Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2020:26 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/662283 DW RK 19/91

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2020:26
Datum uitspraak: 24-03-2020
Datum publicatie: 01-04-2020
Zaaknummer(s): C/13/662283 DW RK 19/91
Onderwerp:
  • Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
  • Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   De gerechtsdeurwaarder heeft ondanks het betalingsvoorstel van klaagster beslag onder de Belastingdienst gelegd. Niet duidelijk is geworden of de gerechtsdeurwaarder iets met het betalingsvoorstel van klaagster heeft gedaan. Verder is ten onrechte geen beslagvrije voet toegepast bij het beslag. De klacht is op deze onderdelen gegrond, voor het overige ongegrond. Maatregel van waarschuwing.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 24 maart 2020 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/662283 DW RK 19/91 LvB/WdJ ingesteld door:

[ ],

wonende te [ ],

klaagster,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde,

gemachtigde: [ ].

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 20 februari 2019, heeft klaagster een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 1 april 2019, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 11 februari 2020 alwaar klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 24 maart 2020.

2. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           De gerechtsdeurwaarder is in opdracht van [ ] belast met een ten laste van klaagster gewezen vonnis van 4 juli 2018 van de kantonrechter te Den Haag.

-           Bij e-mail van 27 juli 2018 heeft klaagster een betalingsregeling van betaling van € 50,00 per maand voorgesteld.

-           Op 3 augustus 2018 heeft de gerechtsdeurwaarder ten laste van klaagster executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Belastingdienst.

-           Bij e-mail van 30 januari 2019 heeft [ ] (de eisende partij) aan de gerechtsdeurwaarder medegedeeld dat hij [ ] op 25 januari 2019 opdracht heeft gegeven het dossier te sluiten en de ontvangen gelden aan hem over te maken.

-           Bij e-mail van 11 februari 2019 heeft klaagster een klacht ingediend bij de gerechtsdeurwaarder en verzocht het gelegde beslag op te heffen en het uit het beslag ontvangen geld terug te storten. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van 12 februari 2019 gereageerd.

-           Bij e-mail van 13 februari 2019 heeft [ ] de gerechtsdeurwaarder opdracht gegeven het dossier te sluiten. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder het beslag onder de Belastingdienst op diezelfde datum opgeheven.

3. De klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat:

a: de opdrachtgever de gerechtsdeurwaarder op 30 januari 2019 opdracht heeft gegeven om het dossier te sluiten, maar dat de gerechtsdeurwaarder toch doorgaat met zijn werkzaamheden;

b: de gerechtsdeurwaarder ten laste van haar beslag onder de Belastingdienst heeft gelegd, maar dat zij hier nooit van op de hoogte is gebracht;

c: de gerechtsdeurwaarder beslag heeft gelegd ondanks een getroffen betalingsregeling;

d: de gerechtsdeurwaarder geen rekening houdt met de beslagvrije voet;

e: de gerechtsdeurwaarder weigert het geïncasseerde bedrag terug te storten.

4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

5. De beoordeling van de klacht

5.1 Gerechtsdeurwaarders (waaronder mede wordt begrepen waarnemend gerechts­deur­waar­ders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaar­ders en degenen die zijn toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding) zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar­ders­­wet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechts­deur­waar­der, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt.  

5.2 Omdat een kantoor geen beklaagde kan zijn wordt, gelet op de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3696), de enige aan dat kantoor verbonden gerechtsdeurwaarder als beklaagde aangemerkt. In de aanhef van de beslissing is hiermee al rekening gehouden. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet oplevert.

5.3 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de kamer dat uit de overgelegde producties blijkt dat [ ] de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder is en niet [ ]. Nadat [ ] de gerechtsdeurwaarder op 30 januari 2019 heeft medegedeeld dat hij [ ] opdracht had gegeven om het dossier te sluiten, heeft de gerechtsdeurwaarder de e-mail van [ ] doorgezonden naar [ ] met het verzoek om nadere instructies. De hierop volgende e-mail van de heer [ ] (zaakwaarnemer van klaagster) van 6 februari 2019 heeft de gerechtsdeurwaarder eveneens naar de opdrachtgever verzonden. De gerechtsdeurwaarder heeft niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door het dossier pas te sluiten, nadat hij hier door de opdrachtgever op 13 februari 2019 opdracht toe heeft gekregen.

