Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2019:45 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/633263 / DW RK 17/770

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2019:45
Datum uitspraak: 07-05-2019
Datum publicatie: 08-05-2019
Zaaknummer(s): C/13/633263 / DW RK 17/770
Onderwerp:
  • Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
  • Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klachtonderdeel a gaat over ambtshandelingen van een periode van langer dan drie jaar geleden en is niet-ontvankelijk. Beslagen zijn niet aangekondigd. Beslagvrije voet. Restitutie van de teveel ontvangen gelden heeft te lang op zich laten wachten. Gedreigd met politiebeslag. Bankbeslag ondanks de onderlinge afspraken tegen finale kwijting die zijn neergelegd in het proces-verbaal van de zitting. Klacht gedeeltelijk gegrond.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 7 mei 2019 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/633263 / DW RK 17/770 DB/WdJ ingesteld door:

[ ],

wonende te [ ] ,

klager,

gemachtigde: [ ],

tegen:

1. [ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

2. [ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

3. [ ],

4. [ ],

beide toegevoegd gerechtsdeurwaarders te [ ],

beklaagden,

gemachtigde: [ ].

Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 28 juli 2017, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna: de gerechtsdeurwaarders. Klager heeft zijn klacht aangevuld bij brief met bijlagen, ingekomen op 11 augustus 2017. Bij verweerschrift,

ingekomen op 4 september 2017, hebben de gerechtsdeurwaarders gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 26 maart 2019 alwaar klager met zijn gemachtigde en gerechtsdeurwaarders sub 1 en sub 3 zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op

7 mei 2019.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           Bij vonnis van 20 juni 2013 van de kantonrechter te Den Helder is klager veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag.

-                       Op 22 april 2014 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 beslag gelegd onder de belastingdienst. Bij exploot van 2 juni 2014 heeft gerechtsdeurwaarder sub 4 dit beslag aan klager betekend. Op 11 mei 2016 is het beslag opgeheven.

-                      Op 5 juli 2016 heeft gerechtsdeurwaarder sub 4 executoriaal derdenbeslag gelegd onder de gemeente Texel op de uitkering van klager. Bij exploot van

5 juli 2016 heeft gerechtsdeurwaarder sub 4 dit beslag aan klager betekend.

-                      Bij brief van 10 november 2016 heeft gerechtsdeurwaarder sub 3 een politiebeslag aangezegd.

-                      Op 30 maart 2017 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 executoriaal derdenbeslag gelegd onder de ING Bank N.V. op het banktegoed van klager. Bij exploot van 4 april 2017 is dit beslag aan klager betekend.

-                      Bij proces-verbaal van 1 mei 2017 van de rechtbank te Alkmaar is het bankbeslag opgeheven en is een minnelijke regeling vastgesteld.

-                      Op 29 juni 2017 heeft gerechtsdeurwaarder sub 3 weer executoriaal derdenbeslag gelegd onder de ING Bank N.V.

-           De gerechtsdeurwaarders hebben de ING Bank N.V. bij brief van 6 juli 2017 bericht dat het beslag per direct dient te worden opgeheven.

2. De klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over het volgende.

a. Het beslag onder de belastingdienst van 22 april 2014 is niet van te voren aangekondigd en is veel te laat betekend. Bovendien is de beslagvrije voet op nihil gesteld zonder dat klager in de gelegenheid is gesteld om formulieren toe te zenden teneinde de beslagvrije voet te kunnen berekenen.

b. Het beslag van 5 juli 2016 op klagers uitkering is ook niet van te voren aangekondigd en er is geen rekening gehouden met de reeds bekende beslagvrije voet. Klager is door het gelegde beslag in financiële nood komen te verkeren. Daarnaast was er sprake van dubbele beslaglegging.

c. Op 5 juli 2016 heeft klager de berekening van de beslagvrije voet aan gerechtsdeurwaarder sub 4 verzonden. Omdat hierop geen reactie is gekomen heeft klager zijn brief van 5 juli 2016 gerappelleerd. Op 14 juli 2016 heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 nogmaals verzocht om gegevens teneinde de beslagvrije voet te kunnen berekenen, terwijl deze gegevens al sinds 2014 bij het kantoor van de gerechtsdeurwaarder bekend zijn.

d. Op 25 juli 2016 heeft klager (nogmaals) verzocht om inzage van de door de gerechtsdeurwaarder geïnde bedragen. Hierop heeft klager geen reactie ontvangen.

e. Klager heeft op 21 september 2016 -wederom- de onderliggende stukken aan de gerechtsdeurwaarders verzonden teneinde de beslagvrije voet te kunnen berekenen. Omdat klager hierop geen reactie heeft gekregen, heeft hij op 28 september 2016 een rappel gestuurd. Op 30 september 2016 heeft gerechtsdeurwaarder sub 3 gereageerd,  waaruit blijkt dat de teveel ontvangen gelden worden terugbetaald aan de Sociale Dienst van de gemeente Texel. Klager heeft vanaf 17 oktober 2016 meermalen bij de gemeente geïnformeerd of de gelden ontvangen waren. Uiteindelijk is het bedrag pas op 5 januari 2017 betaald, nadat de gemeente Texel gerechtsdeurwaarder sub 3 op

