Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2019:197 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/657664 DW RK 18/600

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2019:197
Datum uitspraak: 03-12-2019
Datum publicatie: 28-01-2020
Zaaknummer(s): C/13/657664 DW RK 18/600
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht ongegrond. Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder willens en wetens de boedelverkoop als pressiemiddel gebruikt om een betaling(sregeling) af te dwingen. De kamer overweegt dat er sprake van enige mate van druk bij beslagleggingen inherent is aan het middel van beslag, maar klager heeft onvoldoende gesteld dat ter zake sprake zou zijn van ongeoorloofde druk.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 3 december 2019 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/657664 DW RK 18/600 LvB/SM ingesteld door:

[   ] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [   ],

gevestigd te [   ],

klager,

tegen:

[   ],

toegevoegd-gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagde,

gemachtigde: [   ].

Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 22 november 2018, heeft klager een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 3 januari 2019, heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2019 alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. Bij brief van 23 oktober heeft de gerechtsdeurwaarder, desgevraagd, aanvullende stukken overgelegd. Bij e-mail van 4 november 2019 heeft klager daarop gereageerd. De uitspraak is bepaald op 3 december 2019.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-        Bij vonnis van 24 juni 2014 is [   ] veroordeeld tot betaling van een bedrag;

-        Bij proces-verbaal van 1 april 2015 heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal beslag gelegd op roerende zaken van [   ];

-        Bij beschikking van 19 juni 2017 is klager benoemt tot bewindvoerder van [   ] (hierna: de cliënt);

-        Tussen 18 oktober 2018 en 9 november 2018 hebben klager en gerechtsdeurwaarder schriftelijk over en weer gecorrespondeerd;

-        Op 22 oktober 2018 heeft de gerechtsdeurwaarder telefonisch contact opgenomen met klager.

2. De klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder:

a)      de boedelverkoop, welke na aftrek van de kosten niets oplevert voor de opdrachtgever, willens en wetens als pressiemiddel gebruikt om een betaling(sregeling) af te dwingen;

b)      niet inhoudelijk heeft willen ingaan op de argumenten van klager en niet schriftelijk heeft willen reageren op de klacht.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van artikel 34 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders, waarnemend gerechtsdeurwaarders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat -gerechtsdeurwaarders en degene die is toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid bedoelde opleiding, onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a. overweegt de kamer als volgt. Het betreft hier onder meer een klacht over de tenuitvoerlegging van een aan de gerechtsdeurwaarders ter hand gestelde executoriale titel. Daarvan geldt in beginsel dat een geschil met betrekking tot de (verdere) tenuitvoerlegging van een executoriale titel, op grond van het bepaalde in artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorgelegd dient te worden aan de bevoegde (executie)rechter. Het is niet aan de tuchtrechter om hierover een oordeel te geven.

4.3 De vraag of de tenuitvoerlegging als pressiemiddel is gebruikt om een betalingsregeling af te dwingen, terwijl de cliënt van klager onder de beslagvrije voet leeft, zal moeten blijken uit de omstandigheden van het geval. Het enkele feit dat de gerechtsdeurwaarder een betalingsregeling als voorwaarde stelt ter annulering van een boedelverkoop is op zich zelf staand niet klachtwaardig. Dit zou anders kunnen zijn als klager de gerechtsdeurwaarder met stukken heeft ingelicht over de feitelijke situatie van zijn cliënt en dat de gerechtsdeurwaarder in weerwil hiervan druk op klaagster heeft uitgeoefend om te komen tot een betalingsregeling. Dat is echter niet gebleken. Klager mag de situatie van zijn cliënt dan wel hebben “verwoord” aan de gerechtsdeurwaarder én hebben “geschetst” dat een betaling vanuit de belastvrije voet zal moeten plaatsvinden, maar de gerechtsdeurwaarder heeft onweersproken gesteld dat hier geen stukken aan ten grondslag zijn (over)gelegd. Onder deze voorwaarde heeft de gerechtsdeurwaarder gehandeld zoals hij dat zou doen in elke andere situatie, waarin hij de opdracht heeft een openstaande vordering te gelden te maken. Dat sprake is van enige mate van druk bij beslagleggingen is inherent aan het middel van beslag, maar klager heeft onvoldoende gesteld dat ter zake sprake zou zijn van ongeoorloofde druk. Daarbij speelt een rol dat de cliënt van klager kennelijk een betalingsregeling heeft kunnen overeenkomen die thans nog voortduurt; een regeling waarvan klager aanvankelijk niet wist dat zijn cliënt deze nog (keurig) aan het nakomen is. Van enig tuchtrechtelijk laakbaar handelen is dan ook niet gebleken.

4.4 Ten aanzien van de proportionaliteit van het gelegde beslag geldt dat de beslaglegger aansprake­lijk kan zijn voor de gevolgen van een beslag, omdat het beslag is gelegd voor een te hoog bedrag, lichtvaardig is gelegd of onnodig is gehandhaafd. Dat moet echter worden beantwoord aan de hand van criteria die gelden voor misbruik van recht en aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de debiteur door het beslag op een van die goederen in zijn belangen wordt getroffen. Het is echter niet aan de tuchtrechter om hierover een oordeel te geven, maar aan de gewone rechter. De klacht van klager stuit hierop af.

4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel b. overweegt de kamer als volgt. Uit het verweerschrift en de door klager overgelegde producties (én hetgeen klager daarover op zitting heeft medegedeeld) blijkt dat op 22 oktober 2018 telefonisch onderhoud is geweest tussen klager en de gerechtsdeurwaarder, aangaande de kwestie van het gelegde beslag. De gerechtsdeurwaarder stelt het onderwerp uitvoerig met klager te hebben besproken. Zonder de ‘woordelijke’ inhoud van het gesprek te kennen is het voor de kamer, gelet op alle bezwaren die klager heeft (gehad) tegen het gelegde beslag, in voldoende mate aannemelijk dat de reactie van de gerechtsdeurwaarder een inhoudelijke is geweest. Dat de argumentatie van klager de gerechtsdeurwaarder kennelijk niet heeft kunnen overreden anders te handelen, kan niet leiden tot een ander oordeel. De kamer kan de gerechtsdeurwaarder om die reden dan ook volgen in diens reactie niet gehouden te zijn e.e.a. vervolgens ook nog eens schriftelijk mee te delen, te meer nu (de cliënt van) klager, bij het uitblijven hiervan, niet in haar belangen lijkt te zijn geschaad.

4.6 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

-        verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door mr. L. van Berkum, plaatsvervangend-voorzitter, en mr. M. Nijenhuis en mr. M.J.C. van Leeuwen, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2019, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.