Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2020:8 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/650045 / DW RK 18/337

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2020:8
Datum uitspraak: 21-01-2020
Datum publicatie: 27-01-2020
Zaaknummer(s): C/13/650045 / DW RK 18/337
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Beslagexploot is niet binnen de in de wet gestelde termijn aan de bewindvoerder van klaagster is betekend. Nu gerechtsdeurwaarder sub 3 het beslagexploot heeft betekend en gerechtsdeurwaarders sub 1 en sub 2 niets van doen hebben gehad met het betekenen van het beslagexploot, dient de klacht gericht tegen gerechtsdeurwaarders sub 1 en sub 2 ongegrond te worden verklaard. Klacht gericht tegen gerechtsdeurwaarder sub 3  is gegrond, maatregel van geldboete en kostenveroordeling.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 21 januari 2020 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/650045 / DW RK 18/337 MdV/WdJ ingesteld door:

[ ],

wonende te [ ],

klaagster,

gemachtigde: [ ] (bewindvoerder),

tegen:

1. [ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

2. [ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

3. [ ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagden,

gemachtigde: [ ].

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 22 juni 2018, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna: de gerechtsdeurwaarders. Bij verweerschrift, ingekomen op 6 september 2018, hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van

10 december 2019, alwaar de gemachtigde van klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 21 januari 2020.

2. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           De gerechtsdeurwaarders zijn belast met een vordering op klaagster.

-           Op 1 juni 2018 is beslag op de bankrekening van klaagster gelegd.

-           Op 4 juni 2018 heeft de gemachtigde van klaagster telefonisch contact met het kantoor van de gerechtsdeurwaarders opgenomen.

-           Bij e-mail van 19 juni 2018 heeft de gemachtigde van klaagster aangegeven een klacht bij de kamer in te zullen dienen.

-           Bij exploot van 27 juni 2018 heeft gerechtsdeurwaarder sub 3 het bankbeslag aan klaagster betekend.

3. De klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat de overbetekening van het gelegde bankbeslag niet tijdig aan haar bewindvoerder is betekend, terwijl de gerechtsdeurwaarders van het bewind op de hoogte waren.

4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarders hebben de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

5. De beoordeling van de klacht

5.1 Gerechtsdeurwaarders (waaronder mede wordt begrepen waarnemend gerechts­deur­waar­ders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaar­ders en degenen die zijn toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding) zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar­ders­­wet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechts­deur­waar­der, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt.

5.2 De klacht is gericht tegen twee met naam genoemde gerechtsdeurwaarders. Op grond van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3696) dienen klachten die zijn gericht tegen met naam genoemde gerechtsdeurwaarders te worden afgehandeld als zijnde tegen hen gericht. De in de aanhef van deze beslissing genoemde gerechtsdeurwaarders sub 1 en sub 2 worden daarom als beklaagden aangemerkt. Omdat gerechtsdeurwaarder sub 3 het gewraakte derdenbeslag heeft overbetekend, wordt deze gerechtsdeurwaarder tevens als beklaagde aangemerkt. Het verweerschrift zal worden beschouwd als zijnde afkomstig van alle in de aanhef genoemde gerechtsdeurwaarders. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarders een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet oplevert.

5.3 De kamer verwerpt het primaire verweer van de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders ter zitting dat de klacht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu het klachtenformulier niet is ondertekend en er evenmin een machtiging is overgelegd waaruit blijkt dat de gemachtigde van klaagster gemachtigd is een klacht in te dienen. Uit de beschikking van de kantonrechter te Amsterdam van

27 december 2016 blijkt dat de gemachtigde van klaagster is benoemd tot bewindvoerder van klaagster. Hieruit volgt dat hij bevoegd is om namens klaagster een klacht in te dienen. Het klachtenformulier is weliswaar niet ondertekend, maar de begeleidende klachtbrief van 19 juni 2018 is wel door de gemachtigde van klaagster ondertekend. De klacht is gelet op voorgaande dan ook ontvankelijk.