15 december 2016 had aangeschreven.  

f. Op 10 november 2016 heeft gerechtsdeurwaarder sub 3 gedreigd met politiebeslag, waarop klager bij brief van 14 november 2016 heeft gereageerd. Op 7 februari 2017 heeft gerechtsdeurwaarder sub 3 gedreigd met beslag roerende zaken, waarop klager op diezelfde datum heeft gereageerd dat de roerende zaken niet van hem zijn.

g. Door het gelegde bankbeslag op 30 maart 2017 kon klager niet meer voorzien in zijn levensonderhoud, omdat op de betaalrekening van klager op het moment van beslaglegging net zijn bijstandsuitkering en bijzondere bijstand was gestort. Klager heeft de medewerker van het kantoor van de gerechtsdeurwaarders in kennis gesteld van de ingrijpende gevolgen van het beslag. De gerechtsdeurwaarders hebben alsnog geweigerd het beslag op te heffen. De gerechtsdeurwaarders hebben hiermee de bescherming van artikel 475b-475g Rv gepasseerd.

h. Op 29 juni 2017 is wederom beslag op de bankrekening van klager gelegd, ondanks de onderlinge afspraken tegen finale kwijting die zijn neergelegd in het proces-verbaal van 1 mei 2017. Pas na sommatie van de gemachtigde van klager is dit beslag opgeheven.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarders hebben de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. Ontvankelijkheid van de klacht

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 37 lid 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet wordt, indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de gerechtsdeurwaarder waarop de klacht betrekking heeft, de klacht door de voorzitter niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a stelt de kamer vast dat klager klaagt over het gelegde beslag onder de belastingdienst van 22 april 2014, welk beslag op

2 juni 2014 aan klager is betekend. Dit betreft ambtshandelingen van de gerechtsdeurwaarders in een periode van langer dan drie jaar geleden. Klager wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard op dit klachtonderdeel.

5. De beoordeling van de klacht

5.1 Op grond van artikel 34 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders, waarnemend gerechtsdeurwaarders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat -gerechtsdeurwaarders en degene die is toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid bedoelde opleiding, onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarders een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

5.2 De klacht is gericht tegen vier met naam genoemde gerechtsdeurwaarders. Op grond van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3696) dienen klachten die zijn gericht tegen met naam genoemde gerechtsdeurwaarders te worden afgehandeld als zijnde tegen hen gericht. De in de aanhef van deze beslissing genoemde gerechtsdeurwaarders worden daarom als beklaagden aangemerkt.

5.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de kamer dat voor de gerechtsdeurwaarders geen wettelijke verplichting bestaat om klager voorafgaand het leggen van beslag op de hoogte te stellen van het voornemen daartoe.

De stelling van klager dat sprake was van dubbele beslaglegging wordt niet gevolgd, omdat het beslag onder de belastingdienst al op 11 mei 2016 was opgeheven. Er is hier dan ook geen sprake van tuchtrechtelijk laakbaar handelen.

5.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de kamer dat voorop moet worden gesteld dat de hoogte van de beslagvrije voet geen kwestie is die ter beoordeling van de kamer staat. Dit is slechts anders als sprake is van evidente fouten of handelen tegen beter weten in. Klager stelt dat hij meermalen heeft verzocht om aanpassing van de beslagvrije voet, hij de benodigde gegevens al eerder aan de gerechts-deurwaarders had gegeven, maar steeds geen reactie heeft gekregen. De gerechts-deurwaarders voeren daartegenover aan dat zij meermalen hebben verzocht om bewijsstukken teneinde de beslagvrije voet te kunnen herberekenen en dat klager pas na ruim twee en een halve maand alle benodigde gegevens heeft verstrekt. Omdat niet alle correspondentie is overgelegd, kan de kamer niet vaststellen wie het gelijk hier aan zijn zijde heeft en dient de klacht als ongegrond te worden afgewezen.

5.5 Ten aanzien van klachtonderdeel d blijkt uit de door de gerechtsdeurwaarders overgelegde producties dat zij bij brief van 29 juli 2016 een gedetailleerd overzicht van alle ontvangen bedragen aan klager hebben verzonden. De klacht stuit hierop af.

5.6 Ten aanzien van klachtonderdeel e hebben de gerechtsdeurwaarders erkend dat de restitutie van de teveel ontvangen gelden te lang op zich heeft laten wachten.

