ECLI:NL:TGZCTG:2015:262 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2014.388

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2015:262
Datum uitspraak: 20-08-2015
Datum publicatie: 20-08-2015
Zaaknummer(s): c2014.388
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen huisarts. Verweerster heeft patiënte, de echtgenote van klager, op het spreekuur gezien en na onderzoek geconcludeerd dat sprake was van een beginnende buikgriep. Patiënte is in de avond overleden aan een septische shock op basis van een intestinale ischemie dunne darm. Klager verwijt verweerster onvoldoende onderzoek te hebben verricht en pijnklachten van patiënte te hebben genegeerd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het beroep van klager wordt verworpen.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2014.388 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

gemachtigde: mr. J.J.T. van Stiphout, advocaat te Helmond,

tegen

C., huisarts, werkzaam te D., verweerster in beide instanties,

gemachtigde: mr. L. Beij, verbonden aan VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.

1.         Verloop van de procedure

A. - hierna klager - heeft op 6 maart 2014 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. - hierna de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 19 augustus 2014, onder nummer 1459b, heeft dat College de klacht afgewezen.

Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 2 juni 2015, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door

mr. Van Stiphout voornoemd, en de arts, bijgestaan door mr. Beij voornoemd.

Mr. Van Stiphout en mr. Beij hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag

gelegd.

“2.       De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende:

Klager dient de klacht in als echtgenoot van mevrouw E., hierna te noemen patiënte. Patiënte is op 26 februari 2013 om 23.45 uur overleden. Op 26 februari 2013 om 14.55 uur zag verweerster, HIDHA in de praktijk van de vaste huisarts van patiënte, patiënte op het spreekuur. De afspraak was ingepland door de assistente van de huisartsenpost, waar patiënte die nacht om 04.00 uur was geweest in verband met bij haar bekende spasmen en buikpijn met braken. Patiënte kwam lopend binnen en vertelde dat zij vanaf de ochtend last had van misselijkheid en braken 30 minuten na het innemen van voedsel en dat zij het gevoel had flauw te vallen. Zij braakte in de gootsteen. Ze had geen diarree, maar juist moeite met de ontlasting. Verweerster heeft (onder meer) de buik onderzocht. Zij heeft de buik gepalpeerd en geconstateerd dat de buik soepel was met normale peristaltiek, wisselende tympanie en geen weerstanden met drukgevoeligheid in het epigastro. Er was geen loslaatpijn of defense musculaire.

Verweerster concludeerde dat sprake was van een beginnende buikgriep, gaf voorlichting en schreef medicatie voor, met de mededeling dat zij zich opnieuw moest melden als de klachten binnen vijf dagen niet verbeterden of bij progressie of verandering van het klachtenpatroon.

In de avond is patiënte overleden aan een septische shock op basis van uitgebreide intestinale ischemie dunne darm.

3.         Het standpunt van klager en de klacht

Het onderzoek van verweerster is onvoldoende geweest, gelet op het feit dat patiënte ’s nachts al naar de CHP was geweest, zij zeer spaarzaam naar de huisarts ging, bijna flauwviel bij binnenkomst, er sprake was van een opmerkelijke combinatie buikgriep met obstipatie en zij veelvuldig bleef braken.

Patiënte voelde wel degelijk pijn bij de palpatie.

4.         Het standpunt van verweerster

Patiënte had bij binnenkomst twee vragen. De eerste vraag was of zij kon stoppen met het gebruik van oxazepam en de tweede vraag was of de misselijkheid en braken verband hielden met dystonie.

Bij lichamelijk onderzoek zag verweerster een niet acuut zieke vrouw met helder bewustzijn die hemodynamisch stabiel was. Onderzoek van hart en longen toonde geen afwijkingen. Ook onderzoek aan de buik leverde geen bijzonderheden op. De temperatuur was goed.

Na het lichamelijk onderzoek heeft verweerster uitgelegd dat zij het braken toewees aan een mogelijk beginnende buikgriep. Zij heeft getracht de ongerustheid over het verband tussen braken en dystonie weg te nemen. Zij stopte de oxazepam en gaf domperidon tegen de misselijkheid. Zij gaf uitleg over de obstipatie en gaf ook daarvoor een recept mee.

Het bijna flauwvallen schreef zij toe aan de overgang van een koude naar een warme ruimte.

