ECLI:NL:TGZRAMS:2022:162 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4051
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:162 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-11-2022 |
| Datum publicatie: | 11-11-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2022/4051 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen psychiater gegrond, het college legt op de maatregel van berisping. Klager verwijt de psychiater dat hij onzorgvuldig en nalatig is geweest bij de uitvoering van de keuring (op last van het CBR is klager onderworpen aan een psychiatrische expertise ten behoeve van het verkrijgen van een verklaring van geschiktheid in het in het kader van een mededelingenprocedure). In dit verband heeft de psychiater klager gezien en nadien een rapport uitgebracht. Voorts verwijt klager de psychiater dat hij hem onvoldoende heeft gewezen op het correctierecht. De psychiater heeft de klacht bestreden. Het college is van oordeel dat het onderzoek van de psychiater en de rapportage niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Het rapport is onvoldoende inzichtelijk, consistent en zorgvuldig en vertoont op een aantal belangrijke punten verschrijvingen. Met betrekking tot het correctierecht is het college van oordeel dat de uitleg van de psychiater als ontoereikend moet worden beschouwd. Het college beveelt de psychiater aan in het vervolg gebruik te maken van het CBR-formulier ‘Toepassing correctie- en blokkeringsrecht’. De klacht is in beide onderdelen gegrond. Het college is met betrekking tot de op te leggen maatregel van oordeel dat zowel de keurling als de samenleving erop moeten kunnen vertrouwen dat een deskundigenrapport in het kader van een rijvaardigheidskeuring op een vakkundige en zorgvuldige tot stand komt. Er staan immers grote belangen op het spel, voor zowel de keurling (mogelijk verlies van het rijbewijs) als de samenleving als geheel (verkeersveiligheid). De psychiater heeft in dit geval op meerdere onderdelen onvoldoende blijk gegeven van de vereiste vakkundigheid en zorgvuldigheid. Klacht in al haar onderdelen gegrond, berisping. |
A2022/4051
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 11 november 2022 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende te B, klager, gemachtigde: C,
tegen
D,
psychiater, werkzaam te E,
verweerder, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. K.S. Waldron, werkzaam te Utrecht.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 15 maart 2022;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de aanvulling op het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 22 juni 2022 gehouden mondelinge vooronderzoek.
De zaak is behandeld op de openbare zitting van 30 september 2022. Beide partijen
zijn verschenen
en werden bijgestaan door hun gemachtigden.
2. Waar gaat de zaak over en wat is de beslissing?
Klager is aangehouden vanwege rijden onder invloed van alcohol. In opdracht van het
Centraal Bureau
Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) heeft de psychiater klager onderzocht. Hij heeft vastgesteld
dat
sprake is van alcoholmisbruik. Klager is zijn rijbewijs kwijtgeraakt. Klager verwijt
de psychiater
dat hij bij de uitvoering van het onderzoek onzorgvuldig en nalatig is geweest en
hem onvoldoende
heeft geïnformeerd over het correctierecht. Het college komt tot de conclusie dat
de klacht gegrond
is en licht dat hierna toe.
3. Wat is er precies gebeurd?
3.1 In oktober 2021 rond 01:00 uur is klager, rijdend op een snorscooter, bij een
reguliere
controle aangehouden voor rijden onder invloed van alcohol. Zijn ademalcoholgehalte
(AAG) was 815
microgram/liter.
3.2 Op last van het CBR is klager onderworpen aan een keuring (preciezer: een psychiatrise
expertise ten behoeve van het verkrijgen van een verklaring van geschiktheid in het
kader van de
mededelingenprocedure). In dit verband heeft de psychiater klager op 17 december 2021
gezien en
nadien rapport uitgebracht.
3.3 Voor zover relevant is in dit rapport het volgende opgenomen (citaat inclusief
eventuele taal-
en typefouten):
3.A Speciële anamnese alcohol Anamnese betreft alcoholgebruik
Betrokkene heeft van 19:00 tot 0:30 [in oktober] 2021 5-10 glazen wijn, maximaal 5
glazen bier en 1
glas cognac gedronken. Hij was zijn nieuwe baan aan het vieren in een restaurant met
3 vrienden.
Rond 0:30 en 0:45 de scooter gepakt. Hij voelde zich aangeschoten, en achtte zichzelf
in staat om
te rijden. Na ongeveer 1 km aangehouden, na een paar minuten. Hij wist dat hij niet
onder invloed
de scooter mocht besturen. Nooit eerder onder invloed van alcohol een voertuig bestuurd.
