Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVBC:2020:9 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VB 2020/09 VB 2020/10 VB 2020/11 VB 2020/12

ECLI: ECLI:NL:TDIVBC:2020:9
Datum uitspraak: 30-10-2020
Datum publicatie: 03-11-2020
Zaaknummer(s):
  • VB 2020/09
  • VB 2020/10
  • VB 2020/11
  • VB 2020/12
Onderwerp: Overige diersoorten
Beslissingen: Ontvankelijk
Inhoudsindicatie: In deze uitspraak oordeelt het Veterinair Beroepscollege, anders dan het Veterinair Tuchtcollege, dat de Stichting Animal Rights ontvankelijk is in haar klachten tegen vier dierenartsen die gezondheidscontroles uitvoerden voor de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) bij  varkens in verband met hun vervoer naar een slachthuis, en die daartoe een gezondheidscertificaat hebben afgegeven. Uit de wetsgeschiedenis  blijkt dat artikel 8:15, tweede lid, aanhef en onder a van de Wet dieren waarin is bepaald wie een klacht kan indienen, ruim kan worden uitgelegd: “degene die als gevolg van dat handelen rechtstreeks in zijn belang is getroffen’ kan niet alleen de (voormalig) houder of eigenaar van een dier zijn, maar onder omstandigheden ook een rechtspersoon. Ten aanzien van de invulling van het belanghebbendenbegrip zoekt het Veterinair beroepscollege aansluiting bij het vergelijkbare begrip in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht . De stichting kan gelet op haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden in haar klachten tegen de dierenartsen worden ontvangen. Het Veterinair Beroepscollege is verder van oordeel dat het veterinaire tuchtrecht ook op de betreffende werkzaamheden van de dierenartsen van toepassing is en dat daarmee voldaan is aan het ontvankelijkheidsvereiste van artikel 8:15, eerste lid, dat de klacht is gericht “tegen een dierenarts of een andere persoon die is toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen, wegens het in strijd handelen met artikel 4.2”. Het door de stichting ingestelde beroep is gegrond. Het VTC heeft het onderzoek in deze zaak heropend en zal na een schriftelijke uitwisseling van standpunten op een nader te bepalen zitting overgaan tot de inhoudelijke behandeling van de klachten.

Zaaknummers:                                                                                            Datum uitspraak

VB 2020/09, VB 2020/10, VB 2020/11 en VB 2020/12                               30 oktober 2020        

Uitspraak op het beroep van:

Stichting Animal Rights, te Arnhem,

appellante,

tegen de uitspraken van het Veterinair Tuchtcollege van 6 mei 2020 in zaken met nrs. 2019/57, 2019/58, 2019/59 en 2019/60 in het geding tussen:

Stichting Animal Rights, hierna: de stichting

en

X, Y, Z en U ,

hierna: de dierenartsen

Procesverloop

Bij uitspraken van 6 mei 2020, verzonden op 6 mei 2020 (zie ook ECLI:NL:TDIVTC:2020:7) heeft het Veterinair Tuchtcollege de klachten van de stichting tegen de dierenartsen niet‑ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraken heeft de stichting bij brief van 3 juli 2020, binnengekomen op 6 juli 2020, tijdig beroep ingesteld.

In elk van deze zaken heeft de betrokken dierenarts een verweerschrift ingediend.

Het Veterinair Beroepscollege heeft de beroepen gezamenlijk ter zitting behandeld op 23 september 2020, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. M. van Duijn, advocaat te Den Haag, is verschenen. De dierenartsen zijn niet verschenen.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1.         De dierenartsen hebben ieder tussen maart 2016 en mei 2017 een- of meermalen op een verzamelplaats in Reusel, Knegsel of Lunteren gezondheidscontroles uitgevoerd bij een groep varkens in verband met en voorafgaande aan hun vervoer naar een slachthuis in België. De dierenartsen waren ten tijde van de gebeurtenissen die tot de klachten hebben geleid werkzaam voor de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) als toezichthoudend dierenarts. Uit de door de stichting in het geding gebrachte stukken blijkt dat er telkens na aankomst van de varkens op het slachthuis in België door aldaar werkzame dierenartsen c.q. controleurs van het Belgisch Federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (FAVV) is geconstateerd dat er zich onder de vervoerde varkens diverse zieke en/of gewonde dieren met letsel bevonden.

