Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG0917 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2009.300

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG0917
Datum uitspraak: 17-02-2011
Datum publicatie: 17-02-2011
Zaaknummer(s): C2009.300
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klaagster verwijt de arts dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, omdat hij in een civiele procedure willens en wetens onjuist heeft verklaard omtrent de gezondheidstoestand van de inmiddels overleden echtgenoot van klaagster (meineed). De arts beroept zich op het beginsel van ‘ne bis in idem’ nu hij ten aanzien van zijn medisch handelen reeds tuchtrechtelijk is veroordeeld.  Subsidiair stelt de arts zich op het standpunt dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, nu de klacht geen medisch handelen zijnerzijds betreft. Regionaal Tuchtcollege verklaart klaagster niet-ontvankelijk. Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing, ontvangt klaagster in haar klacht. De tweede tuchtrechtnorm omvat tevens een handelen (of nalaten) door een BIG-geregistreerde in die hoedanigheid,  in strijd met het openbare algemene belang van een goede individuele gezondheidszorg. Centraal Tuchtcollege wijst de klacht af nu de verweten gedraging, te weten meineed, althans het opzettelijk onjuist verklaren, niet is komen vast te staan.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2009.300 van:

                                               A., wonende te B., appellante in het principaal beroep,                                                           verweerster in het incidenteel beroep, tevens klaagster in eerste                                              aanleg, gemachtigde: mr. R. Schoenmaker,

tegen

                                               C., huisarts, wonende te B., verweerder in het principaal                                                        beroep, appellant in het incidenteel beroep, tevens verweerder                                                in eerste aanleg, gemachtigde: mr. O.L. Nunes.

1.         Verloop van de procedure

            A. - hierna te noemen klaagster - heeft op 24 juli 2008 bij het Regionaal Tuchtcollege             te ‘s-Gravenhage tegen C. - hierna te noemen de arts - een klacht ingediend. Bij             beslissing van 1 september 2009, onder nummer 2008 O 124 heeft dat College klaagster niet-ontvankelijk verklaard.   Klaagster is van die beslissing tijdig in hoger     beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend, tevens   beroepschrift in incidenteel hoger beroep. Klaagster heeft een verweerschrift in    incidenteel hoger beroep ingediend.

            De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare  terechtzitting van het Centraal      Tuchtcollege van 30 november 2010, waar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door         mr. R. Schoenmaker, en de arts, bijgestaan door mr. O.L. Nunes.

2.         Beslissing in eerste aanleg

            Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende     overwegingen ten grondslag gelegd.

            “2. De feiten.

            De inmiddels overleden echtgenoot van klaagster heeft in 2006 een klacht tegen de arts ingediend waarin de arts werd verweten onvoldoende te hebben doorgevraagd naar de ontstaanswijze van het moedervlekje en de familieomstandigheden, onvoldoende diagnostisch onderzoek te hebben verricht, niet ruim genoeg te hebben weggesneden, ten onrechte geen pathologisch anatomisch onderzoek te hebben laten verrichten, onvoldoende nazorg te hebben gegeven en het medisch dossier onvoldoende te hebben bijgehouden. Deze klacht is gegrond verklaard en heeft er toe geleid dat de arts bij beslissing van 22 januari 2008 een berisping is opgelegd.

Op 15 september 2006 is bij de rechtbank D. een verzoekschrift ingekomen, strekkende tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor. Dit verzoekschrift is namens de echtgenoot van klaagster ingediend. Het is bij beschikking van

26 september 2006 toegewezen. In het kader van dit getuigenverhoor heeft de arts op 15 november 2006 een verklaring afgelegd.

3. De klacht.

Klaagster stelt dat de arts tijdens het voorlopig getuigenverhoor meineed heeft gepleegd door te verklaren dat de moedervlek ter hoogte van de linker  SIAS (spina iliaca anterior superior) zat, te weten ruim 10 centimeter onder de navel. Tijdens de behandeling van de klacht door het tuchtcollege had de arts daarentegen verklaard dat de moedervlak boven de navel had gezeten en het regionaal tuchtcollege heeft dit ook als vaststaand aangenomen.

4. Het verweer.

De arts heeft het standpunt ingenomen dat de onderhavige klacht op dezelfde feiten en gronden is gebaseerd als die in de eerdere klachtzaak, waarin onherroepelijk is beslist. Klaagster heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die een nieuwe behandeling zouden kunnen rechtvaardigen.  Klaagster kan daarom niet in haar klacht worden ontvangen.