5.4 De kamer stelt vast dat de klacht slechts ziet op het te laat betekenen van het beslagexploot. Nu gerechtsdeurwaarder sub 3 het beslagexploot heeft betekend en gerechtsdeurwaarders sub 1 en sub 2 niets van doen hebben gehad met het betekenen van het beslagexploot, dient de klacht gericht tegen gerechtsdeurwaarders sub 1 en sub 2 ongegrond te worden verklaard.

5.5 Op grond van artikel 475i van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de executant verplicht om binnen acht dagen na het leggen van een derdenbeslag het beslagexploot aan de geëxecuteerde te doen betekenen. Vast staat dat het beslagexploot niet binnen deze in de wet gestelde termijn aan de bewindvoerder van klaagster is betekend. In het verweerschrift en ter zitting is zijdens de gerechtsdeurwaarder gesteld dat de overschrijding niet aan gerechtsdeurwaarder sub 3 is toe te schrijven, omdat hij, op verzoek van de bewindvoerder van klaagster, meermalen heeft getracht telefonisch contact met de bewindvoerder op te nemen teneinde te bespreken wanneer het exploot zou worden betekend en dan tot een oplossing te kunnen komen, hetgeen niet is gelukt. Zijdens klaagster is dit betwist en het staat daarbij ook haaks op de inhoud van de mail van de gemachtigde van klaagster van 19 juni 2018. Hoe dan ook rechtvaardigt dit niet dat het beslagexploot bijna vier weken na het gelegde beslag en eerst nadat de klacht bij de kamer is ingediend, is betekend. De klacht is terecht voorgesteld.

5.6 De kamer verklaart de klacht gegrond en meent dat de maatregel van een geldboete ter hoogte van € 500,- in dit geval passend is. De kamer zal gerechtsdeurwaarder sub 3 op grond van artikel 43a lid 1 onder a en b van de Gerechtsdeurwaarderswet in verbinding met de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882) tevens veroordelen in de proceskosten. Voor klaagster worden die begroot op totaal € 250,- aan kosten van klaagster vastgesteld op een forfaitair bedrag van

€ 50,- en kosten van verleende rechtsbijstand van € 200,- (1 punt voor het indienen van de klacht, 1/3 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt

€ 150,-).Voor de procedure worden de kosten begroot op € 500,-, in dit geval een derde van het forfaitaire bedrag van € 1.500,-, omdat de onderhavige klacht gelijktijdig is behandeld met twee soortgelijke klachten die de bewindvoerder heeft ingediend namens twee andere onderbewindgestelden.

5.7 Op grond van artikel 37 lid 7 van de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt de kamer dat gerechtsdeurwaarder sub 3 aan klaagster het betaalde griffierecht vergoedt.

5.8 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

-        verklaart de klacht gericht tegen gerechtsdeurwaarders sub 1 en sub 2 ongegrond;

-        verklaart de klacht gericht tegen gerechtsdeurwaarder sub 3 gegrond;

-        legt gerechtsdeurwaarder sub 3 de maatregel van een geldboete ter hoogte van

€ 500,- op, waarbij de in artikel 43 lid 6 van de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalde termijn en de wijze waarop de boete moet worden voldaan door de kamer na het onherroepelijk worden van de beslissing per brief aan de gerechtsdeurwaarder wordt medegedeeld;

-        veroordeelt gerechtsdeurwaarder sub 3 in de proceskosten van klaagster, te begroten op € 250,-;

-        veroordeelt gerechtsdeurwaarder sub 3 in de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer, te begroten op € 500,-, met aanzegging dat de ex artikel 43 lid 6 van de Gerechtsdeurwaarderswet te bepalen termijn en de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder het bedrag van de kostenveroordeling moet voldoen, na het onherroepelijk worden van deze beslissing per brief aan de gerechtsdeurwaarder zal worden medegedeeld;

-        bepaalt dat gerechtsdeurwaarder sub 3 aan klaagster het betaalde griffierecht ad

€ 50,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. W.M. de Vries, voorzitter, mr. C.A. van Dijk en

mr. J.N. Reijn, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2020, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.