2.         De stichting heeft in eerste aanleg gesteld dat de dierenartsen ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het vervoer van deze dieren en dat zij voor deze dieren ten onrechte een gezondheidscertificaat hebben afgegeven. Daarmee is in strijd gehandeld met Europese regelgeving, op basis waarvan dieren geschikt dienen te zijn voor het voorgenomen vervoer en gewonde, zwakke en zieke dieren daartoe niet in staat worden geacht. De stichting heeft verwezen naar Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2004, inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten, waaruit volgt dat het niet is toegestaan dieren te (laten) vervoeren op zodanige wijze dat hen letsel en onnodig lijden kan worden berokkend. De stichting heeft tevens verwezen naar de Richtlijn nr. 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1994 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautair handelsverkeer in runderen en varkens. Daaruit volgt dat de in de richtlijn bedoelde runderen en varkens tijdens het vervoer naar hun plaats van bestemming vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat, waarin dient te worden voorzien middels de afgifte daarvan door een officiële dierenarts.

3.         De dierenartsen hebben het standpunt ingenomen dat de stichting in haar klachten niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de stichting geen eigenaar, houder of verzorger is van de desbetreffende dieren.

Beslissing van het Veterinair Tuchtcollege

4.         Het Veterinair Tuchtcollege heeft de klachten tegen de respectieve dierenartsen niet‑ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het college overwogen dat de stichting niet als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 8.15, tweede lid, onder a, van de Wet dieren kan worden aangemerkt. De stichting was immers geen eigenaar of houder van de vervoerde varkens en had daarover ook geen zeggenschap. Verder draagt het doel van de stichting onvoldoende uit dat een particulier, exclusief en specifiek aan de stichting gerelateerd belang is getroffen. Het college heeft verder meegewogen dat het de gangbare praktijk is dat bij een meer algemene misstand dan wel een tuchtvergrijp waarbij een dierenarts betrokken is en de diereigenaar of dierhouder daarover zelf geen klacht wenst in te dienen, de klachtambtenaar bevoegd is verklaard tot het indienen van een klacht.

Beoordeling van de beroepsgronden door het Veterinair Beroepscollege

5.         Aan de orde is de vraag of het Veterinair Tuchtcollege terecht heeft beslist dat de stichting niet in haar klachten kan worden ontvangen.

De stichting betoogt in beroep dat uit de wetstekst noch wetsgeschiedenis blijkt dat dient te worden uitgegaan van een ander belanghebbendenbegrip als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of dat anderen dan (particuliere) eigenaren en houders van dieren zijn uitgesloten van het recht om op grond van artikel 8.15, tweede lid, aanhef en onder a van de Wet dieren een klacht in te dienen. De stichting voert verder aan dat zij gezien haar doelstelling en werkzaamheden wel degelijk in een aan de stichting gerelateerd belang is getroffen. Voor het belanghebbendenbegrip dient volgens de stichting te worden aangeknoopt bij het bredere belanghebbendenbegrip in de Awb. Dat de stichting ook een melding had kunnen doen bij de klachtambtenaar dan wel een aangifte bij de officier van justitie, voor zover er tevens sprake was van een strafbaar handelen, kan volgens de stichting niet afdoen aan haar zelfstandige klachtrecht onder de Wet dieren.

De dierenartsen betogen in hun gelijkluidende verweerschriften dat de stichting geen eigenaar of houder is van de dieren. Er is daarmee niet voldaan aan de eisen voor het belanghebbendenbegrip uit artikel 8:15, tweede lid, van de Wet dieren. Verder is de poging van de stichting tot uitbreiding van dit belanghebbendenbegrip tot dat van het belanghebbendenbegrip van de Awb onjuist, omdat genoemd artikel 8:15, tweede lid, een specifieke bepaling voor het tuchtrecht betreft.

Het Veterinair Beroepscollege overweegt ten aanzien van de beroepsgronden het volgende.

5.1.      Op grond van artikel 8:15, eerste lid, van de Wet dieren kan bij het Veterinair Tuchtcollege een schriftelijke klacht worden ingediend tegen een dierenarts of een andere persoon die is toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen, wegens het in strijd handelen met artikel 4.2 van de Wet dieren. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a van artikel 8:15 kan een klacht worden ingediend door degene die als gevolg van dat handelen rechtstreeks in zijn belang is getroffen. Het tweede lid voorziet voorts in de indiening van een klacht door een ambtenaar, aangewezen door de minister (lees: de klachtambtenaar).

Artikel 8:15, tweede lid, onder a van de Wet dieren

5.2.      Partijen zijn het niet eens over de wijze waarop artikel 8:15, tweede lid, aanhef en onder a van de Wet dieren in dit geval moet worden uitgelegd. De stichting trekt de kring van belanghebbenden die een klacht kunnen indienen ruimer dan de dierenartsen. Het Veterinair Beroepscollege overweegt met betrekking tot die uitleg en, meer in het bijzonder, de uitleg van de daar gebezigde woorden “degene die als gevolg van dat handelen rechtstreeks in zijn belang is getroffen” het volgende.

5.3.      De tekst van artikel 8:15, tweede lid, aanhef en onder a van de Wet dieren stemt overeen met de tekst van artikel 29, eerste lid, van de voorganger van die wet, de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 (WUD). Bij de latere totstandkoming van de Wet dieren was artikel 8:15 in de parlementaire stukken aanvankelijk genummerd als artikel 8:17. Later werd dat artikel 8:15.