De arts heeft voorts aangevoerd dat de wijze waarop hij zich als aangeklaagde partij in een procedure bij het regionaal tuchtcollege verweert en de wijze waarop hij als getuige in een civiel voorlopig getuigenverhoor een verklaring aflegt niet onder het toepassingsbereik van de Wet BIG valt. Het wettelijk tuchtrecht is hierop niet van toepassing. Van belang is dat geen sprake is van individuele gezondheidszorg in de zin van artikel 1 Wet BIG.

5. De beoordeling.

Met het eerste standpunt van de arts kan het College niet instemmen. In de vorige klacht ging het om de vraag of de arts de echtgenoot van klaagster de zorg had verleend, die deze van de arts had mogen verlangen. Thans gaat het er om of de arts door in het kader van het voorlopig getuigenverhoor een andere verklaring af te leggen dan in de tuchtprocedure meineed heeft gepleegd. Er is dus geen sprake van een berechting van handelen of nalaten waaromtrent ten aanzien van de arts reeds eerder een onherroepelijke eindbeslissing is genomen als bedoeld in artikel 51 Wet BIG.

Het tweede standpunt van de arts komt het College echter wel juist voor. Het afleggen van een verklaring in het kader van een civiel voorlopig getuigenverhoor kan niet worden aangemerkt als een handeling op het gebied van de individuele gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1 van de Wet BIG. Het College verwijst in dit verband naar een uitspraak van het Centraal tuchtcollege voor de gezondheidszorg van 18 december 2007, nummer 2006/190. In dit verband tekent het College nog aan dat ook in artikel 47 lid 1 aanhef en sub b van de Wet BIG sprake is van handelen in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg. Bij het thans aan de orde gestelde handelen was die gezondheidszorg niet aan de orde. Immers was niet aan de orde of de arts voldoende zorg aan de echtgenoot van klaagster had verleend. Dit heeft tot gevolg dat klaagster niet in haar klacht kan worden ontvangen.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

            Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de   feiten zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder            “ 2. De feiten” zijn weergegeven.

4.         Beoordeling van het hoger beroep

            4.1       Klaagster stelt dat het Regionaal Tuchtcollege haar ten onrechte niet-   ontvankelijk heeft verklaard in haar klacht tegen de arts. De klacht ziet op de meineed die de arts volgens klaagster heeft gepleegd door ten overstaan van de rechtbank D. als getuige/deskundige onder ede een onware verklaring af te leggen over de plaats waar een moedervlek zich bevond. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld, valt dergelijk handelen onder de tuchtrechtnorm van artikel 47 lid 1 sub a juncto artikel 47 lid 1 sub b van de wet BIG, aldus klaagster.

4.2       De arts stelt zich op het standpunt dat de aan de klacht ten grondslag liggende feiten geen betrekking hebben op het verlenen van individuele gezondheidszorg, zodat hem daarvan tuchtrechtelijk geen verwijt kan worden gemaakt. In incidenteel appel stelt de arts dat het Regionaal Tuchtcollege ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een berechting van handelen of nalaten waaromtrent ten aanzien van de arts reeds eerder een onherroepelijke eindbeslissing is genomen als bedoeld in artikel 51 wet BIG.

4.3       Klaagster heeft in incidenteel hoger beroep aangevoerd dat van een  ‘ne bis in idem’ situatie geen sprake is, nu de onderhavige klacht stoelt op andere feiten en andere handelingen van de arts dan waarover reeds door de tuchtrechter is geoordeeld.  In de eerdere procedure stond het medisch handelen van de arts ter discussie, thans gaat het om zijn meinedige verklaring bij de rechtbank D..

4.4       Het Centraal Tuchtcollege overweegt als volgt. De eerste vraag die moet worden beantwoord, is of een meinedige verklaring zoals die aan de arts wordt verweten- zo komt vast  te staan dat daarvan sprake is geweest - tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de arts kan opleveren. Van belang hierbij is dat het in het onderhavige geval weliswaar niet gaat om het verlenen van individuele gezondheidszorg, maar wel om gedragingen die daarmee nauw verband houden. Tevens moet worden vastgesteld dat de tuchtnormen zoals neergelegd in art. 47 lid 1 van de wet BIG niet alleen betreffen handelen of nalaten in strijd met de zorg die men als beroepsbeoefenaar behoort te betrachten (de eerste tuchtnorm), maar ook enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg (de tweede tuchtnorm). Het is onmiskenbaar de bedoeling van de wetgever geweest dat ook dit laatste handelen tot een tuchtrechtelijke veroordeling zou kunnen leiden, mits het handelen voldoende weerslag heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg (Kamerstukken II, 1985-1986, 19522, nr. 3, p. 75-76 en nr.7,  p. 97-98). Zie in gelijke zin de brief van de Minister van VWS van 17 november 2008 over de voornemens tot modernisering van het wettelijk tuchtrecht in de wet BIG (Kamerstukken II, 2008/2009, 31700 XVI, nr.89, p.10).