5.4 Ten aanzien van klachtonderdeel b heeft de kamer de gerechtsdeurwaarder in de gelegenheid gesteld om na de zitting nadere stukken te overleggen, hoewel van hem had mogen worden verwacht dat hij deze stukken bij het verweerschrift had gevoegd dan wel ter zitting had overgelegd. Uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde stukken blijkt dat klaagster bij (verstek)vonnis van de kantonrechter te Den Haag van

4 juli 2018 is veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag. Het vonnis is bij exploot van 19 juli 2018 aan klaagster betekend, middels achterlating van het vonnis in een gesloten envelop op het adres van klaagster, met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen. Op 3 augustus 2018 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Belastingdienst ten laste van klaagster. Bij exploot van 10 augustus 2018 is het gelegde beslag aan klaagster in persoon betekend. Een exploot van een gerechtsdeurwaarder is een authentieke akte in de zin van artikel 156 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Op grond van het bepaalde in artikel 157 lid 1 Rv levert een zodanige akte dwingend bewijs op van de daarin gerelateerde verrichtingen van de gerechtsdeurwaarder. Anders dan klaagster in haar klacht en ter zitting heeft gesteld moet het er daarom voor worden gehouden dat het vonnis van

4 juli 2018 op 19 juli 2018 aan haar is betekend en het beslag onder de Belastingdienst op 10 augustus 2018, tenzij klaagster tegenbewijs levert. Dat heeft zij niet gedaan. Dit klachtonderdeel stuit hierop af.

5.5 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de kamer dat uit de overgelegde producties blijkt dat klaagster op 27 juli 2018 een betalingsvoorstel bij de gerechtsdeurwaarder heeft ingediend. Uit het verweerschrift noch ter zitting is gebleken dat het voorstel is doorgestuurd naar de opdrachtgever, dan wel dat het betalingsvoorstel is afgewezen. De gerechtsdeurwaarder heeft ondanks het betalingsvoorstel van klaagster op 3 augustus 2018 executoriaal derdenbeslag onder de Belastingdienst gelegd. Nu niet duidelijk is geworden of de gerechtsdeurwaarder iets met het betalingsvoorstel van klaagster heeft gedaan, is dit klachtonderdeel terecht voorgesteld.

5.6 Ten aanzien van klachtonderdeel d heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder ter zitting erkend dat er ten onrechte geen beslagvrije voet is toegepast bij het beslag onder de Belastingdienst. Dit klachtonderdeel is dan ook terecht voorgesteld.

5.7 Ten aanzien van klachtonderdeel e overweegt de kamer dat uit het verweerschrift blijkt dat de opdrachtgever de gerechtsdeurwaarder op 21 februari 2019 heeft verzocht om het geïnde bedrag van de Belastingdienst terug te storten. De gerechtsdeurwaarder heeft het ontvangen geld op 25 februari 2019 aan de Belastingdienst teruggestort. Het is vervolgens aan de Belastingdienst om het bedrag door te storten aan klaagster. Hoewel de gerechtsdeurwaarder per abuis heeft verzuimd om klaagster er gelijk van op de hoogte te stellen dat het bedrag aan de Belastingdienst is teruggestort kan hem op dit klachtonderdeel geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden. Op het moment dat de gerechtsdeurwaarder onderhavige klacht had ontvangen, heeft hij klaagster op de hoogte gesteld van de terugstorting.

5.8 De kamer verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond en zal de gerechtsdeurwaarder een maatregel opleggen.

6. Kosten

6.1 Per 1 januari 2018 is de Gerechtsdeurwaarderswet gewijzigd (Wet doorberekening kosten toezicht en tuchtrecht juridische beroepen). In verband daarmee heeft de kamer de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders vastgesteld (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882).

6.2 Op grond van voormelde richtlijn is het uitgangspunt dat een kostenveroordeling wordt opgelegd, tenzij er (bijzondere) omstandigheden zijn om dat niet te doen, dan wel een lagere kostenveroordeling op te leggen. In dit geval ziet de kamer aanleiding om af te zien van een kostenveroordeling, omdat de op te leggen maatregel de lichtste maatregel betreft, die een zakelijke terechtwijzing inhoudt van de onjuistheid van de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder, zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken. Met het opleggen van deze maatregel wordt de gerechtsdeurwaarder in de gelegenheid gesteld zich te verbeteren, terwijl tevens de verwachting wordt uitgesproken dat een dergelijke handelswijze niet opnieuw plaatsvindt. De kamer acht het onder deze omstandigheden niet billijk dat de gerechtsdeurwaarder de kosten van de behandeling bij de kamer moet vergoeden.

6.3 Nu de kamer de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart, stelt de kamer vast dat de

gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 37 lid 7 Gdw het door klaagster betaalde

griffierecht (van € 50,00) aan haar dient te vergoeden.

6.4 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

-      verklaart klachtonderdelen c en d gegrond;

-      verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

-      legt de gerechtsdeurwaarder voor het gegronde deel van de klacht de maatregel van waarschuwing op;

-      bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klaagster het betaalde griffierecht ad € 50,00 vergoedt, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. L. van Berkum, plaatsvervangend-voorzitter, en

mr. D. Bode en M.J.C. van Leeuwen, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2020, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.