ECLI:NL:TGZRSHE:2025:81 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7222

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:81
Datum uitspraak: 16-07-2025
Datum publicatie: 16-07-2025
Zaaknummer(s): H2024/7222
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Verweerster, werkzaam bij een instelling die forensische ambulante zorg, klinische zorg en reclassering verleent, heeft als GZ-psycholoog zorg verleend aan klager. Klager is door het college niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht. Klager bedreigt verweerster langdurig na het beëindigen van de behandelrelatie tussen hen. Aan klager is door de rechtbank een contactverbod opgelegd. Het college oordeelt, aan de hand van de inhoud van brieven en de uitingen van klager in deze procedure, dat klager, hoewel de klacht op zichzelf wordt beoordeeld als een te behandelen klacht, zijn klacht enkel heeft willen indienen met als doel het contactverbod te omzeilen en bedreigingen te kunnen uiten aan het adres van verweerster. Het college overweegt, verwijzend naar artikel 3:303 BW, dat klager zijn klacht daarom zonder voldoende belang heeft ingediend en verklaart hem niet-ontvankelijk.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 16 juli 2025 op de klacht van:

[A],
thans verblijvende te [B],
klager,
gemachtigde: mr. N. van Wersch, werkzaam in Amsterdam,

tegen

[C],
GZ-psycholoog,
destijds werkzaam in [D], verweerster,
gemachtigde: mr. S.F. Tiems, werkzaam in Leiden.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Verweerster is werkzaam als zorgverlener bij een instelling die forensische ambulante zorg, 
klinische zorg en reclassering verleent. Zij verleent de zorg als GZ-psycholoog. Klager is bij de 
instelling onder behandeling geweest en verweerster was zijn behandelaar. De behandeling is niet 
kunnen worden voortgezet door verweerster in verband met diverse ernstige bedreigingen door klager. 
Klager is van mening dat verweerster de behandeling niet goed heeft uitgevoerd. Verweerster heeft 
dit betwist.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn 
klacht wegens misbruik van procesrecht. Hierna worden eerst de procedure en de feiten benoemd, 
daarna zal het college de klachtonderdelen benoemen en uitleggen waarom het tot het oordeel 
niet-ontvankelijkheid is gekomen.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift, ontvangen op 28 mei 2024;
-  het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 5 juli 2024;
-  de brief van klager, ontvangen op 22 juli 2024;
-  het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 22 juli 2024;
-  de brief van klager, ontvangen op 6 augustus 2024;
-  de brief van 17 september 2024 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerster;
-  het aanvullende verweerschrift, ontvangen op 27 september 2024;

-  de USB-stick, ontvangen op 27 september 2024 van de gemachtigde van verweerster;
-  het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 16 december 2024;
-  de brief van klager, ontvangen op 10 april 2025;
-  de brief van klager, ontvangen op 15 april 2025;
-  de nadere producties, ontvangen van de gemachtigde van verweerster op 21 mei 2025.

2.2   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 21 mei 2025. Klager is verschenen via een 
beeldbelverbinding. De gemachtigde van klager en de gemachtigde van verweerster zijn eveneens via 
een beeldbelverbinding verschenen. Verweerster was niet aanwezig, zoals zij tevoren ook aan het 
college had meegedeeld. Klager en de gemachtigde van verweerster hebben hun standpunten mondeling 
toegelicht. De gemachtigde van verweerster heeft pleitnotities voorgelezen en digitaal aan het 
college en de andere partij overhandigd.

3. De feiten
3.1   De strafrechter heeft klager bij vonnis van 13 juli 2022 een aantal voorwaarden opgelegd. 
Deze bestonden er onder meer uit dat klager onder behandeling zou komen van een zorgverlener. 
Verweerster was de uitvoerend behandelaar. Klager is door verweerster behandeld van 5 april 2023 
tot 24 januari 2024.

3.2   Verweerster had op 18 januari 2024 de laatste behandelafspraak met klager. Klager had 
voorafgaand aan dat moment een groot aantal appjes aan verweerster gestuurd. Verweerster heeft 
klager gevraagd of klager verliefd op haar was. Het gesprek is geëindigd toen klager opstond en 
wegliep.

3.3   Verweerster heeft daarover nadien bij de politie verklaard dat zij tijdens dit contact 
duidelijk had gemaakt dat zij enkel een vertrouwensband voelde in het kader van het 
hulpverleningstraject en dat zij geen andere gevoelens voor klager had.

3.4  De behandeling is vervolgens door verweerster gestaakt vanwege ernstige bedreigingen die zij 
na 18 januari 2024 van klager ontving.

3.5   De behandelovereenkomst als zodanig is niet beëindigd, omdat deze behandelovereenkomst is 
aangegaan met de instelling waar verweerster werkzaam is, niet met verweerster zelf. Door de 
instelling is aangeboden om de behandeling door een andere medewerker te laten voortzetten. Klager 
heeft afgezien van verdere behandeling.

3.6  Klager is evenwel doorgegaan met het uiten van bedreigingen. Zo heeft klager op
19 januari 2024 aan verweerster een bericht gestuurd dat luidde als volgt – inclusief taal- en 
spelfouten –:
“Je bent gegaan van de enige die ik vertrouw naar mn grootste vijand thanks. Als iemand
me zakelijk zo hard genaaid had was die dood geweest.”

3.7  Op 21 januari 2024 ontving verweerster het volgende bericht:
“spreek nooit meer een woord tegen of over mij geloof me je weet teveel laten we daar geen 
problemen door laten ontstaan dan laat je me geen keuze”.

3.8  Op 30 januari 2024 stuurde klager de volgende berichten aan verweerster:
“kijken hoelang we de bak ingaan als dr huis afgefikt word. Of 20k op laten halen door een
paar molukkers. Ook een leuk plan. De kankerslet gaat gevolgen zien Of een wekomstcomite op werk
(…)
Misschien dat k 10op dr hoofd zet gaan we kijken wie t laatst lacht
(…)
Ook al ga ik zelf dood in de brand die ik sticht in dr woonkamer Nieuwe levensdoel
haar leven verkankeren tot het level dat dr zelf een einde aan maakt om mn eigen plek weer op te 
eisen
Gaat haar hoofd op tafel
(…)
Zeg maar tegen dr de groete broek heeft dr naam en foto die agent wordt nu gebeld over half uurtje 
heeft die dr adres
dus als ik haar was zou ik ook maar een agent gaan bellen ofzo He is niet alsof dr kinderen 
dooggeschoten worden ofzo
En 20kop kan gaan pinnen verspreid over paar dagen zou wel vervelend zijn dan mag t gezin paar 
dagen de deur niet uit
(…)
Nu wordt ptss voor het hele gezin
(…)
Zet een klink op je deur
dan lopen ze niet zomaar binnen met cilindertrekker dan moeten ze daarna met koeveoet de deur 
openbreken
wraak word genomen Dan is het losgelaten (…)
Ze weet teveel
van meerdere mensen Heb alles al doorgestuurd
adres wordt al geregeld via een agent
(…)
heb je deze gekken nog niet gezien heeft hij donderdag nog een pistool tegen mijn hoofd aangezet
moet je nagaan wat daar thuis gaat gebeuren
(…)

Ahahahahahahaha Ik hoor net t adres is binnen ik d8 leuk om door te sturen maar hij wilt me niks 
zeggen via telefoon
Wel lastig dat ze werkt in de binnenstad nu word t chaos bij dr gezin
(…)
Ik zou ff niet thguis slapen als ik haar was en niet werken
(…)”

3.9  Op 30 januari 2024 heeft de werkgever van verweerster aangifte gedaan bij de politie.

3.10  Klager is op of rond 2 februari 2024 aangehouden. Op 13 februari 2024 is aan klager een 
contactverbod opgelegd door de rechtbank. Dit contactverbod is op 29 februari 2024 uitgebreid naar 
de instelling waar verweerster werkzaam is.

3.11  Op 28 maart 2024 heeft de werkgever van verweerster in verband met opnieuw door klager geuite 
bedreigingen richting verweerster aangifte gedaan. Deze bedreigingen waren geuit tijdens een 
gesprek dat klager had met de reclassering.

3.12  In de maanden mei, juni en juli 2024 heeft klager brieven gestuurd naar cliënten van 
verweerster, aan de regiebehandelaar en aan de werkgever van verweerster. Daarin heeft hij zich 
lasterlijk over verweerster uitgelaten. Eveneens heeft hij zich in die periode opnieuw dreigend 
uitgelaten tegenover verweerster.

3.13  In juni 2024 heeft klager zijn klacht ingediend bij het college. De klacht is op 13 juni 2024 
in behandeling genomen.

3.14  Op 24 augustus 2024 heeft klager de gemachtigde van verweerster gebeld en de voicemail 
ingesproken. In dit gesprek heeft klager opnieuw bedreigingen geuit aan het adres van verweerster.

3.15  Op 5 september 2024 heeft verweerster zelf aangifte gedaan van doodsbedreiging en belaging 
door klager.

3.16  Bij brief van 19 november 2024 heeft de werkgever van verweerster de gemachtigde van klager 
laten weten niet te kunnen ingaan op het verzoek tot toezending van het behandeldossier van klager 
vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen. De werkgever heeft daarbij – 
kort gezegd – gewezen op het feit dat zich ook informatie van andere behandelaren in het dossier 
bevindt, dat er doodsbedreigingen worden geuit door klager en dat hij heeft aangegeven personen te 
kennen buiten de penitentiaire inrichting die voor hem tegen betaling dreigementen zouden kunnen 
uitvoeren.

3.17  Op 16 april 2025 en op 24 april 2025 heeft het college twee brieven ontvangen van klager. De 
brieven zijn niet als processtuk aan het dossier toegevoegd omdat de brieven in de kern geen 
betrekking hadden op de klacht. Vanwege de dreigende inhoud zijn de brieven wel aan de gemachtigde 
van verweerster doorgestuurd. Klager is daarvan op de hoogte gesteld. Verweerster heeft deze 
brieven als producties overgelegd.

3.18  Klager heeft het college kort voor de zitting nog twee brieven gestuurd. Ook deze brieven 
zijn door het college niet als processtuk aangemerkt, maar wel naar de gemachtigde van verweerster 
gestuurd vanwege de ernstige bedreigingen die klager in deze brieven heeft geuit jegens verweerster 
en haar gezin. De gemachtigde heeft deze brieven als producties overgelegd. Een van de brieven 
betreft een nauwgezet martelplan van de kinderen van verweerster en verweerster zelf. Kort gezegd 
komen de bedreigingen neer op het martelen, castreren en verkrachten van de kinderen, alsmede het 
afsnijden van de genitaliën. Verweerster zou moeten toekijken en de genitaliën in haar mond gepropt 
krijgen.

4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1  Klager verwijt verweerster dat zij:
a) niet adequaat heeft gereageerd op het feit dat klager had aangegeven dat hij suïcidaal was. 
Verweerster heeft dit niet besproken met de regiebehandelaar van klager en/of met begeleid wonen;
b) haar beroepsgeheim heeft geschonden; zo heeft verweerster informatie van een andere patiënt met 
klager gedeeld en heeft zij informatie gegeven aan politie en justitie over klager;
c) ongepaste (seksueel getinte) opmerkingen heeft gemaakt en fysiek contact heeft gemaakt met 
klager;
d) klager aanvankelijk heeft gedwongen om door te gaan met de behandeling tot december 2023;
e) de behandeling in januari 2024 eenzijdig heeft beëindigd omdat klager verliefd zou zijn op 
verweerster;
f) geweigerd heeft om het medisch dossier van klager aan klager te verstrekken.

4.2   Verweerster heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn klacht 
en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel 
inhoudelijk gaat beoordelen, heeft verweerster het college verzocht de klacht ongegrond te 
verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Is klager ontvankelijk in zijn klacht?
5.1   Verweerster heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat klager niet- ontvankelijk zou 
moeten worden verklaard in zijn klacht. Ter onderbouwing van deze stelling heeft verweerster – kort gezegd – gewezen op het volgende. Klager heeft vanaf januari 2024 ernstige bedreigingen geuit richting verweerster. Verweerster verwijst onder meer naar de bedreigingen zoals geuit op 19 januari 2024, 21 januari 2024 en 30 januari 2024.
Op 13 februari 2024 is een contactverbod opgelegd, maar dat heeft klager niet weerhouden van het 
doen van bedreigingen. Zo heeft klager op 21 maart 2024 opnieuw bedreigingen geuit jegens 
verweerster door te bellen met een andere medewerker, waarna door de werkgever van verweerster op 
28 maart 2024 aangifte is gedaan.

5.2   In mei, juni en juli 2024 heeft klager smadelijke en lasterlijke brieven geschreven aan 
andere cliënten van verweerster en haar opnieuw bedreigd in deze brieven. Nadat klager op 11 juli 
2024 opnieuw een contactverbod werd opgelegd, heeft hij niettemin verweerster bedreigd, door het 
schrijven van een brief aan een andere cliënt van verweerster. Op 24 juli 2024 heeft klager aan de 
regiebehandelaar een brief gestuurd waarin verweerster en haar kinderen ernstig worden bedreigd. 
Eind juli 2024 heeft klager naar Veilig Thuis en de politie gebeld met ernstige bedreigingen jegens 
de kinderen van verweerster.

5.3   Nadat klager zijn klacht had ingediend heeft klager opnieuw ernstige bedreigingen geuit aan 
het adres van verweerster en haar kinderen. Via het college werd kort voor de zitting een brief 
ontvangen met een minutieus stappenplan hoe de kinderen van verweerster gemarteld zouden worden en 
hoe verweerster zou moeten toekijken, waarna zij levend in brand zouden worden gestoken. Volgens 
verweerster misbruikt klager het college om door te kunnen gaan met het bedreigen van verweerster 
en haar kinderen.

5.4   Verweerster doet nu een beroep op artikel 3:13 BW. Klager misbruikt volgens verweerster zijn 
bevoegdheid om een tuchtklacht in te dienen. Verweerster verwijst daarvoor naar de tekst van 
artikel 3:13 BW. Het is volgens verweerster duidelijk dat het klager enkel te doen is om zeer 
ernstige bedreigingen te kunnen uiten jegens verweerster die niet alleen zien op verweerster zelf 
maar ook op haar gezinsleden. Verweerster heeft nog gewezen op de uitspraak van het CTG van 7 
december 2022 betreffende de niet-ontvankelijkheid, alsmede op een uitspraak van het RTG Amsterdam 
en het RTG Zwolle.

5.5   Het college oordeelt als volgt. Het klachtrecht is een groot goed dat slechts in zeer 
uitzonderlijke gevallen dient te worden beperkt. Dat neemt niet weg dat ook in het tuchtrecht 
sprake kan zijn van misbruik van recht en dat ook het tuchtrecht bescherming behoort te bieden 
tegen gerechtelijke procedures die uitsluitend of overwegend het oogmerk hebben een ander te 
schaden, zoals opgenomen in de artikelen 3:13 jo. 3:15 van het Burgerlijk Wetboek. Misbruik van 
procesrecht kan ook worden gegrond op artikel 3:303 BW. De bepaling stelt dat zonder voldoende 
belang niemand een rechtsvordering toekomt. Artikel 3:303 BW eist dat de toewijzing van de 
vordering voldoende verschil maakt voor de positie van eiser om rechterlijke bemoeienis met de zaak 
te rechtvaardigen. Er moet sprake zijn van een relevant en respectabel – geen zuiver emotioneel – 
belang dat met de vordering is gediend. Het karakter van het tuchtrecht, namelijk een 
laagdrempelige mogelijkheid van het starten van een tuchtrechtprocedure, moet eveneens worden meegewogen bij de vraag of sprake is van misbruik van tuchtrecht. Dit laagdrempelige karakter maakt dat nog minder snel misbruik van 
tuchtrecht kan worden aangenomen.

5.6   Tegenover de laagdrempelige mogelijkheid voor klagers om een klacht te kunnen indienen staat 
dat tuchtklachten grote impact kunnen hebben op een verweerder, zowel emotioneel als financieel, 
dat laatste vanwege de kosten voor een advocaat, de gemoeide tijd, het zoeken van een vervanger en 
dergelijke. Daar komt in deze specifieke zaak bij dat klager verweerster en haar gezin al langere 
tijd zeer ernstig bedreigt en dat sprake is van een algeheel contactverbod, niet alleen geldend 
tegenover verweerster, maar ook tegenover alle medewerkers van de werkgever van verweerster. Deze 
bedreigingen duren tot op de dag van vandaag nog voort, zij het niet – zonder meer – rechtstreeks 
maar wel door middel van het indienen van stukken waarin bedreigingen worden geuit aan het adres 
van verweerster, alsmede via de gemachtigde van verweerster, die bedreigingen heeft ontvangen 
jegens verweerster door het inspreken daarvan op haar voicemail.

5.7   Het college staat nu voor een afweging of klager met zijn bevoegdheid om een tuchtklacht in 
te dienen enkel het doel voor ogen heeft om verweerster te schaden, dan wel in algemene zin zijn 
bevoegdheid om een tuchtklacht in te dienen misbruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is 
verleend. De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. Het 
enkele feit dat de klacht is ingediend door een oud- patiënt, ontneemt aan de klacht niet 
noodzakelijk het karakter van misbruik van procesrecht.

