Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2020:86 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/681234 / DW RK 20/118

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2020:86
Datum uitspraak: 01-12-2020
Datum publicatie: 16-06-2021
Zaaknummer(s): C/13/681234 / DW RK 20/118
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen: Waarschuwing
Inhoudsindicatie: De gerechtsdeurwaarder heeft bij het berekenen van de beslagvrije voet een bedrag in mindering gebracht onder vermelding 'Recofa vermindering'. Naar oordeel van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders biedt artikel 475d Rv geen ruimte voor een dergelijke vermindering.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 1 december 2020 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 10 maart 2020 met zaaknummer C/13/670005 DW RK 19/395 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/681234 / DW RK 20/118 MK/JD ingesteld door:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 25 juli 2019, heeft klager een klacht ingediend tegen (medewerkers van het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 5 september 2019, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 10 maart 2020 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klager is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van 10 maart 2020.

Bij brief, ingekomen op 18 maart 2020, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

Bij brief van 6 juli 2020 is partijen verzocht instemming te geven voor een schriftelijke verzetprocedure. Partijen hebben daartoe instemming gegeven.

Bij brief, ingekomen op 11 augustus 2020, heeft de gerechtsdeurwaarder bij wijze van antwoord gereageerd op het verzetschrift van klager. Klager heeft nadien bij e-mail van 24 augustus 2020, bij wijze van repliek gereageerd op het antwoord van de gerechtsdeurwaarder. Bij brief, ingekomen op 2 september 2020, heeft de gerechtsdeurwaarder nadien gereageerd. De uitspraak is aanvankelijk bepaald op 15 oktober 2020, waarna deze is aangehouden tot heden.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-          De gerechtsdeurwaarder is belast met een vordering van Nedasco B.V. op klager.

-          Bij vonnis van de kantonrechter te Alkmaar van 12 september 2018 is klager veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag.

-          Bij brief van 29 november 2018 is klager verzocht tot betaling van het verschuldigde bedrag over te gaan.

-          Omdat betaling dan wel een reactie is uitgebleven is het vonnis van

12 september 2018 bij exploot van 7 januari 2019 aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.

-          Op 23 april 2019 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Sociale Verzekeringsbank ten laste van klager.

-          Bij brief van 9 mei 2019, ontvangen door de gerechtsdeurwaarder op 14 mei 2019, heeft klager een eigen berekening van de beslagvrije voet gestuurd en verzocht om aanpassing.

-          Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder klager bij brief van 20 mei 2019 verzocht om nadere bewijsstukken teneinde de juiste beslagvrije voet te kunnen vaststellen.

-          Op 23 mei 2019 heeft de gerechtsdeurwaarder een bedrag van € 764,30 uit het beslag ontvangen, waarmee de gehele schuld was voldaan.

-          Bij brief van 4 juni 2019 heeft klager de gevraagde bewijsstukken overgelegd.

-          De gerechtsdeurwaarder heeft de beslagvrije voet op 13 juni 2019 herberekend. Hiervan is klager bij brief van diezelfde datum op de hoogte gebracht waarbij de gerechtsdeurwaarder tevens heeft aangegeven dat hij het dossier zal afwikkelen bij de opdrachtgever aangezien de vordering reeds is voldaan.

-          Bij brief van 24 juni 2019 heeft klager bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de beslagvrije voet. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij brief van 5 juli 2019 gereageerd.

-          Bij brief van 9 juli 2019 heeft klager aangegeven dat er ten onrechte een bedrag ad € 349,91 in mindering is gebracht op grond van de richtlijnen die Recofa heeft opgesteld bij de bepaling van het vrij te laten bedrag. Klager heeft de gerechtsdeurwaarder hierbij verzocht het ten onrechte geïnde bedrag terug te storten.

-          De gerechtsdeurwaarder heeft hier bij brief van 22 juli 2019 op gereageerd.

4. De oorspronkelijke klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder een onjuiste berekening heeft gemaakt bij de beslagvrije voet en ten onrechte een bedrag in beslag is genomen dat onder de beslagvrije voet ligt.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders en degene die is toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid bedoelde opleiding, onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met die wet of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klachten kunnen niet worden gericht tegen medewerkers van een gerechtsdeurwaarderskantoor. De in de aanhef van deze beslissing vermelde gerechtsdeurwaarder wordt als beklaagde aangemerkt, omdat hij in het verweer heeft aangegeven dat hij tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor het doen en nalaten van de bij hem werkzame medewerkers. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

