Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZREIN:2016:31 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 15174

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2016:31
Datum uitspraak: 30-03-2016
Datum publicatie: 30-03-2016
Zaaknummer(s): 15174
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie:   15174 Tandarts. Verwijt geen goede zorg door onvoldoende controle conditie tandvlees, geen DPSI-metingen, ondanks tandvleesontsteking en beginnende parodontitis, en door niet te verwijzen naar mondhygiëniste. Gegrond. Geen DPSI-scores bijgehouden en geen pocketmetingen verricht. Geen aantekeningen in patiëntendossier. Strijd met protocol “Parodontale diagnostiek en behandeling”. Ondanks parodontitis en advies orthodontist geen extra behandelingen uitgevoerd noch klaagster verwezen naar mondhygiëniste of parodontoloog. Berisping gezien nalaten verweerder en vertoonde gebrek aan inzicht, waaronder ook zijn houding ten opzichte van de aanbevelingen van het CKC en het niet informeren van klaagster daarover.

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 12 november 2015 binnengekomen klacht van:

[A]

wonende te [B]

klaagster

tegen:

[C]

tandarts

werkzaam te [D]

verweerder

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-          het klaagschrift

-          het verweerschrift

-          de brief d.d. 18 december 2015 van de secretaris aan de gemachtigde van klaagster, waarop geen reactie is ontvangen

-          de brief d.d. 18 december 2015 van de secretaris aan verweerder, waarop geen reactie is ontvangen

-          de pleitnotitie overgelegd door klaagster.

Na ontvangst van het verweerschrift heeft de secretaris de zaak naar een openbare zitting van het college verwezen.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

De klacht is ter openbare zitting van 22 februari 2016 behandeld. Partijen waren aanwezig.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klaagster is vanaf 1985 tot en met 16 oktober 2012 onder behandeling geweest bij verweerder. Vanaf 2003 is een patiëntenkaart door verweerder bijgehouden.

Klaagster kwam twee keer per jaar op controle. Bij de halfjaarlijkse controles is een gebitsreiniging standaard vermeld op de patiëntenkaart. Ook is er op gezette tijden tandsteen verwijderd.

Klaagster heeft in 2006 een consult gehad bij een orthodontist voor advies met betrekking tot het rechtzetten van haar voortanden. De orthodontist heeft bij brief van 14 december 2006 aan verweerder een behandeladvies gegeven en heeft daarbij aandacht gevraagd voor de gingivitis/beginnende parodontitis. Volgens de orthodontist was er bijzonder en gegeneraliseerd sprake van bloeding en waren er met name in de molaarstreek enkele diepere pockets.

Op de behandelkaart van klaagster zijn geen DPSI-scores bijgehouden, noch zijn anderszins aantekeningen gemaakt betreffende de staat van de parodontitis.

Klaagster heeft op 11 juli 2012 een intake-consult gehad bij de opvolgend tandarts. Daarbij werd forse parodontitis geconstateerd. Er was sprake van diepe pockets in de gehele mond. Klaagster werd in overweging gegeven zich te laten behandelen door een parodontoloog. Er werd tevens opgemerkt dat het mogelijk was dat enkele elementen niet konden worden behouden. Klaagster is uitgebreid behandeld voor de parodontitis door de opvolgend tandarts, de mondhygiëniste en de parodontoloog. Element 28 is op enig moment geëxtraheerd.

Klaagster heeft bij brief van 23 april 2013 een klacht tegen verweerder ingediend bij het KNMT. De klacht is bij beslissing van 31 oktober 2013 gegrond bevonden en er zijn aanbevelingen gedaan aan verweerder.

3. Het standpunt van klaagster en de klacht

Klaagster verwijt verweerder – kort gezegd – dat hij jegens haar niet de zorg heeft betracht die van een goede beroepsbeoefenaar van hem verwacht had mogen worden door:

1)      bij de periodieke controles onvoldoende de conditie van het tandvlees van klaagster te controleren, onder andere door geen DPSI-metingen te doen, ondanks dat er al in 2006 sprake was van geconstateerde tandvleesontsteking en beginnende parodontitis, en

2)      klaagster ten onrechte niet door te verwijzen naar de mondhygiëniste, maar deze behandelingen zelf uit te voeren.

4. Het standpunt van verweerder

De praktijk van verweerder is een algemene tandartspraktijk. Er is wel een mondhygiëniste verbonden aan de praktijk, maar klaagster heeft nimmer te kennen gegeven naar de mondhygiëniste of de parodontoloog te willen. Ze heeft geen pijn of ontstekingen gehad. Haar mondhygiëne was niet optimaal gezien de hoeveelheid tandsteen die ieder half jaar werd verwijderd. Na het advies van de orthodontist zijn enige pockets extra behandeld. Deze behandeling is niet in rekening gebracht en staat ook niet op de patiëntenkaart vermeld. Verweerder is van mening dat de definitie van pockets in de literatuur niet eenduidig is en het meten ervan discutabel. Verweerder heeft klaagster wel gewezen op goede mondhygiëne maar de meeste patiënten houden zich niet aan de aanwijzingen. Volgens verweerder is het niet juist dat het steeds terugkeren van de tandsteen zonder meer moet leiden tot een verwijzing naar de mondhygiëniste of parodontoloog. Verweerder gebruikt de DPSI weinig in zijn praktijk maar werkt met de bloedingstest en met een pocketsonde als sprake was van pockets. Verweerder heeft het gebit van klaagster altijd goed schoongemaakt met curettes en mechanisch instrumentarium. In 1985 is eenmalig een partiële pocketstatus gemaakt die helaas niet bij de stukken zit.

