Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2017:29 Accountantskamer Zwolle 16/2362 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2017:29
Datum uitspraak: 01-05-2017
Datum publicatie: 01-05-2017
Zaaknummer(s): 16/2362 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:   Samenstelwerkzaamheden voor persoonlijke holdings van clienten en de samenwerkingsvennootschappen waarin de persoonlijke holdings een aandeel hadden. De samenwerking tussen de clienten eindigt. Het verwijt achteraf dat betrokkene een managementfee ten gunste van een persoonlijke holding in de jaarrekening van één van de samenwerkingsvennootschappen heeft verwerkt is ongegrond, omdat zulks gebaseerd is geweest op de door de clienten zelf aangedragen en door hen gevoerde financiële administratie, waaronder de desbetreffende facturen en betaalbewijzen, en er geen reden was voor betrokkene om aan deze gegevens te twijfelen. Betrokkene heeft terecht van een professioneel kritische houding doen blijken bij het verwerken in de balans van een rekening-courantvordering tussen de persoonlijke holdings van zijn clienten. Geen schending van objectiviteit.

ACCOUNTANTSKAMER

BESLISSING ex artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de zaak met nummer 16/2362 Wtra AK van 1 mei 2017 van

1) X1 B.V. ,

gevestigd te [plaats1],

2) X2 B.V. ,

gevestigd te [plaats2],

beide vertegenwoordigd door [A],

K L A A G S T E R S ,

t e g e n

[Y] ,

registeraccountant,

kantoorhoudende te [plaats2],

B E T R O K K E N E ,

raadsman: mr. B. ten Doesschate.

1.         Het verloop van de procedure

1.1       De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de in deze zaken gewisselde en aan partijen bekende stukken, waaronder:

-        het klaagschrift van 1 oktober 2016, ontvangen op 4 oktober 2016, met bijlagen;

-        het verweerschrift van 2 december 2016, ontvangen op dezelfde datum, met bijlagen;

-        een brief van de advocaat van betrokkene, met als bijlage een vonnis van 11 januari 2017 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland te Almere.

1.2       De Accountantskamer heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 31 maart 2017, waar zijn verschenen ‑ aan de zijde van klaagsters – [A], tot bijstand vergezeld van [B] AA, en ‑ aan de zijde van betrokkene – [Y] RA in persoon, bijgestaan door mr. B ten Doesschate, advocaat te Utrecht.  

1.3       Klaagsters en betrokkene hebben op genoemde zitting hun standpunten doen toelichten (aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de Accountantskamer zijn overgelegd) en toegelicht, alsmede doen antwoorden en/of geantwoord op vragen van de Accountantskamer.

2.         De vaststaande feiten

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde ter zitting stelt de Accountantskamer het volgende vast.

2.1       Betrokkene staat sinds [datum] ingeschreven in het register van het NIVRA (thans van de Nba). Hij was ten tijde van het in deze zaak verweten handelen/nalaten en is nog steeds als openbaar accountant verbonden aan [Y] Accountants te [plaats2].

2.2       Betrokkene heeft op basis van een opdrachtbevestiging d.d. 1 maart 2012  samenstellingswerkzaamheden verricht (met ingang van het boekjaar 2011) voor [C] B.V. (een vennootschap van [D]), [X1] B.V. (klaagster 1), [E] B.V. en [X2] B.V. (klaagster 2), alsmede de aangiften vennootschapsbelasting voor deze vennootschappen verzorgd. Op basis van dezelfde opdrachtbevestiging heeft betrokkene de aangiften inkomstenbelasting verzorgd van [D] en [A], inclusief de aangiften van hun respectievelijke fiscale partners.

2.3       De financiële administratie van de betrokken vennootschappen werd door deze zelf verzorgd. Dit omvatte ook het opstellen van verkoopfacturen, het verzorgen van de betalingen en het opstellen en indienen van de aangiften omzetbelasting.