4.2 De voorzitter stelt voorop dat de hoogte van de beslagvrije voet geen kwestie is die ter beoordeling van de kamer staat. Dit is slechts anders als sprake is van evidente fouten of handelen tegen beter weten in. Na het verzoek van klager om aanpassing van de beslagvrije voet heeft de gerechtsdeurwaarder om aanvullende bewijsstukken gevraagd en de beslagvrije voet aangepast. Dit is aan klager medegedeeld. Indien klager het met de uiteindelijk berekende beslagvrije voet niet eens is, dient hij zich te wenden tot de gewone civiele rechter. De tuchtrechter oordeelt slechts of er tuchtrechtelijk laakbaar is gehandeld en is niet bevoegd om de beslagvrije voet vast te stellen.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager aangevoerd dat

a)      de gerechtsdeurwaarder, bij de vaststelling van de beslagvrije voet de Recofa-richtlijnen heeft toegepast, terwijl hij wist dat deze richtlijnen toegepast dienen te worden als er sprake is van een Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen-situatie: daarvan is in dit geval geen sprake;

b)      de stelling van de gerechtsdeurwaarder dat restitutie van het beslagen bedrag niet meer mogelijk is, omdat het dossier gesloten zou zijn is in strijd met hetgeen een behoorlijk gerechtsdeurwaarder betaamt;

c)      er sprake is van een beslag dat ten onrechte is gelegd.

7. Het verweer in verzet vanp de gerechtsdeurwaarder

In verzet heeft de gerechtsdeurwaarder onder meer aangevoerd dat de kamer terecht heeft overwogen dat een klacht inzake de hoogte van de beslagvrije voet pas ter beoordeling van de kamer staat wanneer er sprake is van evidente fouten of handelen tegen beter weten in. Daar is hiervan geen sprake. Voorts heeft de gerechtsdeurwaarder aangevoerd dat nergens uit blijkt dat het beslag ten onrechte zou zijn gelegd.

8. De beoordeling van de gronden van het verzet

8.1 Ten aanzien van verzetsgrond a stelt de kamer voorop, dat de hoogte van de beslagvrije voet geen kwestie is die ter beoordeling staat van de kamer, maar van de civiele rechter. In deze procedure staat ter beoordeling of de gerechtsdeurwaarder heeft gehandeld (of heeft nagelaten) in strijd met de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) of in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt.

8.2 De gerechtsdeurwaarder heeft op 23 april 2019 beslag gelegd op het AOW pensioen van klager, een vordering tot periodieke betaling waaraan op grond van artikel 475c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een beslagvrije voet is verbonden. De beslagvrije voet dient te worden berekend conform artikel 475d Rv, waarin wordt verwezen naar artikelen van de Participatiewet.

8.3 De gerechtsdeurwaarder heeft de beslagvrije voet aanvankelijk vastgesteld op € 703,56 en heeft deze op 13 juni 2019 herberekend, nadat klager de gerechtsdeurwaarder daarom had verzocht. In de herberekening heeft de gerechtsdeurwaarder een bedrag van € 349,91 in mindering gebracht op de toe te passen beslagvrije voet onder vermelding van “Anders: Recofa”. Bij brief van 9 juli 2019 heeft klager bezwaar gemaakt tegen deze ‘Recofa vermindering’. De gerechtsdeurwaarder heeft bij brief van 22 juli 2019 het volgende geantwoord.

Wij sluiten voor de berekening van de beslagvrije voet aan bij de Recofa-richtlijn. Te dien aanzien benadrukken wij dat de Recofa-richtlijn voor het bepalen van de afloscapaciteit de beslagvrije voet als uitganspunt neemt.

De gerechtsdeurwaarder voert ook in deze tuchtrechtprocedure aan dat hij bij de berekening van de beslagvrije voet “aansloot bij de standpunten die kennelijk zeer breed zijn gedragen door de leden van de rechterlijke macht die ‘de Recofa’ vormen” en verwijst naar het ‘vtlb-rapport’. Echter, het verweer van de gerechtsdeurwaarder is onnavolgbaar. Uit niets is gebleken dat de omstandigheden van deze zaak een afwijking van het wettelijke systeem, zoals uiteengezet onder 8.2, rechtvaardigen. Dat bij het vrij te laten bedrag (vltb), dat wordt gehanteerd bij de Wettelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), wordt aangeknoopt bij de beslagvrije voet maakt niet dat dit andersom ook het geval is. Artikel 475d Rv biedt geen ruimte om naast de verlagingsmogelijkheden opgenomen in de leden 4 en 5, de beslagvrije voet verder te verlagen zoals de gerechtsdeurwaarder heeft gedaan onder de noemer ‘Recofa vermindering’. De gerechtsdeurwaarder heeft aldus niet gehandeld met de zorgvuldigheid die hem betaamt. Omdat met de beslagvrije voet wordt beoogt een bestaansminimum te garanderen voor een beslagene, en de handelswijze van de gerechtsdeurwaarder met zijn handelswijze de beslagvrije voet heeft verlaagd, weegt dat verwijt zwaar. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzet met betrekking tot verzetsgrond a slaagt.

