voorzitter, mrs. E.C. Gelok, G. Kaaij, E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen en S. Wieberdink, leden, bijgestaan door mr. S. van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2019.

Griffier    Voorzitter

mededelingen van de griffier ter informatie:

verzending

Deze beslissing is in afschrift op 3 juni 2019

verzonden.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens