Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZREIN:2021:17 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 2083

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2021:17
Datum uitspraak: 03-03-2021
Datum publicatie: 03-03-2021
Zaaknummer(s): 2083
Onderwerp: Grensoverschrijdend gedrag
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Verwijt aan neuroloog dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie en onprofessioneel heeft gehandeld door klaagster te vragen zich geheel uit te kleden terwijl daar geen reden voor was en grensoverschrijdend heeft gehandeld door zijn hand in klaagsters slip te steken terwijl onderzoek in die regio niet nodig was. Het college oordeelt dat het door verweerder verrichte onderzoek naar het hart, de longen en het pulseren van de perifere arteriën in de liezen van klaagster geen onderdeel diende te zijn van de door hem verrichte neurologische expertise. Is sprake van grensoverschrijdend handelen en misbruik maken van positie. Tuchtrechtelijk verwijtbaar. Gegrond. Dat verweerder hand in onderbroek van klaagster heeft gestoken kan niet worden vastgesteld; dat klachtonderdeel is gedeeltelijk ongegrond. Maatregel. Berisping.

Uitspraak: 3 maart 2021

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 1 juli 2020 ingekomen klacht van:

[A]

wonende te [B]

klaagster

gemachtigde mr. S. Coerts te Harderwijk

tegen:

[C]

neuroloog

werkzaam te [D]

verweerder

gemachtigde mr. D. Schut-Wolfs te Amsterdam

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-          het klaagschrift

-          het verweerschrift

-          de fax van de gemachtigde van verweerder d.d. 7 september 2020

-          de producties van de gemachtigde van verweerder d.d. 10 september 2020

-          het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek gehouden op 22 oktober 2020

-          de pleitaantekeningen van de gemachtigde van klaagster.

De klacht is ter openbare zitting van 29 januari 2021 behandeld. Klaagster was daarbij aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vanwege persoonlijke omstandigheden niet verschenen. Namens verweerder was zijn gemachtigde aanwezig ter openbare zitting.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

In maart 2016 was klaagster betrokken bij een auto-ongeval. Zij is van achteren aangereden door een personenauto. Daarna traden lichamelijke klachten op, met name in haar rug en nek. Naar aanleiding van dit ongeval vond een letselschadeonderzoek plaats. In het kader van dat letselschadeonderzoek heeft de verzekeraar van klaagster bij verweerder, neuroloog, een “aanvraag medische expertise” gedaan op 2 december 2019.

In deze aanvraag medische expertise is het hiernavolgende vermeld:

“[naam klaagster] was op 15 maart 2016 betrokken bij een ongeval. Zij liep daarbij klachten op en heeft een beroep gedaan op een ongevallenverzekering, afgesloten bij [naam verzekeraar]. Voor nadere bijzonderheden aangaande het letsel, verwijs ik u naar de bijgevoegde correspondentie.

[naam verzekeraar] heeft mij, als medisch adviseur, verzocht de aard en omvang van het letsel en de mogelijke blijvende gevolgen daarvan te beoordelen.

Om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen, acht ik een aanvullend medisch onderzoek noodzakelijk.

Daarom wil ik u, mede namens de medisch adviseur van [naam letselschadebureau] verzoeken [naam klaagster] voor een geneeskundig onderzoek uit te nodigen, dit onderzoek zelf te verrichten en mij aan de hand van de hierna volgende vragen zo uitgebreid mogelijk te rapporteren. (…)

1.      Hoe luidt de anamnese?

Is er sprake van klachten op uw vakgebied, ongeacht de oorzaak?

2.      Wat zijn uw onderzoeksbevindingen?

Welke van de door betrokkene genoemde klachten kunnen door u worden geobjectiveerd?

3.      Welke diagnose(n) stelt u op uw vakgebied, ongeacht de oorzaak?”

Bij deze brief waren bijlagen gevoegd. Deze bijlagen behelsden een gedeelte van het medisch dossier van klaagster. Het ging om berichten van de afdeling radiologie, de huisarts, de behandelend neuroloog en de fysiotherapeuten van klaagster in de periode van 18 maart 2016 tot en met 12 september 2017.

Op 6 januari 2020 is klaagster door het medisch expertisebureau waaraan verweerder is verbonden, uitgenodigd voor een neurologische expertise. Bij deze uitnodiging was de bijlage “INFORMATIE BELANGHEBBENDE” gevoegd. In die bijlage is vermeld:

  “De expertise zelf bestaat uit het afnemen van de anamnese (…) en, indien van toepassing, een lichamelijk onderzoek. Het is van belang om te weten dat bij wettelijke aansprakelijkheid het gehele lichaam kan worden onderzocht en niet alleen het betreffende lichaamsdeel. Bij een ongevallenverzekering beperkt dit onderzoek zich tot het aangedane lichaamsdeel, inclusief aangrenzende gewrichten. (…)”

Op 21 januari 2020 vond het onderzoek van klaagster door verweerder plaats. Dit onderzoek bestond uit een anamnese en een lichamelijk onderzoek. Verweerder heeft een concept-rapportage opgesteld en deze toegezonden aan het medisch expertisebureau waaraan hij verbonden is. In deze conceptrapportage heeft hij onder meer vermeld:

“Over hals en hartvaten worden geen souffles gehoord.

De perifere arteriën pulseren beiderzijds voldoende”.

Verweerder is op 23 januari 2020 getroffen door multiple hersenbloedingen.

3. Het standpunt van klaagster

Verweerder wordt verweten dat hij:

-          misbruik heeft gemaakt van zijn positie;

-          onprofessioneel heeft gehandeld door klaagster te vragen zich geheel uit te kleden terwijl daar geen reden voor was en het onderzoeksprotocol daar ook duidelijk over was;

-          grensoverschrijdend heeft gehandeld door zijn hand in klaagsters slip te steken terwijl onderzoek in die regio totaal niet nodig was.

Klaagster heeft hieraan het volgende ten grondslag gelegd.

Zij heeft zich tot verweerder gewend voor een neurologisch onderzoek ten behoeve van haar ongevallenverzekering. Tijdens dit onderzoek heeft verweerder haar verzocht zich geheel (met uitzondering van haar onderbroek) uit te kleden. Dat was echter vanwege de aard van haar klachten (nek/rug) niet nodig. Klaagster heeft besloten haar beha niet uit te doen. Verweerder heeft haar toen preuts genoemd en tijdens het luisteren naar haar hart met de stethoscoop, gemopperd dat hij het onderzoek – vanwege de beha – niet goed kon uitvoeren.

Verder heeft verweerder haar beide liezen onderzocht door met zijn hand vanaf de buik in haar onderbroek te gaan en zijn hand vanuit die positie naar beide liezen te bewegen. Dat is volstrekt ongepast en klaagster verstijfde op dat moment. Zij stond perplex en kon niets meer zeggen.

In de schriftelijke uitleg die klaagster voorafgaand aan het onderzoek had ontvangen, was vermeld dat het onderzoek zich alleen had mogen beperken tot het deel van het lichaam waar zich klachten manifesteren. Verweerder had in het kader van zijn opdracht – het uitbrengen van een neurologische expertise ten behoeve van een ongevallenverzekering – geen onderzoek behoren te doen in de liezen naar het pulseren van de arteriën en het is de vraag of het onderzoeken van haar hart en longen noodzakelijk was.

Het vertrouwen van klaagster in artsen is door de handelwijze van verweerder aangetast.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder ontkent dat sprake is van grensoverschrijdend gedrag en hij is zeer aangedaan door het feit dat klaagster zijn onderzoek zo intimiderend en onprofessioneel heeft ervaren. Hij betreurt dat zeer omdat hij geen enkele verkeerde intentie heeft gehad. Verweerder verzoekt het college de klacht als ongegrond af te wijzen.

Hij heeft routinematig gehandeld en legt altijd uit dat hij een volledig lichamelijk onderzoek doet en welke controles hij uitvoert. Hij palpeert altijd de bloedvaten in de hals, liezen en enkels. Hiervoor heeft hij de onderbroek van klaagster opzij geschoven. Hij ontkent dat hij met zijn hand in de onderbroek van klaagster is geweest en klaagster tijdens dit onderzoek verstijfde. Hierover is ook niets opgenomen in de door hem opgestelde conceptrapportage. Ook ontkent hij dat hij klaagster preuts heeft genoemd. Als een patiënte haar beha niet wil uitdoen, zal hij haar nooit daartoe dwingen. Het is alleen voor hem dan wat lastiger om naar het hart en de longen te luisteren.

Verweerder is niet op de hoogte van de informatie die is opgenomen in de bijlage “INFORMATIE BELANGHEBBENDE” die klaagster bij de uitnodiging voor het onderzoek door verweerder heeft ontvangen. In dit geval was sprake van een onderzoek voor zowel de ongevallenverzekering als voor de WA-verzekering. Verweerder heeft dit afgeleid uit de omstandigheid dat de opdracht aan hem is verstrekt door de verzekeraar én het letselschadebureau dat de letselschade van klaagster behandelt. Verweerder kent het letselschadebureau als een WA-verzekeraar. Hij heeft hieruit afgeleid dat zijn onderzoek niet alleen in het kader van een ongevallenverzekering plaatsvond.

Verweerder houdt zich aan de richtlijnen van zijn eigen specialisme. Hij voert de expertises uit zoals voorgeschreven in de “Richtlijnen functieverlies – zesde editie” (hierna: de Richtlijnen). Hierin is vermeld (hoofdstuk 5, par. 5.1.2 Persisterende klachten na nekletsel): “Om uit te maken of dit beeld al of niet moet worden toegeschreven aan een aandoening van het zenuwstelsel, is het van essentieel belang dat bij iedere gelaedeerde met klachten die als ‘whiplash’ worden betiteld, een uitgebreide neurologische evaluatie plaatsvindt.”

Het onderzoek naar het pulseren van de perifere arteriën is van belang en relevant.

Verweerder is op 23 januari 2020 getroffen door multiple hersenbloedingen. Hij heeft last van ernstige restverschijnselen en zal hierdoor nooit meer expertisewerkzaamheden kunnen verrichten. Voor zover hij nog wel expertises in de toekomst zou kunnen uitvoeren, betekent de klacht voor hem dat hij het onderzoek naar het pulseren van de perifere arteriën minder routinematig en met een nog duidelijkere toelichting zal verrichten.

Verweerder voelt zich bezwaard dat hij niet in staat was ter zitting te verschijnen. Hij heeft

– door de hersenbloedingen – een korte concentratieboog, zijn emoties niet onder controle en kan een zitting mentaal niet aan. Hij is bereid desgevraagd medische vragen van het college schriftelijk te beantwoorden.

5.      De overwegingen van het college

Het college zal de drie klachtonderdelen gezamenlijk behandelen.

Bij de beoordeling van de klacht stelt het college het volgende voorop.

Waar het gaat om de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen, moet worden beoordeeld of verweerder, neuroloog, bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame en redelijk zorgvuldige beroepsuitoefening. Daarbij wordt rekening gehouden met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klaagster klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

 Het college is van oordeel dat de opdracht aan verweerder het verrichten van een neurologische expertise betrof. Dit kan worden afgeleid uit de brief van 2 december 2019 – gericht aan verweerder in zijn hoedanigheid van neuroloog – en de daarbij behorende bijlagen (het medisch dossier van klaagster vanaf het moment van het ongeval). Verweerder heeft de aan hem verstrekte opdracht overigens ook zelf begrepen als een verzoek tot het verrichten van een neurologische expertise. Het college wijst hierbij op de uitnodiging aan klaagster van 6 januari 2020 (“Uitnodiging neurologische expertise”) en de verwijzing van verweerder in zijn verweerschrift naar de inhoud van paragraaf 5.1.2. van de Richtlijnen en de daarin vermelde “uitgebreide neurologische evaluatie”.

De vraag die moet worden beantwoord is of het door verweerder verrichte onderzoek naar het hart, de longen en het pulseren van de perifere arteriën in de liezen van klaagster onderdeel diende te zijn van de door hem te verrichten (uitgebreide) neurologische expertise.

Verweerder betoogt dat hij altijd een volledig lichamelijk onderzoek doet en, met een beroep op paragraaf 5.1.2. van de Richtlijnen, dat het onderzoek naar het pulseren van de perifere arteriën in het kader van een uitgebreide neurologische evaluatie van belang is. Dat standpunt kan het college niet volgen.

Een volledige neurologische expertise omvat – ongeacht of sprake is van een expertise in het kader van een ongevallenverzekering of een WA-verzekering – de volgende onderdelen:

- de beoordeling van de hersenzenuwen;

- de beoordeling van de motoriek van de armen en benen;

- de beoordeling van de sensibiliteit van het gehele lichaam (te weten: armen, benen en romp);

- de inspectie van de gehele wervelkolom;

- de beoordeling van de beweeglijkheid van de nek en de lage rug.

Voor het zorgvuldig kunnen uitoefenen van deze onderzoeken is vereist dat de onderzochte zich ontkleedt, maar daarbij kan de onderzochte zijn/haar onderbroek en beha aanhouden.

Het staat vast dat verweerder in het kader van een neurologische expertise bij klaagster onderzoek heeft gedaan naar het hart, de longen en het pulseren van de arteriën in de liezen. Het onderzoeken van die lichaamsdelen behoorde echter niet tot de door hem te verrichten (uitgebreide) neurologische expertise. Voor verweerder bestond dus geen grondslag om, in het kader van de door hem te verrichten neurologische expertise en de daarbij voor hem geldende professionele standaard, die onderzoeken uit te voeren en klaagster daarbij ook te vragen haar beha uit te doen om beter naar haar hart en longen te kunnen luisteren. Ook bestond er geen grondslag om de onderbroek van klaagster opzij te schuiven en haar liezen te onderzoeken.

Verweerder heeft hierdoor jegens klaagster grensoverschrijdend gehandeld en misbruik gemaakt van zijn positie. Dat handelen is tuchtrechtelijk verwijtbaar. De omstandigheid dat verweerder routinematig zou hebben gehandeld, altijd een volledig lichamelijk onderzoek doet en uitlegt welke controles worden gedaan, kan voor dit grensoverschrijdend gedrag geen excuus vormen en ontneemt daaraan dus niet de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid. In zoverre is de klacht gegrond.

Door het college kan niet worden vastgesteld dat verweerder het onderzoek naar het pulseren van de arteriën in de liezen heeft uitgevoerd via de bovenzijde van de onderbroek van klaagster en door zijn hand van links naar rechts te bewegen. Verweerder heeft dit betwist en het ontbreekt het college – dat primair tot doel heeft de individuele gezondheidszorg te bewaken en niet om strafbare feiten op te sporen – aan mogelijkheden om afdoende te onderzoeken of verweerder de door klaagster gestelde werkwijze heeft gevolgd.

Ook kan niet worden vastgesteld dat hij klaagster preuts heeft genoemd. Verweerder heeft dit betwist en nu alleen klaagster en verweerder bij het onderzoek aanwezig waren, is niet vast te stellen wat verweerder exact heeft gezegd tegen klaagster.

Dit betekent dat, voor zover de klacht ook gebaseerd is op de wijze waarop het onderzoek in de liezen is verricht (klachtonderdeel 3) en verweerder klaagster preuts zou hebben genoemd, de klacht in zoverre niet kan slagen. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging ook tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag kunnen worden gelegd. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klaagster en verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen.

De maatregel

Het college zal de klacht gedeeltelijk gegrond verklaren nu klachtonderdeel 3 deels niet kan slagen. Het college zal verweerder de maatregel van berisping opleggen. Het college neemt hierbij in aanmerking dat het onderzoek naar de liezen, het hart en de longen en het daarbij aan klaagster vragen om haar beha uit te doen en het opzij schuiven van haar onderbroek, als grensoverschrijdend ten opzichte klaagster moet worden aangemerkt, nu daartoe geen noodzaak bestond. Verweerder heeft daardoor inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van klaagster, voor welke inbreuk geen enkele rechtvaardiging bestond. Daarbij past de maatregel van een berisping. Gelet op de ernst van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder kan een beroep op verzachtende omstandigheden (waaronder de huidige gezondheidstoestand van verweerder en de omstandigheid dat hij hoogstwaarschijnlijk zijn vak niet meer zal kunnen uitoefenen) niet slagen.

Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing worden gepubliceerd.

6. De beslissing

Het college:

-          verklaart klachtonderdeel 3 gedeeltelijk ongegrond;

-          verklaart de klacht voor het overige gegrond;

-          legt op de maatregel van berisping;

-          bepaalt dat deze beslissing nadat deze onherroepelijk is geworden in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekend gemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift “Medisch Contact”.

Aldus beslist door P.P.M. van Reijsen, voorzitter, F.C. Alink-Steinberg, lid-jurist,

B.C.A.M. van Casteren-van Gils, H.A.M. Veneman en R.B. van Leeuwen, leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van B.E.M.A. Jong-Miltenburg, secretaris, en uitgesproken door N.B. Verkleij op 3 maart 2021 in aanwezigheid van de secretaris.