8.4 Ten aanzien verzetsgrond b. overweegt de kamer als volgt. De kamer heeft per abuis niet gereageerd op de klacht dat de sluiting van het dossier geen geldig argument kan zijn om niet tot herstel (restitutie) over te gaan. Nu klager dit klachtonderdeel handhaaft en motiveert wanneer ‘restitutie” wel mogelijk is zal de kamer dit klachtonderdeel behandelen als zijne een klacht behorende tot de oorspronkelijke klacht.

8.5 Wanneer een onjuist vastgestelde beslagvrije voet heeft geleid tot teveel ontvangen gelden door de gerechtsdeurwaarder, dan dient de gerechtsdeurwaarder, in beginsel, de teveel ontvangen gelden terug te betalen aan de schuldenaar. Tuchtrechtelijke jurisprudentie heeft echter uitgemaakt dat terugbetaling door de gerechtsdeurwaarder slechts mogelijk is voor gelden die hij nog onder zich heeft (ECLI:NL: RBAMS:2012:YB0797 en ECLI:NL:RBAMS:2012:YB0854). De gerechtsdeurwaarder heeft aangevoerd het dossier te hebben gesloten en klager bij brief van 5 juli 2019 daarvan op de hoogte te hebben gesteld. Klager had echter reeds op 14 mei 2019 verzocht om aanpassing van de beslagvrij voet, op 4 juni 2019 bewijsstukken aangeleverd en op 25 juni 2019 - na herberekening van de gerechtsdeurwaarder - bezwaar gemaakt tegen de herberekening. Op het moment dat de gerechtsdeurwaarder het dossier sloot en de ontvangen gelden aan de opdrachtgever betaalde was er dus nog een discussie gaande over de beslagvrije voet, waarbij klager gemotiveerd en met stukken onderbouwd bezwaar heeft gemaakt tegen de door de berekening van de gerechtsdeurwaarder. De kamer acht het tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de gerechtsdeurwaarder het dossier onder deze omstandigheden heeft gesloten, nu hij zich daarmee heeft onttrokken aan een mogelijke terugbetaalverplichting, terwijl de discussie over de hoogte van de beslagvrije voet nog niet was afgerond. Het verzet met betrekking tot verzetsgrond b slaagt daarom eveneens.

8.6 Ten aanzien van het in verzet aangevoerde onder c. overweegt de kamer als volgt. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Indien klager nieuwe klachten in verzet aanvoert kan hij daarin niet worden ontvangen. Het klachtonderdeel ten aanzien van een ten onrechte gelegd beslag is eerder, in de oorspronkelijke klacht niet, niet aangevoerd. Klager kan derhalve niet worden ontvangen in zijn eerst in verzet aangevoerde klacht onder c.

8.7 Op grond van voormelde richtlijn is het uitgangspunt dat een kostenveroordeling wordt opgelegd, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn om dat niet te doen, danwel een lagere kostenveroordeling op te leggen. In dit geval ziet de kamer aanleiding om af te zien van een kostenveroordeling, omdat de op te leggen maatregel de lichtste maatregel betreft, die een zakelijke terechtwijzing inhoudt van de onjuistheid van de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder, zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken. Met het opleggen van deze maatregel wordt de gerechtsdeurwaarder in de gelegenheid gesteld zich te verbeteren, terwijl tevens de verwachting wordt uitgesproken dat een dergelijke handelwijze niet opnieuw plaatsvindt. De kamer acht het onder deze omstandigheden niet billijk dat de gerechtsdeurwaarder de kosten van de behandeling bij de kamer moet vergoeden

8.8 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

-          verklaart het verzet met betrekking tot verzetsgrond a en b gegrond,

-          vernietigt de beslissing van de voorzitter,

-          verklaart de klacht gegrond,

-          legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van waarschuwing op,

-          veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klager, te begroten op € 50,00, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden,

-          ziet af van het opleggen van een kostenveroordeling

-          verklaart klager met betrekking tot verzetsgrond c niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, plaatsvervangend-voorzitter, en mr. S.N. Schipper en mr. A.W. Veth, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 december 2020, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.