Het Centraal Tuchtcollege is thans van oordeel dat de omschrijving van handelingen op het gebied van individuele gezondheidszorg zoals opgenomen in art.1 wet BIG er niet zonder meer aan in de weg hoeft te staan dat handelen als waarvan in het onderhavige geval sprake is als tuchtrechtelijk relevant handelen aan de tuchtrechter ter beoordeling wordt voorgelegd, ook al is daarbij geen sprake van individuele zorgverlening.

4.5       Het handelen waarover wordt geklaagd voldoet naar de mening van het Centraal Tuchtcollege aan de voorwaarden om van tuchtrechtelijk toetsbaar handelen te spreken in de zin van de hierboven bedoelde tweede tuchtnorm. De arts die in een juridische procedure een verklaring aflegt omtrent wetenschap die hij als huisarts heeft met betrekking tot de behandeling van zijn patient, handelt in strijd met het (algemene) belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg indien zou komen vast te staan dat hij omtrent het medisch handelen opzettelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard.

In zoverre dient klaagster te worden ontvangen in haar klacht.

4.6       Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege kan op grond van hetgeen in de onderhavige procedure is gebleken niet meer worden vastgesteld  dan dat de arts op

15 november 2006 ten overstaan van de rechter kennelijk anders heeft verklaard omtrent de plaats op het lichaam van de heer E. waar zich de door hem, de arts, weggehaalde moedervlek bevond dan hij eerder heeft verklaard. Het Regionaal Tuchtcollege heeft immers in zijn uitspraak van 22 januari 2008 overwogen dat tussen klaagster en de arts niet in geschil is dat het in september 2005 gediagnostiseerde melanoom zich bevond op de plaats waar de arts op 20 mei 2005 een excisie had gepleegd. Daarmee is echter nog niet  vastgesteld dat sprake is geweest van een meinedige verklaring nu niet is gebleken dat de arts opzettelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard over de gezondheidstoestand van de heer E..

Aangezien de onderhavige procedure zich, anders dan een strafrechtelijk onderzoek,

er niet voor leent om vast te stellen of van meineed sprake is geweest en deze niet is komen vast te staan, moet de klacht worden afgewezen.

 4.7      De arts heeft in incidenteel beroep gesteld dat de klacht had moeten worden afgewezen omdat sprake is van schending van het beginsel van ‘ne bis in idem’ als bedoeld in artikel 51 wet BIG. Het Centraal Tuchtcollege volgt de arts niet in dit betoog en is van oordeel dat thans wordt geklaagd over andere gedragingen van de arts dan het handelen waarover het Regionaal Tuchtcollege te ’s-Gravenhage bij uitspraak van 22 januari 2008 (2006/H181) heeft geoordeeld. In de onderhavige zaak ligt niet het medisch handelen van de arts, maar het verwijt dat hij in strijd met de waarheid een onjuiste verklaring bij de rechtbank D. heeft afgelegd ter beoordeling voor.

4.8 Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal publicatie van deze beslissing    worden bepaald.

5.         Beslissing

            Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

                                               vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep;

                                               wijst de klacht af.

                                               bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG                                                zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en                                            zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Bedrijfs- en                                      Verzekeringsgeneeskunde, Gezondheidszorg Jurisprudentie                                      en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven in raadkamer door: mr. A.H.A. Scholten, voorzitter,

prof. mr. J.K.M. Gevers en mr. C.H.M. van Altena, leden-juristen en mr.drs. W.A. Faas en mr.drs. M.J. Kelder, leden-beroepsgenoten en mr. F.C. Burgers, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 17 februari 2011, door mr. K.E. Mollema, in tegenwoordigheid van de secretaris.

                                               Voorzitter   w.g.

                                               Secretaris  w.g.