2.4       Betrokkene stelde de jaarrekeningen samen aan de hand van de financiële administraties. De concept-jaarrekeningen van [X2] B.V. en [E] B.V. werden door betrokkene jaarlijks gezamenlijk met [D] en [A] besproken en aan hen toegelicht. De jaarrekeningen van de persoonlijke holdings ([C] B.V. en [X1] B.V.) werden afzonderlijk met [D] respectievelijk [A] besproken. Na instemming met de concept-jaarrekeningen door [A] en [D] werden de jaarrekeningen definitief. Bij de jaarrekeningen 2011 tot en met 2013 is een samenstellingsverklaring verstrekt. De jaarrekeningen van [X2] B.V. en [E] B.V. zijn ondertekend door [D] en [A] namens de holdings. De jaarrekeningen van de persoonlijke holdings zijn ondertekend door [D] onderscheidenlijk [A]. Bij elke jaarrekening 2011 tot en met 2013 is een ondertekende bevestiging afgegeven. Na de bespreking van de jaarrekeningen 2011 tot en met 2013 is een besprekingsverslag opgesteld dat aan de desbetreffende cliënt is gezonden. Voor het boekjaar 2014 zijn de jaarrekeningen in concept opgesteld, waarbij in de aanbiedingsbrief is vermeld dat nog geen samenstellingsverklaring werd verstrekt.

2.5       Eind september 2015 heeft [D] aan betrokkene medegedeeld dat [A] de samenwerking met [D] ter discussie had gesteld. Daarop heeft betrokkene op 30 september 2015 contact gehad met [A] die de mededeling van [D] bevestigde. Tussen [A] en betrokkene is toen afgesproken dat betrokkene de beide heren zou uitnodigen voor een gesprek ten kantore van [Y] Accountants; daarvoor werd een afspraak gemaakt voor 28 oktober 2015. Bij het gesprek op 28 oktober 2015 waren naast [A], [D] en betrokkene ook aanwezig [B] AA van [F] Accountants te [plaats2] (als adviseur van [A]) en [G] RA, de vader van betrokkene en eveneens verbonden aan [Y] Accountants. De bespreking werd afgebroken zonder dat overeenstemming werd bereikt over vervolgstappen.

2.6       Per e-mail van 17 november 2015 heeft betrokkene op verzoek van [D] voorgesteld dat partijen toch nog eens rond de tafel zouden gaan zitten. Daarop is geen reactie gekomen en een tweede bespreking heeft niet meer plaatsgevonden. In de maanden nadien is het conflict tussen [D] en [A] verscherpt.

3.         De klacht

3.1       Betrokkene heeft volgens klaagsters gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels door de door hem in acht te nemen fundamentele beginselen a) integriteit, b) objectiviteit en c) zorgvuldigheid te schenden.

3.2       Ten grondslag aan de klacht liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door en namens klaagsters gegeven toelichting, de verwijten dat betrokkene:

ad a)    in de jaarrekeningen van [X2] B.V. ten onrechte jarenlang een management fee voor [C] B.V. heeft opgenomen;

ad b)    bij het opstellen van de jaarrekeningen slechts de belangen van [C] B.V. / [D] heeft vooropgesteld en zich door de belangen van [D] heeft laten leiden, waardoor er sprake is van een belangentegenstelling en ongepaste beïnvloeding door [D];

ad c)    onzorgvuldig heeft gehandeld door:

-        te weigeren gegevens door te sturen naar [B] AA (de nieuwe accountant van klaagsters) ondanks dat er toen geen facturen van betrokkene aan [A] en/of diens vennootschappen openstonden;

-        geen melding van betalingsonmacht bij [X1] B.V. aan de Belastingdienst te doen;

-        het (telkens) opnemen van de rekening-courantvordering van [X1] B.V. op [C] B.V..

3.3       Wat door/namens klaagsters bij de mondelinge behandeling als nieuwe standpunten naar voren is gebracht, is door de Accountantskamer niet opgevat als nieuwe klachtonderdelen  (waarvan de inbreng op een dergelijk laat tijdstip overigens ook in strijd zou zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde) doch - voor zover het daartoe kan dienen - als een ondersteuning van de betwisting van het gestelde in de door en/of namens betrokkene gegeven weerspreking van de klacht.

4.         De gronden van de beslissing

Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Accountantskamer het volgende.

4.1       Op grond van artikel 33 Wet op de Registeraccountants (oud, hierna: Wet RA) en sinds 1 januari 2013 op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (hierna: Wab) is de registeraccountant bij het beroepsmatig handelen, onderscheidenlijk ten aanzien van zijn beroepsuitoefening, onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wet RA respectievelijk de Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

4.2       Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet, voor zover dit plaats had in de periode van 1 januari 2007 tot 4 januari 2014, worden getoetst aan de in die periode geldende Verordening gedragscode (RA’s) (hierna: VGC) en daarvan in dit geval het (voor alle accountants geldende) deel A en het (voor openbaar accountants geldende) deel B1 en, voor zover het plaatshad ná 4 januari 2014, aan de sindsdien geldende Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (hierna: VGBA).

