Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2019:149 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/640859 DW RK 17/1241

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2019:149
Datum uitspraak: 11-06-2019
Datum publicatie: 05-12-2019
Zaaknummer(s): C/13/640859 DW RK 17/1241
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen: Berisping
Inhoudsindicatie:   De gerechtsdeurwaarders wordt verweten onrechtmatig bankbeslag hebben gelegd en dat zij geen rekening hebben gehouden met de beslagvrije voet, ook niet nadat de inkomensgegevens waren doorgegeven. De kamer overweegt dat het beslag niet onrechtmatig is maar de gerechtsdeurwaarders hadden wel een beslagvrije voet moeten vaststellen. Die klacht wordt gegrond verklaard en beide gerechtsdeurwaarders wordt de maatregel van berisping opgelegd.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 11 juni 2019 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/640859 DW RK 17/1241 (DB/FK) van:

[     ], in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [     ], (hierna verder: de cliënte)

gevestigd te [     ],

klaagster,

gemachtigde: [     ],

tegen:

1. [     ],

gerechtsdeurwaarder te [     ],

2. [     ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagden,

gemachtigde [     ].

Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 22 december 2017, heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna: de gerechtsdeurwaarders. Bij e-mail van 15 januari 2018 hebben de gerechtsdeurwaarders een verweerschrift ingediend. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 30 april 2019. Verschenen zijn de gemachtigde van klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders. De gemachtigde van klaagster heeft pleitnotities overgelegd. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 11 juni 2019.

1. Feiten en omstandigheden

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a)     Bij twee beschikkingen van de kantonrechter van 20 mei 2016 is klaagster benoemd tot bewindvoerder over de goederen die toe behoren aan haar cliënte en aan [     ], partner van haar cliënte.

b)     Bij vonnis van de kantonrechter te [     ] van 16 juni 2016 is de cliënte van klaagster veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag.

c)     Op 22 december 2016 heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 executoriaal derdenbeslag gelegd onder de ING Bank N.V. ten laste van de cliënte van klaagster.

d)     Bij e-mail van 2 januari 2017 heeft klaagster verzocht om toepassing van de beslagvrije voet en een betalingsregeling van € 20,-- per maand.

e)     Bij e-mail van 12 januari 2017 hebben de gerechtsdeurwaarders klaagster verzocht om kopieën van bankafschriften van de bankrekening waarop beslag is gelegd van de afgelopen drie maanden. Aan dit verzoek heeft klaagster op diezelfde datum voldaan.

f)      Bij brief van 26 januari 2017 heeft de gemachtigde van klaagster bezwaar gemaakt bij de gerechtsdeurwaarders van wege het feit dat bij het leggen van het bankbeslag geen rekening is gehouden met een beslagvrije voet. Bij e-mail van 30 januari 2017 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 het bezwaar afgewezen.

g)     De gerechtsdeurwaarders hebben na bestudering van de bankafschriften en na overleg met de opdrachtgever het bankbeslag gehandhaafd zonder toepassing van een beslagvrije voet en hebben het uit het bankbeslag ontvangen bedrag afgedragen aan de opdrachtgever.

h)     Bij vonnis van 7 september 2017 heeft de kantonrechter te [     ] geoordeeld dat het beslag op de Wajonguitkering, zorgtoeslag en bijzondere bijstand niet in stand kon worden gehouden omdat het als onrechtmatig gezien moet worden. De opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders is veroordeeld tot betaling van € 937,87 en in de kosten veroordeeld.

2. De klacht

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarders samengevat dat zij a: onrechtmatig bankbeslag hebben gelegd, doordat zij nooit hebben geïnformeerd naar de inkomsten van haar cliënte en b: geen rekening hebben gehouden met de beslagvrije voet, ook niet nadat de inkomensgegevens van haar cliënte waren doorgegeven.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarders hebben de klacht gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal hierna op dat verweer worden ingegaan.

4. Beoordeling van de klacht

4.1 Gerechtsdeurwaarders (waaronder mede wordt begrepen waarnemend gerechtsdeurwaarders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaarders en degenen die zijn toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding) zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechtsdeurwaarder, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarders een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 De gerechtsdeurwaarders hebben aangevoerd dat zij voorafgaand aan het leggen van het bankbeslag bij e-mailberichten van 29 september 2016 en 31 oktober 2016 rechtstreeks bij klaagster hebben geïnformeerd of er een betalingsregeling voor de vordering kon worden getroffen. Hierop is geen reactie gekomen. Vervolgens hebben de gerechtsdeurwaarders op 21 november 2016 digitaal bij de UWV-polis administratie navraag gedaan naar de bronnen van inkomsten van de cliënte van klaagster. Hieruit is gebleken dat ten behoeve van haar cliënte geen lopende inkomstenverhoudingen zijn geregistreerd. De klacht van klaagster dat de gerechtsdeurwaarders voorafgaand aan het leggen van het bankbeslag niet hebben geïnformeerd naar de inkomsten van de cliënte van klaagster, stuit hierop af.