Hij heeft
zijn rijbewijs nodig voor zijn werk, accountmanager in de buitendienst. Hij moet zijn
klanten in de
omgeving van F bezoeken.
Voor de aanhouding.
1 keer/week op zaterdag, 6 AE. Op feestjes 5-10 AE, voor de corona, 1 keer/ 2 maanden.
Dit
drinkpatroon heeft hij al jaren.
Sinds de aanhouding gebruikt hij minder alcohol, alleen op zaterdag 2 AE. Nooit eerder
aangehouden
ivm alcoholgebruik in het verkeer.
(…)
9. Psychiatrische diagnose, conclusie en advies
Betrokkene is 54 jaar.
Betrokkene komt nu bij mij voor een psychiatrische expertise in het kader van het
verkrijgen van
een verklaring van geschiktheid mbt mededelingen procedure.
• Bij lichamelijk en psychiatrisch onderzoek werden geen afwijkingen gevonden.
• Het bloedonderzoek van betrokkene laat geen afwijkingen gezien
Stoornis van alcoholmisbruik kan volgens DSM V criteria niet worden gesteld, daar
hij niet voldoet
aan de criteria hiervoor.
Op de dag van aanhouding maximaal 16 AE alcohol gedronken over een periode van 4,5
uur. Bij een AAG
van 815 microgram/l is de verwachting dat iemand zonder tolerantie voor alcohol duidelijke
effecten
ervaart, waaronder in ieder geval een dronken gevoel. Desondanks stelt betrokkene
ten tijde van de
aanhouding zich aangeschoten gevoeld te hebben en in staat om de auto te besturen.
Dit duidt het
meest waarschijnlijk op tolerantie voor alcohol, wat ontstaat door overmatig alcoholgebruik
(DSM V
criterium A 10).
Er zijn sterke aanwijzingen die pleiten voor onderrapportage van het alcoholgebruik.
Er is sprake
van een opvallende tolerantie tussen de beschreven tolerantie enerzijds en de algemene
alcoholanamnese anderzijds. Het is niet aannemelijk dat betrokkene alleen 1 keer/week
op zaterdag 6
AE en op feestjes 5-10 AE (voor de corona, 1 keer/ 2 maanden) gebruikt.
Bij het opgegeven gebruik is een dergelijke tolerantie onwaarschijnlijk. Binnen een
dergelijk
gebruikspatroon is het niet aannemelijk dat er zo ver wordt doorgeschoten als in deze
casus. Hij
heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk, accountmanager in de buitendienst. Hij
moet zijn klanten
in de omgeving van F bezoeken. Door op de dag van de aanhouding alcohol te gebruiken
heeft hij zijn
werk in gevaar gebracht. Dat is ook een aanwijzing voor alcoholmisbruik.
Hoewel bovenstaande bevindingen afzonderlijk niet concludent hoeven te zijn, is juist
de combinatie
suspect voor alcoholproblematiek ten tijde van de laatste aanhouding. Zeker ook indien
deze worden
bezien in het licht van de duidelijk verhoogde prevalentie van stoornissen in het
gebruik van
alcohol in de populatie die is aangehouden vanwege het rijden onder invloed van alcohol.
Dit
overwegende dient de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in de zin der wet te
worden gesteld.
Ik wil daarbij ook nadrukkelijk wijzen op de strenge opstelling die van mij als keurend
psychiater
in deze wordt verwacht op basis van de “regeling eisen geschiktheid 2000” aangaande
de
interpretatie van mijn bevindingen.
Betrokkene geeft aan het gebruik van alcohol sinds 1-11-2021 te hebben gereduceerd.
Het
laboratoriumonderzoek liet geen aanwijzingen zien voor drugsmisbruik. Het lijkt derhalve
aannemelijk dat betrokkene vanaf voornoemde datum met drugsgebruik is gestopt.
Er zijn daarnaast op psychiatrisch gebied geen relevante aandoeningen die van invloed
zouden kunnen
zijn op de verkeersveiligheid.”
4. Wat houdt de klacht in?
Klager verwijt de psychiater dat hij:
a) onzorgvuldig en nalatig is geweest bij de uitvoering van de keuring;
b) klager onvoldoende heeft gewezen op het correctierecht.
5. Wat is het verweer?
De psychiater heeft de klacht bestreden. Het verweer wordt voor zover nodig hierna
verder
besproken.
