Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2020:5 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/646910 / DW RK 18/217

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2020:5
Datum uitspraak: 21-01-2020
Datum publicatie: 27-01-2020
Zaaknummer(s): C/13/646910 / DW RK 18/217
Onderwerp:
  • Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
  • Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klager beklaagt zich er onder meer over dat het exploot op een verkeer adres is betekend en de gerechtsdeurwaarder er ten onrechte van uit is gegaan dat hij in gemeenschap van goederen is getrouwd. Het is niet aan de gerechtsdeurwaarder te wijten dat de adresgegevens in de Brp kennelijk onjuist waren. Verder zijn de huwelijkse voorwaarden niet ingeschreven en mag de gerechtsdeurwaarder aannemen dat het huwelijk in gemeenschap van goederen is gesloten (1:116 BW), waardoor alle bezittingen en schulden gemeenschappelijk zijn, dus ook een woning. Klacht ongegrond.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 21 januari 2020 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/646910 / DW RK 18/217 MdV/WdJ ingesteld door:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 24 april 2018, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen per e-mail op 6 juni 2018, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Klager heeft schriftelijk medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 10 december 2019, alwaar de gerechtsdeurwaarder is verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 21 januari 2020.

2. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 25 mei 2016 is de echtgenote van

klager veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag van € 74.500,- aan haar

voormalige partner (de opdrachtgever).

-                      Bij exploot van 30 januari 2018 heeft de gerechtsdeurwaarder het vonnis van 25 mei 2016 aan de echtgenote van klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen

-           Op 5 februari 2018 is beslag gelegd op de woning van klager, te weten [ ] te

[ ].

-                      Bij exploot van 6 februari 2018 heeft de gerechtsdeurwaarder het proces-verbaal van het beslag betekend aan de echtgenote van klager. Het beslag is tevens betekend aan de notaris.    

-                      Bij e-mail van 14 februari 2018 heeft de notaris aan klager medegedeeld dat beslag is gelegd op zijn woning te [ ]. Hierop heeft klager de betreffende stukken bij e-mail van 22 februari 2019 bij de notaris opgevraagd.

-                      Bij brief van 16 maart 2018 heeft de advocaat van klager contact opgenomen met de             gerechtsdeurwaarder en verzocht om de volledige gegevens ten     aanzien van het gelegde beslag.

-                      Bij e-mail van 19 maart 2018 heeft de gerechtsdeurwaarder meegedeeld dat hij de gevraagde gegevens niet kan toesturen in verband met de privacy van de echtgenote van klager, tenzij de advocaat schriftelijk kan bevestigen dat hij namens de echtgenote van klager en klager optreedt. Hierop heeft de advocaat van klager op diezelfde datum gereageerd.

-                      Nadat de gerechtsdeurwaarder had geconstateerd dat het gelegde beslag niet was overbetekend aan klager, heeft hij wegens deze nietigheid het gelegde     beslag op 20 maart 2018 opgeheven en gelijk opnieuw beslag gelegd op de woning van klager.

-                      Bij exploot van 21 maart 2018 is het gelegde beslag aan zowel de echtgenote van klager als aan klager betekend.

3. De klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat:

a: de gerechtsdeurwaarder het vonnis van 25 mei 2016 niet op het juiste adres heeft betekend;

b: zijn huwelijk niet in Nederland staat ingeschreven en hij niet in gemeenschap van goederen is getrouwd en daarom ten onrechte beslag op zijn woning is gelegd;

c: de gerechtsdeurwaarder weigert de volledige beslagstukken te overleggen;

d: de gerechtsdeurwaarder het vonnis van 25 mei 2016, anders dan hij beweert, niet in de digitale Staatscourant heeft betekend;

e: hij door het handelen van de gerechtsdeurwaarder onnodig een schikking heeft moeten overeenkomen waardoor klager een behoorlijke schadepost heeft opgelopen.

4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

5. De beoordeling van de klacht

5.1 Op grond van artikel 34 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders, waarnemend gerechtsdeurwaarders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaarders en degene die is toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid bedoelde opleiding, onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

5.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de kamer het volgende. Uit het exploot van 30 januari 2018 blijkt dat het vonnis van 25 mei 2016 aan de echtgenote van klager is betekend, waarbij het exploot is afgegeven bij het arrondissements-   parket aan een ambtenaar van het Openbaar Ministerie van de rechtbank Arnhem en waarvan tevens een afschrift per aangetekende post is verzonden naar het adres, zoals vermeld in het register van de Basisregistratie Persoonsgegevens (Brp), [ ]. Het is niet aan de  gerechtsdeurwaarder te wijten dat de adresgegevens in de Brp kennelijk onjuist waren. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is niet gebleken.

