Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2021:75 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/685676 / DW RK 20/305

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2021:75
Datum uitspraak: 12-07-2021
Datum publicatie: 10-12-2021
Zaaknummer(s): C/13/685676 / DW RK 20/305
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klager heeft de hoofdsom voorafgaand aan de zitting voldaan, echter niet de bijkomende kosten. De gerechtsdeurwaarder had in dit specifieke geval meer coulance kunnen tonen door klager in de gelegenheid te stellen de restantvordering tevens te voldoen voorafgaand aan de zitting, er was immers geen betalingsonwil.De gerechtsdeurwaarder heeft de betaling van de hoofdsom niet meegedeeld aan de kantonrechter omdat dat gevolgen zou hebben voor de hoogte van het griffierecht. Indien die betaling wel door de kantonrechter zou worden meegenomen zou dat leiden tot een lager bedrag aan griffierecht hetgeen onvoordelig was voor klagers opdrachtgever. Het bewust onjuist informeren van de kantonrechter is tuchtrechtelijk laakbaar. Omdat de gerechtsdeurwaarder zijn werkwijze inmiddels heeft aangepast, wordt (slechts) de maatregel van berisping opgelegd

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 12 juli 2021 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/686288 / DW RK 20/325 ingesteld door:

[..],

wonende te [..],

klager,

tegen:

[..],

gerechtsdeurwaarder te [..],

beklaagde,

Ontstaan en loop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 1 juli 2020, heeft klager een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 9 augustus 2020, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 31 mei 2021 alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 12 juli 2021.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           op 21 februari 2020 heeft [..] haar vader [..] gemachtigd haar zaken waar te nemen;

-           op 23 februari 2020 en 28 februari 2020 heeft klager bedragen betaald aan de gerechtsdeurwaarder;

-           op 26 februari 2020 is de zaak door de kantonrechter behandeld;

-           op 11 maart 2020 heeft de kantonrechter de dochter van klager bij verstek veroordeeld tot de betaling van een vordering van de [..].

2. De klacht

Klager beklaagt zich samengevat over het volgende:

a. klager heeft de gerechtsdeurwaarder op 21 februari 2020 in kennis gesteld van het feit dat zijn dochter al maanden te kampen heeft met een ernstig GGZ probleem. In weerwil van klagers telefonische en schriftelijke verzoeken om zijn dochter niet nog zieker te maken heeft de gerechtsdeurwaarder toch contact met zijn dochter opgenomen. Het had niet veel gescheeld of de werkwijze had geresulteerd in een zelfmoord (poging);

b. de gerechtsdeurwaarder heeft niets ondernomen om met klager te overleggen en geheel onnodige kosten te vermijden. De gerechtsdeurwaarder heeft daarentegen de overbodige zitting bij de rechtbank laten doorgaan, ondanks het feit dat de hoofdsom op tijd voor de zitting betaald was;

c. de gerechtsdeurwaarder heeft valsheid in geschrifte gepleegd door te ontkennen dat de hoofdsom op tijd was betaald en vonnis te vragen voor het gehele bedrag in plaats van het restbedrag. Hierdoor is klagers dochter veroordeeld tot het betalen van te hoge griffiekosten.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van artikel 34 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) zijn gerechtsdeurwaarders, waarnemend gerechtsdeurwaarders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat -gerechtsdeurwaarders en degene die is toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid bedoelde opleiding, onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a. wordt overwogen dat klager dit klachtonderdeel niet nader heeft geconcretiseerd door aan te geven wanneer de gerechtsdeurwaarder contact heeft opgenomen met klagers dochter. Dit klachtonderdeel kan daarom niet worden beoordeeld.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b. wordt overwogen dat klager weliswaar voor de zitting de hoofdsom heeft betaald, maar niet de bijkomende kosten, waaronder die van de gerechtsdeurwaarder, die op dat moment wel verschuldigd waren. Dit betekent dat er nog een openstaande vordering was en het niet intrekken van de procedure voor de zitting in dit geval niet tuchtrechtelijk laakbaar is. Het zou de gerechtsdeurwaarder echter in onderhavige zaak wel hebben gesierd wanneer hij meer coulance zou hebben getoond door klager in de gelegenheid te stellen de restantvordering te voldoen en de procedure in te trekken bij de kantonrechter. Van betalingsonwil bij klager was immers niet gebleken. Naar het oordeel van de kamer heeft de gerechtsdeurwaarder die situatie te weinig laten meespelen bij de beoordeling van de te volgen stappen in de zaak.

4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c. wordt het volgende overwogen. De gerechtsdeurwaarder heeft meegedeeld dat er voor gekozen is de betaling van klager voorafgaand aan de zitting niet mee te delen aan de kantonrechter aangezien dat consequenties zou hebben voor de hoogte van het griffierecht waarin de dochter veroordeeld zou worden bij de kostenveroordeling. Indien de betaling wel was meegedeeld dan zou de dochter minder griffierecht hoeven te vergoeden aan de schuldeiser dan de schuldeiser moet betalen. Dit was bij hem destijds de bestendigde praktijk, aldus de gerechtsdeurwaarder. Dit klachtonderdeel is terecht voorgesteld. Door de werkwijze van de gerechtsdeurwaarder is klagers dochter ten onrechte veroordeeld tot vergoeding van het hoge tarief griffierecht aan de schuldeiser. Bovendien is het aldus – bewust – onjuist informeren van de kantonrechter op zich zelf laakbaar en kan van een gerechtsdeurwaarder anders worden verwacht. Ter zitting heeft de gerechtsdeurwaarder aan de kamer laten weten dat, mede op basis van een door klager ingesteld verzet, inmiddels de werkwijze is aangepast.

4.5 Gelet op bovenstaand gegrond klachtonderdeel bestaat er aanleiding de gerechtsdeurwaarder een maatregel op te leggen. Alhoewel de gerechtsdeurwaarder heeft meegedeeld dat bovenstaande praktijk niet meer wordt gevolgd, acht de kamer de maatregel van een berisping passend. Het onjuist informeren van een rechter betreft een ernstig verwijt.

4.6 De kamer zal de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 43a lid 1 onder a en b van de Gerechtsdeurwaarderswet jo de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882) tevens veroordelen in de proceskosten. Voor klager worden die begroot op het forfaitaire bedrag van € 50,-. Voor de procedure worden de kosten begroot op het forfaitaire bedrag van € 1.500,-.

4.7 Op grond van artikel 37 lid 7 van de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder aan klager het betaalde griffierecht vergoedt.

4.8 Op grond van voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kamer voor gerechtsdeurwaarders:              

  • verklaart klachtonderdeel c. gegrond;
  • verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;
  • legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klager, te begroten op € 50,-;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer, te begroten op € 1.500,-, met aanzegging dat de ex artikel 43 lid 6 van de Gerechtsdeurwaarderswet te bepalen termijn en de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder het bedrag van de kostenveroordeling moet voldoen, na het onherroepelijk worden van deze beslissing per brief aan de gerechtsdeurwaarder zal worden medegedeeld;
  • bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klager het betaalde griffierecht ad

€ 50,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, plaatsvervangend-voorzitter, mr. S.N. Schipper en M.J.C. van Leeuwen, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juli 2021, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.