5. De overwegingen van het college

Met betrekking tot klachtonderdeel 1) overweegt het college als volgt.

Het college stelt vast dat verweerder geen DPSI-scores heeft bijgehouden en geen pocketmetingen heeft verricht, gelet op de eigen verklaring van verweerder en het ontbreken van enige aantekening daarover in het patiëntendossier van klaagster. Evenmin kan uit het patiëntendossier worden opgemaakt of er bitewings zijn gemaakt, of uitleg is gegeven over de oorzaken en gevolgen van tandsteen en of door verweerder mondhygiëne-instructies zijn gegeven. Hoewel het bijhouden van DPSI-scores niet verplicht is, is het bijhouden van een dergelijke score wel gebruikelijk. Indien verweerder de status van het tandvlees van klaagster niet door middel van DPSI-scores had willen bijhouden, had hij dit echter wel op een andere wijze dienen te doen. In onderhavige klacht zaak heeft verweerder evenwel in het geheel geen pocketmetingen verricht, althans blijkt daarvan niet uit het patiëntendossier. Het bijhouden van pocketmetingen behoort tot de zorg die een beroepsgenoot in acht behoort te nemen. Het nalaten daarvan is in strijd met het protocol “Parodontale diagnostiek en behandeling”. Een dergelijke screening is ook nodig om de mogelijke progressie te kunnen vaststellen en advies te geven aan de patiënt. Het college is van oordeel dat verweerder door niet te handelen in overeenstemming met het protocol, niet de zorg in acht heeft genomen die hij als beroepsbeoefenaar behoort te geven. Dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel 2) stelt het college voorop dat dit klachtonderdeel, gelet op de toelichting ter zitting, aldus moet worden begrepen dat verweerder ondanks de parodontitis en ondanks het advies van de orthodontist, geen extra behandelingen heeft uitgevoerd noch klaagster heeft verwezen naar de mondhygiëniste of de parodontoloog. Vast staat dat nimmer een verwijzing naar een mondhygiëniste of parodontoloog heeft plaatsgevonden, ook niet na het advies van de orthodontist in 2006. Hoewel een verwijzing niet noodzakelijk is, dient dan tenminste door de behandelend tandarts een duidelijk behandelplan te worden uitgevoerd. Verweerder heeft weliswaar opgemerkt dat hij zelf enige pockets extra heeft behandeld en het gebit van klaagster altijd goed heeft schoongemaakt met curettes en mechanisch instrumentarium, maar dit blijkt niet uit het door verweerder bijgehouden patiëntendossier. Bovendien is dit door klaagster uitdrukkelijk bestreden. Daarom moet worden aangenomen dat verweerder geen duidelijk behandelplan heeft gehad ter bestrijding van de bij klaagster geconstateerde parodontitis. Het college is derhalve van oordeel dat verweerder, gelet op deze feiten en omstandigheden, heeft gehandeld in strijd met de zorg die van hem in zijn hoedanigheid moet worden verwacht. Klachtonderdeel 2) is eveneens gegrond.

Het college is van oordeel dat verweerder ernstig is tekortgeschoten in de zorg aan klaagster. Verweerder heeft alleen in 1985 een gedeeltelijke pocketstatus opgemaakt, waarbij ook overigens niet bleek van een behandelplan. Voorts heeft verweerder ook na 2006, toen hij was gewezen op de ernstige parodontitis, geen behandelplan opgesteld teneinde deze te verminderen en verdere parodontitis te voorkomen. Verweerder is ook door de uitspraak van het CKC van 31 oktober 2013 gewezen op zijn nalaten. Bovendien werd in deze uitspraak een aantal aanbevelingen gedaan aan verweerder en werd verweerder verplicht klaagster te informeren over gemaakte aanpassingen. Verweerder heeft ter zitting opgemerkt na de uitspraak slechts kleine veranderingen te hebben doorgevoerd omdat hij voornemens is zijn praktijk te beëindigen zodat verdere aanpassingen zijns inziens niet nodig waren.

Gezien het nalaten van verweerder alsmede het vertoonde gebrek aan inzicht in zijn handelen, waaronder ook zijn houding ten opzichte van de aanbevelingen van het CKC en het niet informeren van klaagster daaromtrent, is het college van oordeel dat aan verweerder de maatregel van berisping moet worden opgelegd.

6. De beslissing

Het college:

-          verklaart de klacht gegrond;

-          legt aan verweerder de maatregel van berisping op.

Aldus beslist door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk als voorzitter,

R.F. Lamp en W.J.D.M. van Beers als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van

mr. M. van der Hart als secretaris en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2016 in aanwezigheid van de secretaris.