5.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de kamer het volgende. Blijkens het uittreksel van de Brp zijn klager en zijn echtgenote getrouwd in [ ]. Klager heeft gesteld dat hij onder huwelijkse voorwaarden, middels “marriage contracts”, is getrouwd. De gerechtsdeurwaarder heeft bij de rechtbank Den Haag tweemaal het huwelijksgoederenregister geraadpleegd. Daaruit is gebleken dat klager en zijn echtgenote de huwelijkse voorwaarden niet hebben ingeschreven. Hierdoor gelden de huwelijkse voorwaarden in overeenstemming met artikel 1:116 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) enkel tussen klager en zijn echtgenote, zodat ze niet aan derden kunnen worden tegengeworpen. Zolang de huwelijkse voorwaarden niet zijn ingeschreven mag men aannemen dat het huwelijk in gemeenschap van goederen is gesloten waardoor alle bezittingen en schulden gemeenschappelijk zijn, dus ook een woning. Het door de gerechtsdeurwaarder gelegde beslag is daarom niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm, omdat de echtgenote van klager op grond van artikel 3:276 BW met haar hele vermogen instaat voor de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 435 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vrij om beslag te leggen op alle vermogensobjecten, dus ook een woning. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is daarbij niet gebleken. Voorts heeft de klacht betrekking op executie van een titel, waarover deze kamer niet kan oordelen. Executiegeschillen dienen op grond van het bepaalde in artikel 438 Rv aan de voorzieningenrechter in kort geding te worden voorgelegd.

5.4 De gerechtsdeurwaarder heeft, nadat is gecommuniceerd met de advocaat, geconstateerd dat het beslag van 5 februari 2018 niet aan klager was overbetekend. Wegens deze nietigheid is het beslag op 20 maart 2018 opgeheven en is op diezelfde datum opnieuw beslag gelegd op de betreffende woning. De opheffingskosten en de kosten voor het opnieuw gelegde beslag heeft de gerechtsdeurwaarder voor eigen rekening genomen. De gerechtsdeurwaarder heeft de door hem gemaakte fout erkend. Door deze fout is klager niet geschaad, omdat de fout door de gerechtsdeurwaarder is hersteld. De fout is niet zo ernstig dat deze niet op deze wijze opgelost kan worden. De gerechtsdeurwaarder kan hier geen tuchtrechtelijk laakbaar verwijt worden gemaakt.

5.5 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de kamer het volgende. Met het weglakken van de persoonsgegevens van de echtgenote van klager in de verstrekte exploten heeft de gerechtsdeurwaarder in overeenstemming met artikel 7 lid 1 van de Gedragscode gerechtsdeurwaarders ter bescherming van persoonsgegevens gehandeld. Enkel onder uitdrukkelijk gegeven toestemming van de echtgenote van klager mag de gerechtsdeurwaarder haar persoonsgegevens aan klager en diens advocaat verstrekken. In de e-mail van 19 maart 2018 is aan de advocaat verzocht middels een schriftelijk bevestiging aan te tonen dat hij gerechtigd was tot ontvangst van de stukken met daarin de persoonsgegevens. Uit de e-mail van 22 maart 2018 blijkt dat de echtgenote van klager geen bezwaar had tegen de gegevensverstrekking. De klacht  betreft de gegevensverstrekking van voor 22 maart 2018. Hieruit volgt dat de gerechtsdeurwaarder in overeenstemming met de gedragscode heeft gehandeld en er kan hem geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen worden verweten.

5.6 Ten aanzien van klachtonderdeel d overweegt de kamer het volgende. Anders dan klager stelt, heeft de gerechtsdeurwaarder in zijn e-mail van 12 april 2018 niet gesteld dat hij het vonnis van 25 mei 2016 openbaar heeft betekend. De gerechtsdeurwaarder heeft in die e-mail wel gesteld dat hij het op 20 maart 2018 gelegde beslag openbaar heeft betekend. Dit heeft de gerechtsdeurwaarder ook aangekondigd in het exploot van 21 maart 2018. Ter zitting heeft de gerechtsdeurwaarder aangetoond dat het exploot van 21 maart 2018 daadwerkelijk in de Staatscourant is gepubliceerd.

5.7 Ten aanzien van klachtonderdeel e overweegt de kamer het volgende. De kamer is niet bevoegd een schadevergoeding toe te kennen. Daarvoor staat de rechtsgang bij de burgerlijke rechter open. De kamer zal het verzoek van klager tot het vergoeden van de schade dan ook passeren.

5.8 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

-        verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.M. de Vries, voorzitter, mr. C.A. van Dijk en

mr. J.N. Reijn, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2020, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.