4.3       Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klaagsters is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountants tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld.

4.4.1    Ter staving van het verwijt in klachtonderdeel a), luidende dat betrokkene in de jaarrekeningen van [X2] B.V. ten onrechte jarenlang een management fee voor [C] B.V. heeft opgenomen, is namens klaagsters aangevoerd dat een managementovereenkomst ter zake ontbreekt en dat [D] ([C] B.V.) ook geen substantiële werkzaamheden voor [X2] B.V. heeft verricht.

4.4.2    Van de zijde van betrokkene is tegen klachtonderdeel a) ingebracht dat door betrokkene in de jaarrekeningen van [X2] B.V. uitsluitend de aan [C] B.V. betaalde management fee is opgenomen, die bleek uit de financiële administratie van [X2] B.V. en dat betrokkene, omdat die financiële administratie van [X2] B.V. was opgesteld door en onder verantwoordelijkheid van haar bestuurders [X1] B.V. (klaagster 1) en [C] B.V., mocht vertrouwen op de juistheid van de facturen die maandelijks door [X2] B.V. werden geboekt en werden betaald ter zake van de aan [X1] B.V. en aan [C] B.V. toekomende management fee.

4.4.3    Deze weerspreking van klachtonderdeel a) is namens klaagsters niet (meer), althans onvoldoende, betwist. De Accountantskamer is van oordeel dat ook anderszins niet is gebleken of aannemelijk geworden dat voor betrokkene destijds reden(en) waren te vermoeden dat hetgeen hem in de financiële administratie van [X2] B.V. werd aangeleverd niet juist zou zijn. Een en ander leidt ertoe dat klachtonderdeel a), mede gelet op het hiervoor bij 4.3 overwogene, ongegrond moet worden verklaard.

4.5.1    Namens klaagsters is klachtonderdeel b), luidende dat betrokkene bij het opstellen van de jaarrekeningen slechts de belangen van [C] B.V. / [D] heeft vooropgesteld en zich door de belangen van [D] heeft laten leiden, toegelicht met de stelling dat betrokkene telkens in de balans van [X1] B.V. onder de activa ten onrechte een vordering op [C] B.V. (2014: € 22.125, 2013: € 21.691, 2012: € 21.266) heeft opgenomen.

4.5.2    Namens betrokkene is de klacht in onderdeel b) onder meer weersproken met het volgende.

De suggestie dat betrokkene zijn objectiviteit heeft laten varen en dat hij slechts het belang van [D] is gaan behartigen, is van iedere grond ontbloot en wordt door hem nadrukkelijk van de hand gewezen. Betrokkene merkt op dat zijn opstelling ten aanzien van de rekening-courantvordering van [X1] B.V. op [C] B.V. bepaald niet de conclusie rechtvaardigt dat [Y] uitsluitend oog had voor de belangen van [D]. Het belang van [X1] B.V. was er immers mee gediend dat [Y] een kritische houding heeft ingenomen naar aanleiding van de verklaring van [A] en [D] dat zij over en weer niets meer van elkaar hadden te vorderen ondanks het feit dat de vordering van [X1] B.V. op de balans van 31 december 2010 stond. Zowel [A] als [D] toonden er overigens begrip voor dat betrokkene de bewuste vordering niet zonder nader onderzoek wilde laten vervallen.

4.5.3    Ook deze weerspreking is van de zijde van klaagsters niet (meer), althans onvoldoende, betwist. Onvoldoende gebleken of aannemelijk is geworden dat de rekening-courantvordering van [X1] B.V. op [C] B.V. telkens ten onrechte in de balans van [X1] B.V. onder de activa was opgenomen, laat staan dat betrokkene zich hierbij door de belangen van [D] heeft laten leiden en er sprake was van een ongepaste beïnvloeding door [D]. Deze terecht professioneel kritische houding van betrokkene wordt tevens bevestigd door diverse besprekingsverslagen, waaruit blijkt dat betrokkene de onderlinge vordering- en schuldverhouding telkens bij de bestuurders heeft aangekaart doch onvoldoende informatie ontving om de cijfers aan te passen, terwijl deze bestuurders ook nog ieder jaar bij de aldus door betrokkene samengestelde jaarrekeningen de bevestigingsbrief tekenden.

