Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2021:81 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/686223 / DW RK 20/322

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2021:81
Datum uitspraak: 10-12-2021
Datum publicatie: 10-12-2021
Zaaknummer(s): C/13/686223 / DW RK 20/322
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: KLager heeft na betekening van een vonnis op 27 februari 2020 contact opgenomen met de gerechtsdeurwaarder en toegezegd het eerste deel van de vordering meteen te voldoen en het tweede deel een maand later. Klager heeft op 1 maart 2020 het eerste deel voldaan. Op 24 maart 2020 heeft de gerechtsdeurwaarder loonbeslag gelegd voor de gehele vordering omdat klager zich niet aan de betalingsregeling zou hebben gehouden aangezien hij niet op 27 februari heeft betaald. Het niet controleren van het dossier voordat het beslag gelegd wordt is tuchtrechtelijk laakbaar. De maatregel van berisping wordt opgelegd. 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 12 april 2021 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/686223 / DW RK 20/322 ingesteld door:

[..],

wonende te [..],

klager,

tegen:

[..],

gerechtsdeurwaarder te [..],

beklaagde,

gemachtigde: [..].

Ontstaan en loop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 30 juni 2020, heeft klager een klacht ingediend tegen (een medewerker van) de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 21 september 2020, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 1 maart 2021 alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 12 april 2021.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           Bij vonnis van 4 februari 2020 van de kantonrechter te Groningen is klager veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag.

-           Bij exploot van 24 februari 2020 is het vonnis van 4 februari 2020 aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.

-           Klager heeft op 27 februari 2020 telefonisch toegezegd diezelfde dag de helft van de openstaande vordering te voldoen en het restant een maand later.

-           Omdat op 2 maart 2020 nog geen betaling op de rekening van de gerechtsdeurwaarder was ontvangen is de overeengekomen betalingsregeling komen te vervallen en is vervolgens op 24 maart 2020 executoriaal derdenbeslag gelegd onder [..] (werkgever) ten laste van klager.

2. De klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat  beslag op zijn inkomen is gelegd, terwijl hij een betalingsregeling was overeengekomen die hij ook is nagekomen. Klager heeft op 1 maart 2020 de eerste deelbetaling verricht. Ondanks dat werd op 24 maart 2020 loonbeslag gelegd. Klager heeft contact opgenomen met de gerechtsdeurwaarder nadat hij eveneens de tweede termijn had voldaan. De gerechtsdeurwaarder heeft te kennen gegeven dat de kosten van het beslag en de betekening voor klager komen en dat hij niet voornemens is het beslag op te heffen.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken en daarnaast gesteld dat aan klager, na het indienen van een interne klacht, het aanbod is gedaan de klacht in der minne af te doen en de kosten van het beslag te delen. Klager is hier

niet mee akkoord gegaan. Ter zitting heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder het aanbod gedaan de beslagkosten terug te betalen aan klager wanneer geoordeeld wordt dat het beslag ten onrechte is gelegd.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders en degene die is toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid bedoelde opleiding, onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor of tegen een medewerker van een gerechtsdeurwaarderskantoor. In het verweer heeft bovengenoemde gerechtsdeurwaarder zich opgeworpen als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

4.2 Klager heeft gesteld dat hij tijdens het telefoongesprek met de gerechtsdeurwaarder op 27 februari 2020 heeft toegezegd dat hij per ommegaande de helft van de openstaande vordering zou voldoen. Hij heeft vervolgens op 1 maart 2020 de eerste betaling gedaan. De gerechtsdeurwaarder stelt dat klager heeft toegezegd dat hij “diezelfde dag” de helft van de openstaande vordering zou voldoen. De betalingsregeling staat echter niet op papier, zodat niet geheel duidelijk is wat is afgesproken. Uit het door klager overgelegde transactieoverzicht blijkt dat klager op 1 maart 2020 een eerste betaling heeft verricht en op 3 april 2020 de restantbetaling van de oorspronkelijke vordering heeft voldaan.

4.3 Hoewel wellicht geconcludeerd zou kunnen worden dat klager bij de betaling van de eerste termijn niet heeft voldaan aan de mondeling afgesproken betalingsregeling, moet tevens worden vastgesteld dat ten tijde van het leggen van het beslag op 24 maart 2020 de eerste termijn reeds lang en breed was voldaan. Het vervolgens leggen van het loonbeslag zónder te controleren of er was betaald én voor het bedrag van de gehele vordering, is tuchtrechtelijk laakbaar. Van een gerechtsdeurwaarder mag immers worden verwacht dat de actuele stand in het dossier wordt gecheckt voordat tot beslaglegging wordt overgegaan, zeker als mondelinge afspraken zijn gemaakt over een betalingsregeling. Dit leidt ertoe dat de klacht terecht is voorgesteld.

4.4 De kamer is van oordeel dat gelet op het bovenstaande aanleiding bestaat aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op te leggen. De kamer benadrukt daarnaast de toezegging van de gemachtigde ter zitting dat de gerechtsdeurwaarder de kosten van het beslag, inclusief de betekening, aan klager zal restitueren.

4.5 De kamer zal de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 43a lid 1 onder a en b van de Gerechtsdeurwaarderswet jo de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882) tevens veroordelen in de proceskosten. Voor klager worden die begroot op het forfaitaire bedrag van € 50,-. Voor de procedure worden de kosten begroot op het forfaitaire bedrag van € 1.500,-.

4.6 Op grond van artikel 37 lid 7 van de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder aan klager het betaalde griffierecht vergoedt.

4.7 Op grond van voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kamer voor gerechtsdeurwaarders:              

  • verklaart de klacht gegrond;
  • legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klager, te begroten op € 50,-;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer, te begroten op € 1.500,-, met aanzegging dat de ex artikel 43 lid 6 van de Gerechtsdeurwaarderswet te bepalen termijn en de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder het bedrag van de kostenveroordeling moet voldoen, na het onherroepelijk worden van deze beslissing per brief aan de gerechtsdeurwaarder zal worden medegedeeld;
  • bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klager het betaalde griffierecht ad

€ 50,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. L. van Berkum, plaatsvervangend voorzitter, mr. M.L.S. Kalff en mr. J.M. Wisseborn, leden, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2021, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.