ECLI:NL:TNORARL:2014:40 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2013/208

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2014:40
Datum uitspraak: 29-07-2014
Datum publicatie: 19-02-2015
Zaaknummer(s): AL/2013/208
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen: Klacht gegrond met schorsing als notaris
Inhoudsindicatie:   Naar het oordeel van de kamer is het bijzonder laakbaar wanneer een notaris in het geheel niet (meer) ingaat op gestelde vragen en gedane verzoeken. Deze non-communicatie (zonder dat daar iets aan vooraf is gegaan waardoor dit gerechtvaardigd zou kunnen zijn) is een houding die een notaris onwaardig is. Ook is sprake van een grote mate van verwaarlozing van de zorgplicht jegens klagers door niet tijdig de aangifte erfbelasting in te dienen, door de nalatenschap niet af te wikkelen en door de erfdelen niet uit te betalen terwijl daarvoor geen enkele verschoonbare reden is gebleken.   Naar het oordeel van de kamer heeft de notaris op deze wijze de eer en het aanzien van het notariaat in bijzondere mate geschaad. De kamer acht de oplegging van een maatregel van schorsing in de uitoefening van het notarisambt voor de duur van drie maanden passend en geboden

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN                              

Kenmerk: AL/2013/208

Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van

[klager sub 1], wonende te Katlijk en

[klager sub 2], wonende te Katlijk,

[klager sub 3] , wonende te Katlijk,

in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen:

[A], wonende te Katlijk,

[B], wonende te Katlijk,

[C], wonende te Katlijk,

[D], wonende te Katlijk,

gemachtigde: mr. J.J. Lambeck, wonende te Oosterwijtwerd,

tegen

[notaris]

Partijen worden hierna klagers (sub 1, 2 en 3) en de notaris genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

-      de klachtbrief van 23 december 2013;

-      een brief van klagers van 11 januari 2014;

-      een e-mail van klagers van 22 januari 2014;

-      door de kamer naar de notaris gezonden brieven van 21 januari 2014, 24 januari 2014, 26 februari 2014 en 17 maart 2014;

-      een e-mail van klagers van 3 april 2014.

1.2 De klachtzaak is ter zitting van 27 juni 2014 behandeld. Klagers zijn verschenen bij gemachtigde mr. J.J. Lambeck. Ook de ouders zijn verschenen tezamen met één van de minderjarigen. De notaris is niet verschenen.

2. De feiten

2.1 Gelet op hetgeen klagers hebben aangevoerd gaat de kamer uit van de volgende feiten.

2.2 Op 11 januari 2012 is de heer [X], hierna erflater, overleden.

2.3 Erflater is familie van klagers. In het testament van erflater is klager sub 1 en de vier minderjarige kinderen benoemd tot zijn enige erfgenamen.

2.4 Sedert 12 januari 2012 heeft de notaris, als boedelnotaris en executeur, de nalatenschap van erflater in behandeling.

2.5 Na verkoop van de tot de nalatenschap behorende effectenportefeuille en de woning van erflater, bestaat de nalatenschap sedert oktober 2012 uit banktegoeden.

3. De standpunten

3.1 Klagers stellen zich op het standpunt dat de notaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld ter zake van de afwikkeling van de nalatenschap. In dat verband noemen klagers dat nog steeds niets is uitbetaald en dat op geen enkele wijze inzicht wordt verleend in de financiën, dat de aangifte voor de erfbelasting veel te laat is ingediend en de aanslag nog niet is opgelegd, zodat een hoge heffingsrente verschuldigd zal zijn. Ondanks verschillende verzoeken heeft de notaris geen financieel overzicht verstuurd. Als met de notaris contact wordt gelegd voor wat betreft de afwikkeling van en het geven van inzicht in de nalatenschap, worden door de notaris of zijn kantoorgenoten beloftes gedaan die vervolgens niet worden nagekomen. Voor het overige reageert de notaris niet of nauwelijks op brieven, telefonische verzoeken en e-mailberichten waarmee wordt gevraagd de nodige informatie te verstrekken. Ook achten klagers het klachtwaardig dat de gelden van de nalatenschap nog steeds op verschillende bankrekeningen staan in plaats van op de derdengeldenrekening van de notaris.

