ECLI:NL:TGZCTG:2022:15 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.076
ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:15 |
---|---|
Datum uitspraak: | 10-01-2022 |
Datum publicatie: | 19-01-2022 |
Zaaknummer(s): | C2020.076 |
Onderwerp: | Overige klachten |
Beslissingen: | Herziening |
Inhoudsindicatie: | Herziening |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing op het verzoek tot herziening van:
A., huisarts, werkzaam te B., verzoekster,
gemachtigde: mr. M.A. Feeburg te Utrecht,
strekkende tot herziening van de beslissing d.d. 15 januari 2021 van het Centraal
Tuchtcollege gegeven in de zaak met nummer C2020.076 van:
A., huisarts, werkzaam te B., appellante, verweerster in eerste aanleg, gemachtigde:
mr. M.A. Feeburg te Utrecht,
tegen
C., wonende te D., verweerster in beroep, klaagster in eerste
aanleg.
1. Verloop van de procedure
1.1 A. - hierna de huisarts - heeft op 8 februari 2021 bij het Centraal Tuchtcollege
op de voet van artikel 52 Wet op de beroepen in de individuele Gezondheidszorg (Wet
BIG) juncto artikel 23 e.v. Tuchtrechtbesluit BIG een verzoek ingediend tot herziening
van de beslissing van 15 januari 2021, waarbij de maatregel van waarschuwing is opgelegd.
Het Centraal Tuchtcollege heeft mr. H.M. Wattendorff (plv. lid-jurist van het Centraal
Tuchtcollege) op de voet van artikel 25 lid 2 Tuchtrechtbesluit BIG benoemd tot rapporteur.
De rapporteur heeft op 5 juni 2021 schriftelijk verslag uitgebracht en geadviseerd
het verzoek tot herziening af te wijzen. Een afschrift van het advies is aan de gemachtigde
van de huisarts toegezonden. De gemachtigde heeft nog stukken toegestuurd.
1.2 Het verzoek tot herziening is behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal
Tuchtcollege van 3 december 2021. Verschenen zijn de huisarts, bijgestaan door haar
gemachtigde mr. M.A. Feeburg en mevrouw E.. De huisarts heeft bij monde van haar gemachtigde
haar standpunt toegelicht en heeft dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen
die zij aan het aan het Centraal Tuchtcollege heeft overhandigd. Tevens is de rapporteur
mr. H.M. Wattendorff verschenen.
2. Beslissing waarvan herziening wordt verzocht
De beslissing van het Centraal Tuchtcollege van 15 januari 2021 (zaaknummer C2020.076)
waarvan herziening wordt verzocht houdt zakelijk samengevat en voor zover van belang
voor de beoordeling van het herzieningsverzoek, het volgende in.
Klaagster is de dochter van patiënte. Zij heeft een klacht tegen de huisarts ingediend.
Die klacht luidt:
(a) de huisarts heeft onvoldoende lichamelijk onderzoek verricht naar de gezondheidstoestand
van patiënte, met name niet naar het hart en de longen;
(b) de huisarts heeft onvoldoende geluisterd naar klaagster, haar zus en patiënte
over het te voeren behandelbeleid en de behandelwensen.
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam heeft bij beslissing
van 24 januari 2020 de beide klachtonderdelen gegrond verklaard en aan de huisarts
de maatregel van waarschuwing opgelegd. De huisarts is van die beslissing in beroep
gekomen. Het Centraal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 15 januari 2021 dit beroep
verworpen en de maatregel van waarschuwing gehandhaafd. Van die beslissing heeft de
huisarts in deze procedure herziening verzocht.
3. Het herzieningsverzoek
De huisarts heeft aan het verzoek het volgende ten grondslag gelegd. De gevoerde tuchtprocedure
is niet eerlijk en niet zorgvuldig verlopen omdat noch het Regionaal noch het Centraal
Tuchtcollege de door haar meegebrachte getuige, mevrouw E. heeft willen horen. Hierdoor
is een fundamenteel rechtsbeginsel geschonden. De getuige is als praktijkverpleegkundige
bij de zorgvraag van de patiënte betrokken geweest. De getuige is bij het mondeling
vooronderzoek op 25 november 2019 en op de zitting van het Regionaal Tuchtcollege
op 17 december 2019 verschenen maar het Regionaal Tuchtcollege heeft niet toegestaan
dat de getuige werd gehoord. Ook in beroep heeft verzoekster verzocht de getuige te
horen, zowel in haar beroepschrift als bij afzonderlijke brief van 17 juli 2020 en
bij e-mail van 14 oktober 2020. De getuige is naar de zitting van het Centraal Tuchtcollege
op 22 oktober 2020 gekomen en is daar als getuige aangemeld. De zittingsvoorzitter
heeft echter niet willen ingaan op het verzoek om de getuige te horen. Dit is in strijd
met het aan de huisarts toekomende wettelijke recht zoals neergelegd in artikel 68
lid 2 Wet BIG alsmede artikel 13 lid 1 en artikel 22 Tuchtrechtbesluit BIG. De huisarts
verwijst in dit verband ook naar de brief van de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege,
mr. J.M. Rowel-van der Linde, van
19 april 2021 waarin wordt erkend dat hier in strijd met het Tuchtrechtbesluit BIG
is gehandeld.
