Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2018:102 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/626634 / DW RK 17/366

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2018:102
Datum uitspraak: 27-11-2018
Datum publicatie: 31-12-2018
Zaaknummer(s): C/13/626634 / DW RK 17/366
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen: Berisping
Inhoudsindicatie: Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij nalatig is geweest inzake de afhandeling van een dossier waarover een verschil van mening was ontstaan tussen de gerechtsdeurwaarder en zijn opdrachtgever inzake het fixeren van de rente. De kamer overweegt dat de gerechtsdeurwaarder te passief is opgetreden. Hij had zich meer moeten inspannen om het geschil met de opdrachtgever over de rente op te lossen. Dat had ook op de weg van de gerechtsdeurwaarder gelegen, omdat het geschil nu juist door hem was veroorzaakt en klager hiervan de nadelen ondervond. De klacht wordt gegrond verklaard en de gerechtsdeurwaarder wordt de maatregel van berisping opgelegd.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 27 november 2018 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/626634 / DW RK 17/366 van:

[     ],

wonende te [     ],

klager,

tegen:

[     ],

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [     ],

beklaagde,

gemachtigde [     ].

Ontstaan en loop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 4 april 2017, heeft klager een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. Bij e-mail van 7 en 11 april 2017 heeft klager aanvullende informatie verstrekt. Bij brief, ingekomen op 10 mei 2017, heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend. Bij e-mail van 15 mei 2017 heeft klager op het verweer van de gerechtsdeurwaarder gereageerd. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 16 oktober 2018. Verschenen zijn klager en de gerechtsdeurwaarder met zijn gemachtigde. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen gemaakt. De uitspraak is bepaald op 27 november 2018.

1. Feiten en omstandigheden

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a)     Klager is bij vonnis van 4 oktober 2007 gewezen door de rechtbank Rotterdam bij verstek veroordeeld tot betaling van een geldsom.

b)     Bij exploot van 4 mei 2014 is ten laste van klager beslag gelegd onder [    ] accountants.

c)     Bij brief van 25 april 2014 heeft de gerechtsdeurwaarder bericht dat klager volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en dat het dossier zou worden gesloten.

d)     Bij brief van 28 mei 2014 heeft de gerechtsdeurwaarder zijn opdrachtgever (een advocaat) medegedeeld dat zij de zaak wensten af te wikkelen wegens volledige betaling.

e)     In oktober 2014 heeft klager de gerechtsdeurwaarder bij e-mail medegedeeld dat ondanks de mededeling dat hij de vordering volledig had voldaan, hij door de schuldeiser nog steeds werd lastig gevallen met rekeningoverzichten met daarin vermeld nog openstaande door hem te betalen bedragen. Klager heeft de gerechtsdeurwaarder verzocht de schuldeiser te informeren dat het dossier was afgehandeld met het verzoek om een reactie.

f)      Bij e-mail van 4 maart 2015 heeft klager een klacht ingediend bij de gerechtsdeurwaarder.

g)     Bij e-mail van 1 april 2015 heeft klager de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder verzocht zijn cliënt te informeren dat de schuld van klager een jaar geleden was afgelost en zijn cliënt de opdracht te geven de schuld af te melden bij het BKR. Bij e-mail van 28 mei 2015 heeft klager dit verzoek herhaald.

h)     Bij e-mail van 1 juni 2015 heeft de opdrachtgever van de gerechts-deurwaarder klager medegedeeld dat zijn cliënt van mening was dat klager nog een bedrag aan rente verschuldigd was en zijn cliënt daarom geen reden zag de schuld af te melden bij het BKR

i)      Bij e-mail van 11 juni 2015 aan klager heeft de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder voormeld standpunt herhaald. Klager heeft deze e-mail doorgezonden naar de gerechtsdeurwaarder.

j)      Bij e-mail van 21 juli 2015 heeft klager de gerechtsdeurwaarder verzocht hem mede te delen welke stappen de gerechtsdeurwaarder ging zetten richting zijn opdrachtgever, verzocht om de administratie van gedane aflossing aan de opdrachtgever en hem te informeren wat zijn positie in deze zaak was.

k)     De gerechtsdeurwaarder heeft bij e-mail van 27 en 30 juli 2015 gereageerd op voormelde e-mail van klager en bij e-mail van 3 augustus 2015 is klager medegedeeld dat hij op de hoogte zou worden gehouden zodra de reactie van de opdrachtgever was ontvangen.

l)      Op 10 maart 2017 heeft klager de gerechtsdeurwaarder opnieuw aandacht gevraagd voor zijn klacht. Bij brief van 9 mei 2017 heeft de gerechtsdeurwaarder daarop gereageerd en klager heeft die brief beantwoord op 11 mei 2017.