6. Wat zijn de overwegingen van het college?
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
6.1 De vraag is of de keurende psychiater gehandeld heeft zoals van hem mocht worden
verwacht. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling
wordt
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en de stand van
de wetenschap
ten tijde van het handelen.
6.2 Meer in het bijzonder zijn op het handelen van de psychiater van toepassing:
de
(ministeriële) Regeling eisen geschiktheid 2000, de Richtlijn diagnostiek van stoornissen
in het
gebruik van alcohol in het kader van CBR-keuringen van de Nederlandse Vereniging voor
Psychiatrie
(NVvP) en de richtlijn Alcoholmisbruik in het kader van rijgeschiktheidskeuringen
van de Federatie
Medisch Specialisten (FMS).
6.3 Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
dient een
deskundigenrapport te worden getoetst aan de volgende criteria:
1. het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde
vraagstelling
te beantwoorden;
3. in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke
gronden de
conclusies van het rapport steunen;
4. het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte
literatuur en
de geconsulteerde personen;
5. de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het tuchtcollege toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van
vakkundigheid
en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien
van de conclusie
van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie
heeft kunnen
komen.
Klachtonderdeel a) Onzorgvuldigheid en nalatigheid bij de keuring
6.4 Het eerste klachtonderdeel houdt in dat de psychiater onzorgvuldig en nalatig
is geweest bij
de uitvoering van de keuring. Naar het oordeel van het tuchtcollege vertonen het onderzoek
en de
rapportage inderdaad tekortkomingen.
6.5 In de conclusie van het rapport stelt de psychiater eerst (en terecht) vast
dat van
alcoholmisbruik in de zin van DSM V geen sprake is, omdat het lichamelijke/psychiatrische
onderzoek
en het bloedonderzoek geen afwijkingen laten zien. Vervolgens bespreekt hij drie aanwijzingen
om
daaruit te concluderen dat wel voldaan is aan het ruimere criterium van ’alcoholmisbruik
in de zin van de wet’. Het college stelt vast dat daarbij ten onrechte geen
aandacht is besteed aan eventuele factoren die tegen deze vaststelling zouden kunnen
pleiten
(beschermende factoren). Hier wreekt zich – zoals ook ter zitting met de psychiater
besproken – het
feit dat de psychiater geen algemene psychiatrische anamnese heeft afgenomen, terwijl
ook een
hetero- c.q. sociale anamnese ontbreekt. Daarmee had hij zijn bevindingen in een breder
kader
kunnen plaatsen. In dit licht acht het college het evenmin juist dat de bevindingen
van het
laboratoriumonderzoek niet met klager zijn besproken en dat ook anderszins uit het
rapport niet
blijkt dat op de laboratoriumbevindingen is gereflecteerd.
6.6 Verder missen naar het oordeel van het college de drie door de psychiater genoemde
aanwijzingen voor alcoholmisbruik, ook op zichzelf genomen, voldoende feitelijke grondslag.
De
eerste aanwijzing, te weten tolerantie voor alcohol, berust op de door klager tegenover
een
opsporingsambtenaar afgelegde verklaring dat hij zich ten tijde van de aanhouding
aangeschoten
voelde en dat hij zich in staat achtte om de snorscooter te besturen. Een meer objectieve
onderbouwing hiervan – zoals een politieobservatie – ontbreekt in dit geval in het
rapport. Ter
zitting heeft de psychiater desgevraagd weliswaar toegelicht dat hij het rijgedrag
van klager,
diens toestand en de eventuele uiterlijke kenmerken van alcoholgebruik met klager
heeft doorgenomen
(en dat hij bij zijn oordeel bovendien heeft meegewogen wat de politie daarover had
geverbaliseerd), maar hij heeft nagelaten dit expliciet te maken in zijn rapport.
De tweede
aanwijzing bouwt hier in feite op voort, in die zin dat de gestelde onderrapportage
van het
algemene drinkpatroon van klager geheel steunt op de veronderstelde discrepantie met
de (in de
eerste aanwijzing) vastgestelde tolerantie. Ook de derde aanwijzing (het door verlies
van het
rijbewijs in gevaar brengen van werk) overtuigt niet zonder meer, nu de werkzaamheden
van klager
pas een maand later hun aanvang zouden nemen.
6.7 Ook de veronderstelling dat klager behoort tot een populatie met een duidelijk
verhoogde
prevalentie van stoornissen in het gebruik van alcohol komt het college niet zonder
meer
begrijpelijk voor, nu klager is aangehouden bij een algemene verkeerscontrole (hij
is in een
zogenoemde fuik gereden). Ook begrijpt het college niet wat de psychiater in deze
context bedoelt
met zijn opmerking over de strenge opstelling die van hem als keurend psychiater wordt
verwacht.