Klagers vragen ook om toepassing van het bepaalde in artikel 106 van de Wet op het notarisambt (Wna).

3.2 Van de notaris is geen enkele reactie ontvangen.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Ingevolge artikel 93, eerste lid, van de Wna zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt.

De kamer zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen en overweegt als volgt.

4.2 Voor zover door klagers een beroep op artikel 106 Wna is gedaan, is of wordt daarover door de (plaatsvervangend) voorzitter van de kamer een afzonderlijke beslissing genomen.

4.3 Op de door klagers bij de kamer ingediende klacht is door de notaris niet schriftelijk gereageerd. Ook op herhaalde (voor een deel aangetekend verzonden) verzoeken, is door de kamer geen reactie ontvangen. Vervolgens is de notaris, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Ook is geen bericht van verhindering ontvangen.

4.4 Gelet op het feit dat de notaris op geen enkele wijze heeft gereageerd op het door klagers gestelde, is de kamer van oordeel dat moet worden uitgegaan van het door

klagers gestelde en dat de notaris ter zake van de nalatenschap van erflater nalatig heeft gehandeld. Niet gesteld of gebleken is dat er voor de notaris verschoonbare redenen zijn om niet al geruime tijd geleden tot een definitieve afwikkeling en uitbetaling te komen. Ook het niet tijdig doen van de aangifte erfbelasting, het verstrekken van overzichten en het niet of niet afdoende reageren op verzoeken van klagers acht de kamer tuchtrechtelijk verwijtbaar. De kamer overweegt voorts dat de handelwijze van de notaris in het kader van deze procedure - ondanks herhaald verzoek, geen enkele reactie - past in het beeld dat klagers hebben geschetst.

De kamer zal de klacht dan ook gegrond verklaren.

4.5 Op de gegrondverklaring van een klacht, past in beginsel een tuchtrechtelijke reactie. Met betrekking tot de op te leggen sanctie overweegt de kamer het volgende.

Naar het oordeel van de kamer is het bijzonder laakbaar wanneer een notaris in het geheel niet (meer) ingaat op gestelde vragen en gedane verzoeken. Deze non-communicatie (zonder dat daar iets aan vooraf is gegaan waardoor dit gerechtvaardigd zou kunnen zijn) is een houding die een notaris onwaardig is. Ook is sprake van een grote mate van verwaarlozing van de zorgplicht jegens klagers door niet tijdig de aangifte erfbelasting in te dienen, door de nalatenschap niet af te wikkelen en door de erfdelen niet uit te betalen terwijl daarvoor geen enkele verschoonbare reden is gebleken.

Naar het oordeel van de kamer heeft de notaris op deze wijze de eer en het aanzien van het notariaat in bijzondere mate geschaad. De kamer acht de oplegging van een maatregel van schorsing in de uitoefening van het notarisambt voor de duur van drie maanden passend en geboden. De kamer is ermee bekend dat, in verband met de onderhavige klachtzaak, aan de notaris bij wege van ordemaatregel op grond van artikel 106, lid 1, Wna een schorsing is opgelegd. Zij zal bepalen dat de duur van die schorsing op de termijn van drie maanden in mindering wordt gebracht.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

5. Beslissing

De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden;

-        verklaart de klacht gegrond;

-        legt de notaris de maatregel op van schorsing in de uitoefening van het notarisambt voor de duur van drie maanden;

-        bepaalt dat de duur van de schorsing die aan de notaris bij wege van ordemaatregel op grond van artikel 106, lid 1, Wna is opgelegd, op de genoemde termijn van drie maanden in mindering wordt gebracht.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.M.J. Peters, plaatsvervangend voorzitter, mr. M.J. Blaisse, mr. J.N.J.G. Kuin, mr. K.H.H.J. Kuhlmann en A. Roesink-Kragt, plaatsvervangende leden, en in tegenwoordigheid van G.J. Doeleman, secretaris, door mr. M.L.J.C. van Emden-Geenen, plaatsvervangend voorzitter, uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2014.

De secretaris                                                                    De plaatsvervangend voorzitter