Klager is niet bij het onderzoek aanwezig geweest.

5.         De overwegingen van het college

Het college stelt voorop dat de door verweerster afgenomen anamnese en het op basis daarvan verrichte onderzoek beantwoorden aan de daaraan gestelde regels. Zowel de anamnese als het (buik)onderzoek zijn deugdelijk geweest.

Verweerster heeft de op basis daarvan door haar gestelde diagnose in redelijkheid kunnen stellen. Er waren geen, althans onvoldoende indicaties die noopten tot het stellen van een andere (differentiaal) diagnose, met name was er uit hoofde van de gegevens uit anamnese en onderzoek geen reden om de diagnose ischemie van de dunne darm  te stellen.

De klacht is daarom naar het oordeel van het college ongegrond.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.

4.         Beoordeling van het hoger beroep

4.1       Klager beoogt met zijn beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert – impliciet – tot gegrondverklaring van het beroep.

4.2            De arts voert hiertegen verweer en concludeert tot verwerping van het

beroep.

4.3       Wat betreft het verwijt van klager dat het onderzoek door de arts op

26 februari 2013 onvoldoende is geweest, overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt.

4.4       De verslaglegging in de status vermeldt wat betreft het consult op

26 februari 2013, voor zover relevant:

“S:       14.55u; komt binnen met melding dat ze bijna gaat flauwvallen, wil graag liggen, braakt in de gootsteen. heeft hele ochtend gebraakt. spuugt 30min na de intake. voelt zich er ellendig van, erg ziek, geen diarree, juist moeite met ontlasting. bang dat het van de spasticiteit komt.

O:        naz, acidot gb, brakend. pul gb, cor gb, abd soepel np wt drukgevoelig epigastrio, t37.3”.

4.5       In de stukken in eerste aanleg en hoger beroep, alsook ter zitting in hoger beroep, heeft de arts uiteengezet waaruit het onderzoek van de vrouw van klager – hierna patiënte – heeft bestaan. Hetgeen de arts hierover heeft verklaard wordt gesteund door de verslaglegging van het onderzoek in de status, welke de arts, naar zij heeft aangegeven, tijdens dan wel direct na het consult heeft bijgewerkt. Het Centraal Tuchtcollege heeft geen redenen om aan de verklaring van de arts omtrent het bijwerken van de status te twijfelen en volgt het Regionaal Tuchtcollege in het oordeel dat het door de arts verrichte onderzoek, gelet op de in de status vermelde symptomen,  beantwoordt aan de daaraan te stellen eisen.

4.6       In hoger beroep blijven partijen verdeeld over het antwoord op de vraag of patiënte tijdens het onderzoek heeft aangegeven dat zij hevige pijn in de buik had. Klager verklaart dat patiënte desgevraagd aan de arts geantwoord heeft ‘gruwelijke pijn’ te hebben; de arts verklaart dat er, afgezien van enige drukgevoeligheid in het epigastrio, aan haar door patiënte geen pijnklachten zijn gemeld. De verklaring van de arts vindt steun in de onder 4.4 opgenomen aantekeningen in de status.

4.7       I n dergelijke gevallen, waarin de lezingen van partijen omtrent een (onderdeel van de) klacht uiteenlopen en niet goed kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, kan die klacht c.q. dat klachtonderdeel in beginsel niet gegrond worden verklaard. Dit berust niet hierop dat het woord van klager minder geloof verdient dan het woord van de arts maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat bepaalde gedragingen van de arts haar tuchtrechtelijk kunnen worden verweten, eerst moet worden vastgesteld dat de feitelijke grondslag voor dat oordeel aanwezig is. In het onderhavige geval wil dat zeggen dat aannemelijk moet zijn dat de arts bij haar onderzoek hevige pijnklachten van patiënte heeft genegeerd. Dat is hier niet het geval.

4.8       Het voorgaande betekent dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht heeft afgewezen en dat het beroep van klager moet worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. K.E. Mollema, voorzitter, mr. A. Smeeïng-van Hees en mr. M. Wigleven, leden-juristen en dr. B.P.M. Schweitzer en drs. F.M.M. van Exter, leden- beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 augustus 2015.

Voorzitter  w.g.                                 Secretaris  w.g.