Behalve een verwijzing naar de Regeling eisen geschiktheid 2000 heeft hij hier, ook
ter zitting,
geen nader inzicht in kunnen geven.
6.8 Al met al komt het college tot de conclusie dat het onderzoek en het rapport
niet voldoen aan
de daaraan te stellen eisen. Daarbij is niet in de laatste plaats nog van belang dat
het rapport op
een aantal belangrijke punten verschrijvingen bevat. Zo wordt er in de concluderende
en adviserende
paragraaf van het rapport gesproken over een auto in plaats van een snorscooter, en
over
drugsmisbruik in plaats van alcoholmisbruik. Ook in die zin is het rapport onvoldoende
inzichtelijk, consistent en zorgvuldig. Het eerste klachtonderdeel is daarom gegrond.
Klachtonderdeel b) Correctierecht
6.9 Het tweede klachtonderdeel houdt in dat de psychiater klager onvoldoende zou
hebben gewezen
op diens correctierecht. De psychiater stelt dat hij tijdens het gesprek met klager
heeft
aangegeven dat hem dit recht toekomt. Hij heeft daarbij gewezen op het formulier ‘Rapport
van de
specialist. Verplicht onderzoek nav mededeling’. Daarin heeft hij bij vraag 3 ‘Heeft
u het inzage-,
correctie- en blokkeringsrecht besproken?’ het vakje ‘Ja’ aangekruist. Dit formulier
stuurt de
psychiater tezamen met het rapport naar het CBR. Klager geeft aan zich niet meer precies
te
herinneren wat de psychiater op dit punt met hem heeft besproken.
6.10 Naar het oordeel van het college moet het er onder deze omstandigheden voor
worden gehouden
dat het correctierecht inderdaad aan de orde is geweest tijdens het gesprek met klager,
hoe summier
wellicht ook. Tegelijkertijd stelt het college vast dat de psychiater in zijn begeleidende
mail bij
het conceptrapport aan klager schrijft: “U heeft inzagerecht en het recht ertoe dit
rapport te
blokkeren.” Het correctierecht wordt hier niet genoemd, ook elders in de mail niet.
Voorts wordt
tot tweemaal toe aangegeven: “Een reply met akkoord is voldoende.” Naar het oordeel
van het college
wordt door de keuze van deze laatste bewoordingen het aanbrengen van correcties actief
ontmoedigd,
of ontstaat in elk geval verwarring over het bestaan en de omvang van het correctierecht.
In die
zin moet de uitleg van het correctierecht door de psychiater als ontoereikend worden
beschouwd en
is de klacht gegrond. Het college beveelt de psychiater aan in het vervolg gebruik
te maken van het
CBR-formulier ‘Toepassing correctie- en blokkeringsrecht’. Daarin wordt aan degene
die de keuring
ondergaat, de strekking en betekenis van het correctie- en blokkeringsrecht toegelicht
en wordt de
betrokkene tevens een model antwoordformulier aangereikt.
Conclusie
6.11 De conclusie is dat de klacht in beide onderdelen gegrond is.
Maatregel
6.12 Wat betreft de op te leggen maatregel overweegt het college als volgt. Zowel
de keurling als
de samenleving moeten erop kunnen vertrouwen dat een deskundigenrapport in het kader
van een
rijvaardigheidskeuring op een vakkundige en zorgvuldige wijze tot stand komt. Er staan
immers grote
belangen op het spel, voor zowel de keurling (mogelijk verlies van rijbewijs) als
de samenleving
als geheel (verkeersveiligheid). De psychiater heeft in dit geval op meerdere onderdelen
onvoldoende blijk gegeven van de vereiste vakkundigheid en zorgvuldigheid, niet alleen
bij het
afnemen van het onderzoek maar ook bij het opstellen van de rapportage en bij de verdere
afwikkeling daarvan (correctierecht). De maatregel van berisping is derhalve op zijn
plaats.
Publicatie
6.13 Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen
dat andere
keurende artsen mogelijk lering kunnen trekken uit wat hierboven is overwogen.
7. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt de psychiater de maatregel op van berisping; en
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Tijdschrift voor Gezondheidsrecht,
Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist,
F.M.J. Bruggeman, A.E. van ’t Hoog en A.C.M. Kleinsman, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door R.
van der Vaart, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2022.