Al met al reden, mede gelet op het hiervoor bij 4.3 overwogene, om klachtonderdeel b) eveneens ongegrond te verklaren.

4.6.1    Klaagsters verwijten betrokkene in klachtonderdeel c) dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door:

-        te weigeren gegevens door te sturen naar [B] AA, de nieuwe accountant van klaagsters, ondanks dat er toen geen facturen van betrokkene aan [A] en/of diens vennootschappen openstonden;

-        geen melding van betalingsonmacht bij [X1] B.V. aan de Belastingdienst te doen;

-        het (telkens) opnemen van de hiervoor onder 4.5 bedoelde rekening-courantvordering.

4.6.2    Als weerspreking van klachtonderdeel c) is namens betrokkene onder meer het volgende aangevoerd.

Het eenmalige verzoek tot doorsturen van stukken naar [B] werd door [A] gedaan in diens e-mail van 30 oktober 2015 (productie 11 bij de klacht). Diezelfde dag heeft betrokkene met een e-mail aan [A] (productie 15) te kennen gegeven dat hij bereid was om de stukken aan [A] over te dragen mits [A] zich bereid zou verklaren de werkzaamheden van [Y] Accountants, waarmee een bedrag was gemoeid van € 2.282,- ex BTW, af te rekenen. Op 2 november 2015 liet [A] betrokkene per e-mail weten dat hij op de zaak zou terugkomen (productie 16). Op 4 november 2015 heeft betrokkene [A] een herinnering gestuurd (productie 17). Op 2 december 2015 zond betrokkene wederom een herinnering aan [A] (productie 18). Uit een e-mail van de heer [B] van 4 december 2015 bleek dat [A] het niet eens was met de factuur van [Y] Accountants (productie 19). In die e-mail werd tevens het verzoek gedaan om informatie te verstrekken inzake betalingsonmacht en kopieën van managementovereenkomsten. Diezelfde dag heeft betrokkene met een e-mail aan de heer [B] gereageerd (productie 20). In de bewuste mail heeft betrokkene er onder meer op gewezen dat [Y] Accountants geen originele stukken in haar bezit had.

Van een weigering van betrokkene om stukken af te geven is geen sprake geweest. Een dergelijke weigering zou overigens niet klachtwaardig zijn geweest, omdat [Y] Accountants wel degelijk een vordering had en zich op haar recht van retentie zou hebben kunnen beroepen.

Het onderhavige klachtonderdeel houdt tevens in dat [Y] onzorgvuldig zou hebben gehandeld door geen melding van betalingsonmacht te doen. Daartoe voeren klagers aan dat sprake is geweest van forse belastingachterstanden. Wat daaronder moet worden verstaan blijkt niet uit de klacht en [Y] bestrijdt dat sprake is geweest van enige betalingsachterstand van zodanige omvang, dat een melding betalingsonmacht noodzakelijk of gewenst zou zijn geweest.

4.6.3    Deze weerspreking is van de zijde van klaagsters ook niet (meer), althans onvoldoende, betwist. De Accountantskamer acht ook anderszins niet gebleken of aannemelijk geworden:

-        dat betrokkene stukken of gegevens van [A] en/of diens vennootschappen in zijn bezit had die moesten worden teruggegeven omdat daarop geen retentierecht kon worden toegepast;

-        dat bij [A] en/of diens vennootschappen sprake was van feitelijke betalingsonmacht en

-        dat, mede in het licht van het hiervoor onder 4.5.3 ten aanzien van klachtonderdeel b) overwogene, betrokkenes objectiviteit in het gedrang is geweest bij het (telkens) opnemen van de rekening-courantvordering als hiervoor bij 4.5.1 bedoeld.

Mede gelet op het hiervoor bij 4.3 overwogene moet daarom ook klachtonderdeel c) ongegrond worden verklaard.

4.7       Het voorgaande brengt met zich dat de klacht in alle onderdelen ongegrond moet worden verklaard, zodat de beslissing als volgt komt te luiden.

5.         Beslissing

De Accountantskamer verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.B. Werkhoven, voorzitter, mr. R.P. van Eerde en mr. W.M. de Vries (rechterlijke leden), P. Mansvelder RA en D.J. ter Harmsel AA RB (leden-accountant), in aanwezigheid van W. Welmers, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2017.

_________                                                                                          __________

secretaris                                                                                            voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Ingevolge artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift dient te zijn ondertekend en de gronden van het beroep te bevatten.