Dit klachtonderdeel is terecht voorgesteld. Omdat gerechtsdeurwaarder sub 2 verant-woordelijk is voor de handelingen van het kantoor te [  ] en de betalingen op zijn kwaliteitsrekening zullen zijn ontvangen, treft de klacht, voor zover die tegen hem is gericht, doel.

5.7 Ten aanzien van klachtonderdeel f overweegt de kamer dat brieven met de aankondiging van een beslagpoging met behulp van politie en slotenmaker bedreigend kunnen overkomen, maar dat dit niet valt te voorkomen. In de brief van 10 november 2016 heeft gerechtsdeurwaarder sub 3 echter in de aanhef van de brief tevens de mededeling “aanzegging politiebeslag!!!” vetgedrukt en met hoofdletters vermeld. Hiermee heeft de gerechtsdeurwaarder ten onrechte de indruk gewekt dat de politie beslag zou komen leggen op de roerende zaken van klager, althans heeft hij de kans voor lief genomen dat bij klager die indruk zou ontstaan. De mededeling “aanzegging politiebeslag” is dreigend van aard en lijkt slechts bedoeld om klager onder druk te zetten, maar niet om daadwerkelijk objectieve informatie te geven over het te leggen beslag. De kamer is daarom van oordeel dat gerechtsdeurwaarder sub 3 in strijd heeft gehandeld met artikel 8 van de Verordening Beroeps- en Gedragsregels Gerechtsdeurwaarders.

5.8 Ten aanzien van klachtonderdeel g overweegt de kamer dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een vonnis ten uitvoer te leggen. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door de titel te executeren. Klager staat op grond van artikel 3:276 Burgerlijk Wetboek met zijn hele vermogen in voor de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 435 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vrij om beslag te leggen op alle vermogensobjecten van klager, dus ook op zijn bankrekening. Tegen de tenuitvoerlegging van het vonnis kan klager slechts opkomen door een executiegeschil aan te spannen tegen de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. Executiegeschillen kunnen aan de voorzieningenrechter in kort geding worden voorgelegd. Het tuchtrecht biedt daarvoor niet de geëigende weg.

5.9 Onder de huidige wetgeving heeft de wetgever aan een beslag onder een bank geen beslagvrije voet verbonden. Onder omstandigheden dient de regeling van artikel 475c Rv echter ook op een bankbeslag te worden toegepast. Beslag op een bankrekening mag niet worden misbruikt om de regeling van de beslagvrije voet te omzeilen. Als een gerechtsdeurwaarder weet dat de betreffende bankrekening uitsluitend door een uitkering of loon wordt gevoed, terwijl de beslagene geen ander inkomen heeft, waaruit zijn primaire levensbehoeften kunnen worden voldaan, kan dit handelen tuchtrechtelijk laakbaar zijn. Daarvoor is wel nodig dat de gerechtsdeurwaarder kan controleren of hiervan sprake is. Daarvoor heeft hij bepaalde gegevens nodig. Niet onderbouwd is dat zich in dit geval omstandigheden voordoen die maken dat een beslagvrije voet moet gelden. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is dus niet gebleken.

5.10 Ten aanzien van klachtonderdeel h is sprake van tuchtrechtelijk laakbaar handelen. Hiervoor heeft te gelden dat de gerechtsdeurwaarder sub 3 op

29 juni 2017 beslag heeft gelegd op de bankrekening van klager uit krachte van het vonnis van 20 juni 2013, zonder hierbij rekening te houden met de gemaakte afspraken ter zitting van 1 mei 2017. Dit terwijl de gerechtsdeurwaarder op de hoogte was van die zitting. Van de gerechtsdeurwaarder had onder deze omstandigheden mogen worden verwacht dat hij aan de advocaat van de opdrachtgever had verzocht om het proces-verbaal van de zitting van 1 mei 2017, zodat hij bekend was met de juiste, rechtens afdwingbare afspraken. De gerechtsdeurwaarder had niet alleen op de enkele mededeling van de advocaat van de gemachtigde mogen afgaan. Dat klager niet op de brieven van de gerechtsdeurwaarder heeft gereageerd, waarin melding wordt gemaakt van het ten uitvoer te leggen vonnis, doet niet af aan dit oordeel.

5.11 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

-        verklaart klager niet-ontvankelijk in klachtonderdeel a;

-        verklaart klachtonderdelen e, f en h gegrond;

-        verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

-        legt gerechtsdeurwaarder sub 1 ten aanzien van klachtonderdeel h de maatregel van berisping op;

-        legt gerechtsdeurwaarder sub 2 ten aanzien van klachtonderdeel e de maatregel van berisping op;

-        legt gerechtsdeurwaarder sub 3 ten aanzien van klachtonderdeel f de maatregel van waarschuwing op.

Aldus gegeven door mr. D. Bode, plaatsvervangend-voorzitter, mr. C.A. van Dijk en mr. J.M. Wisseborn, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

7 mei 2019, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.