5.8   De casus zoals deze nu voorligt aan het college kan niet worden vergeleken met de door 
verweerster aangehaalde jurisprudentie. Er is in deze zaak immers geen sprake van het herhaald 
indienen van klachten of het feit dat de klacht van klager niet zou kunnen vallen onder de eerste 
of de tweede tuchtnorm. Ook de door klager ingediende klachtonderdelen, zoals hierboven onder 4.1 
benoemd, kunnen niet inhoudelijk zonder meer worden afgedaan als misbruik van procesrecht. De 
klachtonderdelen zien immers wel degelijk op het handelen van verweerster in haar hoedanigheid van 
zorgverlener van klager. Niettemin is het college van oordeel dat in dit geval klager misbruik 
heeft gemaakt van tuchtrecht door het tuchtrecht te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij 
is verleend. Daartoe overweegt het college als volgt.

5.9   Uitgangspunt van het tuchtrecht is dat de tuchtrechtprocedure bijdraagt aan de bewaking en de 
verbetering van de gezondheidszorg. Dit belang, dat ook klagers normaal gesproken voor ogen zou – 
moeten – staan, maakt dat een klacht in behandeling wordt genomen. Bij de beoordeling van een 
klacht wordt eveneens in acht genomen de vraag of verweerster de zorg heeft verleend die van haar 
verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende 
zorgverlener. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende 
beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen 
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Dit betreft een zakelijke beoordeling waarbij
– in beginsel – niet gekeken wordt naar de gevolgen van het handelen van een zorgverlener.

5.10  Klager heeft in onderhavig geval niet alleen een klacht ingediend die op voornoemde merites 
zou kunnen worden beoordeeld, maar gedurende de procedure heeft klager zich
– opnieuw – steeds meer op bedreigende wijze geuit richting verweerster en haar gezin. Het 
bedreigen van verweerster en haar gezin is al langere tijd gaande en wel op zodanige wijze dat 
aanvankelijk de werkgever van verweerster, en daarna uiteindelijk verweerster zelf zich genoodzaakt 
hebben gezien om aangifte te doen tegen klager. Er is voorafgaande aan de procedure ook de noodzaak 
geweest om een contactverbod te vragen, welk contactverbod ook door de rechter aan klager is 
opgelegd. Klager heeft na het opleggen van het contactverbod een klacht ingediend bij het college. 
Nadat het college deze klacht in behandeling heeft genomen, heeft klager verschillende brieven 
gestuurd. In deze brieven heeft klager zich op zodanige wijze jegens verweerster geuit dat het 
college zich genoodzaakt heeft gezien om verweerster daarvan middels haar gemachtigde op de hoogte 
te brengen. Hoewel dus de klacht aanvankelijk ging over inhoudelijke bezwaren betreffende de 
behandeling die klager had ondergaan, kan het college niet anders dan vaststellen dat klager 
gaandeweg de procedure de mogelijkheid heeft gezien dat hij middels het college zijn contactverbod 
kon omzeilen en zijn bedreigingen, die aanvankelijk ook tot het contactverbod hadden geleid, 
wederom aan verweerster kenbaar kon maken. Klager heeft daarbij ook meermalen aangegeven dat - zeer 
tot zijn ongenoegen- de behandeling door verweerster was gestaakt. Dit was nadat verweerster hem 
had duidelijk gemaakt geen gevoelens voor hem te hebben. Via het college heeft klager daadwerkelijk 
alsnog toegang gekregen tot verweerster en haar gezin. Zo heeft klager kort voor de zitting nog een 
aantal stukken ingediend waarin klager op gruwelijke wijze het gezin van verweerster en verweerster 
zelf heeft willen tarten. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft klager zich wederom zodanig 
bedreigend uitgelaten over verweerster en haar gezin dat klager als ordemaatregel is verwijderd uit 
de zittingszaal. In het licht van al deze feiten en omstandigheden kan het college niet anders 
concluderen dan dat klager zijn klacht enkel heeft willen indienen met als doel het contactverbod 
te omzeilen en bedreigingen te kunnen uiten aan het adres van verweerster. Dit is een ander doel 
dan het bewaken en verbeteren van de gezondheidszorg. Nu klager het tuchtrecht heeft gebruikt met 
een volstrekt ander doel dan waarvoor het is ingesteld, komt het college tot de slotsom dat sprake 
is van misbruik van recht door klager. Beslist wordt daarom als in het dictum vermeld.

5.11   In verband met de door klager geuite bedreigingen, ook richting het college, zal deze 
beslissing in geanonimiseerde vorm worden uitgesproken.

De beslissing
Het college:
-  verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht; 

-  bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt.


Deze beslissing is gegeven door de voorzitter, de lid-jurist, lid-beroepsgenoot 1, lid- beroepsgenoot 2 en lid-beroepsgenoot 3, bijgestaan door de secretaris,
en in het openbaar uitgesproken door de voorzitter op 16 juli 2025.