2. De klacht

2.1 Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder het volgende. Van de gerechtsdeurwaarder heeft klager in 2014 bericht ontvangen dat hij volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en het dossier werd gesloten. Van de schuldeiser ontving klager brieven met de mededeling dat er nog een te betalen bedrag openstond. Op 27 juli 2015 heeft (een medewerker van) de gerechts-deurwaarder klager bericht waarom de schuldeiser van mening is dat er nog steeds een te betalen bedrag openstaat en dat hierover nog een discussie met de opdrachtgever wordt gevoerd. Het ging om een geschil met betrekking tot openstaande rente. Die discussie is echter nimmer afgerond. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij hierin nalatig is geweest. De gerechtsdeurwaarder heeft onvoldoende initiatief genomen om dit dossier af te handelen en heeft klager evenmin de kans gegeven het zelf af te handelen. Klager ondervindt nog steeds last van dit niet afgehandelde dossier.

2.2 Klager wil dat de gerechtsdeurwaarder de door hem geleden schade vergoed. Daarnaast wil klager een kopie van het hele dossier hebben.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal hierna op dat verweer worden ingegaan.

4. Beoordeling van de klacht

4.1 De klacht is gericht tegen het kantoor van de gerechtsdeurwaarder. Op grond van de wet kan een gerechtsdeurwaarderskantoor niet als beklaagde worden aangemerkt. Bij een klacht ingediend tegen een kantoor geldt volgens vaste rechtspraak dat de tuchtrechter zelf dient te onderzoeken tegen welke gerechtsdeurwaarder(s) van het samenwerkingsverband de klacht zich richt. Nu uit de stukken niet kan worden opgemaakt dat dit anders zou zijn, wordt de aan het kantoor van [     ] verbonden gerechtsdeurwaarder die heeft aangevoerd verantwoordelijk te zijn voor het dossier van klager als beklaagde aangemerkt. Dit is ter zitting besproken en klager heeft hiermee ingestemd. Onderzocht dient te worden of er gehandeld is in strijd met de tuchtrechtelijke norm als neergelegd in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

4.2  De kern van de klacht is het verwijt van klager aan de gerechtsdeurwaarder dat hij niets meer heeft ondernomen om het geschil met de opdrachtgever over het fixeren van de rente op te lossen. Klager wordt elke keer nog door de schuldeiser aangeschreven en hij ondervindt last van de BKR registratie. De gerechtsdeurwaarder is van mening dat hem niets valt te verwijten. De advocaat van de opdrachtgever is op 17 juli 2015 een voorstel gedaan waarop niet is gereageerd.  

4.3 De kamer overweegt als volgt. Klager heeft de gerechtsdeurwaarder op 13 oktober 2014 op de hoogte gesteld van de problemen die hij ondervond nadat hem was medegedeeld dat hij aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Nadat de gerechtsdeurwaarder klager op 17 oktober 2014 had verwezen naar zijn opdrachtgever heeft klager een tweede klacht ingediend bij de gerechtsdeurwaarder op 4 maart 2015. Klager werd daarop wederom verwezen naar de opdrachtgever die klager op 1 juni 2015, nader toegelicht op 9 juni 2015, heeft medegedeeld dat de schuldeiser van mening was dat klager nog een bedrag verschuldigd was. Klager heeft de gerechtsdeurwaarder daarop weer benaderd op 21 juli 2015 met de vraag wat de gerechtsdeurwaarder hieraan ging doen. Op 27 en 30 juli en 3 augustus 2015 is de e-mail correspondentie beëindigd met de mededeling van de gerechtsdeurwaarder dat gecorrespondeerd werd met de opdrachtgever over het feit dat te weinig rente was geïncasseerd en eerst de reactie van de opdrachtgever werd afgewacht.

4.4 Hieruit en uit de stukken volgt dat de gerechtsdeurwaarder na 17 juli 2015 na zijn brief aan zijn opdrachtgever en na het bericht van 3 augustus 2015 aan klager geen inspanning meer heeft verricht om het geschil over de rente met zijn opdrachtgever op te lossen. Richting klager is niet meer gereageerd tot na indiening van de klacht. De kamer is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder in deze te passief is opgetreden. Hij had zich meer moeten inspannen om het geschil met de opdrachtgever over de rente op te lossen. Dat had ook op de weg van de gerechtsdeurwaarder gelegen, omdat het geschil nu juist door hem was veroorzaakt en klager hiervan de nadelen ondervond. Dat wordt tuchtrechtelijk laakbaar geacht. Klachtonderdeel 2.1 dient dan ook gegrond te worden verklaard.

4.5 Voor de door klager verzochte schadevergoeding is in het tuchtrecht geen plaats. Dat de gerechtsdeurwaarder klager geen kopie van het dossier wenst te geven, is niet tuchtrechtelijk laakbaar. De correspondentie tussen de gerechtsdeurwaarder en zijn opdrachtgever is een zaak tussen hen beiden.

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt. De kamer acht het passend en geboden voor het gegrond verklaarde deel van de klacht na te melden maatregel op te leggen.

BESLISSING

De kamer voor gerechtsdeurwaarders:

-       verklaart klachtonderdeel 2.1 gegrond;

-       legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;

-       verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Aldus gegeven door mr. L. van Berkum, plaatsvervangend voorzitter, mr. C.A. van Dijk en mr. J.N. Reijn, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2018, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.