De huisarts voert verder aan dat als deze getuige wel was gehoord en het Centraal
Tuchtcollege kennis had genomen van de feiten en omstandigheden waarover deze getuige
had kunnen verklaren, het college naar alle waarschijnlijkheid een andere beslissing
had genomen.
4. Het advies
De rapporteur heeft in haar advies van 5 juni 2021 vermeld dat niet is gebleken van
nieuwe omstandigheden die naar ernstig vermoeden tot een afwijkende beslissing zouden
hebben geleid zoals bedoeld in artikel 52 Wet BIG en concludeert tot afwijzing van
het verzoek. Volgens de rapporteur kan aansluiting worden gezocht bij het strafrecht
waarbij niet elk processueel gebrek, zoals het weigeren in te gaan op een verzoek
tot het horen van een getuige, ook indien die weigering niet terecht is, een grond
voor herziening oplevert.
5. Beoordeling van het verzoek tot herziening.
5.1 Artikel 52 van de Wet BIG luidt, voor zover relevant, dat herziening van een
onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing, waarbij een in artikel 48
eerste of derde lid van die wet omschreven maatregel wordt opgelegd, mogelijk is,
wanneer naderhand omstandigheden zijn gebleken die naar ernstig vermoeden tot een
afwijkende beslissing zouden hebben geleid, indien zij tijdig bekend waren geworden.
5.2 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat er -hoewel niet aan de letter
van artikel 52 Wet BIG wordt voldaan- grond is om het verzoek tot herziening toe te
wijzen. Daartoe is het volgende redengevend. Anders dan in het strafrecht moet de
op de terechtzitting verschenen getuige worden gehoord (art 13 lid 1 van het Tuchtrechtbesluit).
Dit voorschrift is in deze procedure niet door het Regionaal Tuchtcollege en ook niet
door het Centraal Tuchtcollege in acht genomen. De aangeklaagde huisarts is daardoor
in haar verdediging geschaad. De huisarts heeft immers een haar toekomend recht -het
doen horen van een getuige die uit eerste hand kan verklaren over de behandeling van
een patiënte waarover is geklaagd - niet kunnen uitoefenen. Als gevolg daarvan zijn
feiten en/of omstandigheden die mede tot beslissing van de zaak kunnen leiden niet
in de beoordeling betrokken. De procedure is ten opzichte van de aangeklaagde huisarts
onzorgvuldig geweest en aan een eerlijk proces heeft het ontbroken. Daarmee is een
fundamenteel rechtsbeginsel geschonden dat is neergelegd in het Europees Verdrag voor
de Rechten van de Mens (EVRM). Hoewel artikel 6 van het EVRM niet rechtstreeks op
de tuchtprocedure van toepassing is, wordt het daarin neergelegde beginsel van fair
trial c.q. hoor en wederhoor ook in het tuchtrecht aanvaard.
Een dergelijke schending rechtvaardigt in dit specifieke geval toewijzing van het
herzieningsverzoek omdat op deze wijze de misslag kan worden rechtgezet. Het Centraal
Tuchtcollege verwijst verder naar de rechtspraak in het advocatentuchtrecht, waarbij
de wetgever niet in het bijzondere rechtsmiddel van herziening heeft voorzien, maar
waarbij een dergelijk verzoek op grond van een herzieningsprotocol toch in behandeling
wordt genomen onder andere indien bij het hof geen sprake is geweest van een eerlijk
proces doordat een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden (zie beslissing Hof van
Discipline 21 juni 2021 ECLI:NL:TAHVD:2021:120).
Wat betekent dit en hoe nu verder?
5.3 Omdat het herzieningsverzoek wordt toegewezen, beveelt het Centraal Tuchtcollege
de opschorting van de uitvoering van de beslissing en verwijst de zaak ingevolge artikel
29 lid 1 van het Tuchtrechtbesluit BIG naar het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven.
Dit college zal de zaak opnieuw behandelen overeenkomstig het bepaalde in artikel
31 en 32 van het Tuchtrechtbesluit BIG. De meegebrachte getuige zal dan alsnog worden
gehoord. Het Regionaal Tuchtcollege zal dan beslissen of de beslissing van het Centraal
Tuchtcollege waarvan herziening is verzocht, wordt gehandhaafd of wordt vernietigd.
De stukken zullen worden door het Centraal Tuchtcollege overgedragen.
5.4 Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal publicatie van deze beslissing
worden gelast op de voet van artikel 71 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
6. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
Wijst het verzoek tot herziening van de beslissing van het Centraal Tuchtcollege van
15 januari 2021 toe;
Beveelt dat de uitvoering van de beslissing van het Centraal Tuchtcollege van 15 januari
2021 wordt opgeschort;
Verwijst de zaak naar het Regionaal Tuchtcollege Eindhoven ter verdere afdoening;
Beveelt dat de op de zaak betrekking hebbende stukken zo spoedig mogelijk naar dit
college worden overgedragen;
Bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt
in de Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht,
Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter; M.P. den Hollander
en
R.H. Zuijderhoudt, leden-juristen en M.K. Dees en F.M.M. van Exter, leden-beroepsgenoten
en H.J. Lutgert, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.