4.3 De gerechtsdeurwaarders hebben de opdracht gekregen om executiemaatregelen te nemen en zijn daar ingevolge hun ministerieplicht (artikel 11 Gerechtsdeurwaarderswet) toe gehouden. Vast staat dat de cliënte van klaagster bij vonnis van 16 juni 2016 is veroordeeld tot betaling van een geldsom. Nadien is nagelaten de vordering vrijwillig te voldoen. Niet is weersproken dat niet op brieven van de gerechtsdeurwaarders is gereageerd. Het gelegde bankbeslag is niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm. De cliënte van klaagster staat op grond van artikel 3:276 BW met haar hele vermogen in voor betaling van de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarders op grond van artikel 435 Rv vrij om beslag te leggen op al haar vermogensobjecten. Tuchtrechtelijk laakbaar handelen is op dit punt niet gebleken.

4.4 Onder de huidige wetgeving heeft de wetgever aan een beslag onder een bank geen beslagvrije voet verbonden. Het huidige “systeem van de beslagvrije voet” is dat een beslagvrije voet op grond van de wet alleen geldt bij beslag op vorderingen tot periodieke betalingen van de in de wet genoemde inkomensbronnen. Een bankbeslag valt daar niet onder. Bij een bankbeslag kan immers slechts beslag worden gelegd op het actuele saldo. Dit systeem staat overigens wel ter discussie en heeft inmiddels geleid tot het wetsvoorstel herziening beslag- en executierecht waarbij onder meer wordt voorgesteld bij een bankbeslag een bepaald beslagvrij bedrag aan leefgeld voor de schuldenaar buiten het beslag te houden. 

4.5 Zolang dit nog niet is geregeld blijft het huidige systeem van toepassing. Dat heeft ertoe geleid dat uit (civiele en tucht)rechtspraak volgt dat onder omstandigheden met de regeling van artikel 475c Rv ook bij bankbeslag rekening moet worden gehouden. Door de gerechtsdeurwaarders is aangevoerd dat die rechtspraak op zijn minst casuïstisch is te noemen. De kamer spreekt dat niet tegen maar die rechtspraak heeft (behalve de door de gerechtsdeurwaarders genoemde uitspraak van de Hoge Raad) in de kern wel één ding gemeen. Aan het doel en de strekking van de beslagvrije voet wordt afbreuk gedaan als door het beslag op een bankrekening geen geld meer ter beschikking is voor het primaire levensonderhoud van de beslagdebiteur.

4.6 Klaagster heeft op 2 en 12 januari 2017 stukken aan de gerechtsdeurwaarders verzonden waaruit volgt dat het een gezamenlijke beheerrekening betrof van de cliënte van klaagster en haar partner. Op die rekening wordt alleen leefgeld, de zorg- en huurtoeslag, de Wajong uitkering van haar partner en bijzondere bijstand van de gemeente [     ] gestort. Voor de Wajong uitkering geldt dat dit een periodieke uitkering betreft waarvoor een beslagvrije voet geldt. Dit geldt overigens ook voor toeslagen van de belastingdienst. Ook daarvoor geldt hetgeen onder 4.5 is overwogen. Gelet op deze producties is het aannemelijk dat de cliënte van klaagster door het bankbeslag in financiële problemen zou komen en niet meer in haar primaire levensbehoeften zou kunnen voorzien. Onder deze omstandigheden had tot toepassing van een beslagvrije voet moeten worden overgegaan. Door dit niet te doen, nadat klaagster hen daartoe had verzocht en de benodigde gegevens had verstrekt, hebben de gerechtsdeurwaarders tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De gerechtsdeurwaarders kunnen zich daarbij niet verschuilen achter het feit dat de opdrachtgever volhardde in doorbetaling van de uit het beslag ontvangen gelden. Een gerechtsdeurwaarder moet immers ook rekening houden met de belangen van de beslagdebiteur.

5.  Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt. De kamer acht termen aanwezig tot het opleggen van na te melden maatregel over te gaan.

BESLISSING

De kamer voor gerechtsdeurwaarders:

-       verklaart klachtonderdeel 2b gegrond;

-       legt de gerechtsdeurwaarders de maatregel van berisping op;

-       verklaart klachtonderdeel 2a ongegrond.

Aldus gegeven door mr. D. Bode, plaatsvervangend-voorzitter, en mr. L. Voetelink en M.F.A. Driesenaar, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2019, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.