Aan de totstandkoming van artikel 29 van de WUD en artikel 8:15 (aanvankelijk artikel 8:17) van de Wet dieren ontleent het Veterinair Beroepscollege de volgende informatie.

De memorie van toelichting op de WUD bevat de volgende passage:

“Omtrent degenen die volgens het eerste lid bevoegd zijn het tuchtrechtproces door indiening van een klacht te doen aanvangen, kan het volgende worden opgemerkt: “Een rechtstreeks in zijn belang getroffen persoon is zeker de houder van een dier ten aanzien waarvan een tuchtvergrijp is gepleegd. Het is mogelijk dat door een tuchtvergrijp geen persoonlijk belang rechtstreeks wordt getroffen…Het is voorts denkbaar dat een wel rechtstreeks in zijn belang getroffen persoon om hem moverende redenen van zijn klachtbevoegdheid geen gebruik maakt, doch de aard of ernst van het tuchtvergrijp of de omstandigheden waaronder het is gepleegd, het uit een oogpunt van algemeen belang wenselijk maken de zaak toch aan het oordeel van de tuchtrechter te onderwerpen. Met het oog op deze gevallen is een door de Minister van Landbouw en Visserij en de Minister van Justitie tezamen aangewezen ambtenaar tot indiening van een klacht bevoegd verklaard”. (Onderstreping VBC). (Kamerstukken II, 1982-1983, 17764, nr. 3, blz. 27).

Uit de formulering ‘zeker de houder van een dier’ in de zojuist geciteerde passage volgt dat niet uitsluitend de houder van een dier een klacht in kan dienen. Dat laatste was ook de opvatting van het Veterinair Beroepscollege en het Veterinair Tuchtcollege in de tuchtrechtspraak op artikel 29, eerste lid, van de WUD. Het Veterinair Beroepscollege wijst in dat verband op de ook door de stichting ter zitting aangehaalde uitspraak van het Veterinair Beroepscollege van 11 januari 1995 (ECLI:NL:TDIVBC:1996:5, r.o.7). Dat de kring van belanghebbenden ruimer is dan houders of eigenaren van dieren en dat tot diegenen die rechtstreeks in hun belang zijn getroffen ook rechtspersonen kunnen horen, blijkt uit de memorie van antwoord van de minister in de eerste kamer van 30 augustus 2010 waarin hij verwijst naar het inmiddels tot het artikel 8.15 vernummerde artikel 8.17 van het wetsvoorstel. De relevante passage luidt:

“Artikel 8.15 van het wetsvoorstel bepaalt wie zich tot de veterinaire tuchtrechter kunnen wenden met betrekking tot een klacht tegen een dierenarts of paraveterinair. Dit artikel komt overeen met het huidige artikel 29, eerste lid, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990, een met artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht vergelijkbare bepaling.

In de eerste plaats kan een ieder die rechtstreeks in zijn belang is getroffen, zodanige klacht indienen. Dit betreft dan niet alleen houders van dieren. Ook beroepsgenoten kunnen belanghebbend zijn bij het voorkomen en bestrijden van misstanden door dierenartsen. Rechtspersonen kunnen opkomen voor de belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Dit geldt ook voor de KNMvD die, mede gelet op de ruime doelomschrijving in artikel 2 van haar statuten, mogelijkheden heeft een klacht tegen een individuele dierenarts in te dienen. (Kamerstukken I, 2009-2010, 31389 C) (Onderstrepingen VBC). “

5.4.      Uit het vorenstaande volgt dat reeds onder de WUD de kring van belanghebbenden ruimer was dan de dierenartsen in deze zaak stellen, en dat die lijn in de Wet dieren is voortgezet. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet dieren volgt ook dat de wetgever ten aanzien van het belanghebbendenbegrip aansluiting heeft gezocht bij het vergelijkbare belanghebbendenbegrip in de Awb en dat tot die kring van belanghebbenden rechtspersonen kunnen behoren. Artikel 8:15, tweede lid, van de Wet dieren verzet zich daarmee op zichzelf niet tegen de indiening van een klacht tegen een dierenarts door een rechtspersoon die rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen. Een dergelijke rechtspersoon kan belanghebbende zijn in de zin van artikel 8:15, tweede lid aanhef en onder a van de Wet dieren.

5.5.      Dat de stichting daarnaast ook een melding kan doen bij de klachtambtenaar zodat die een klacht kan indienen als bedoeld in artikel 8:15, tweede lid, aanhef en onder b van de Wet dieren betekent, anders dan het Veterinair Tuchtcollege in overweging 4.13 oordeelt, niet dat de stichting daarmee is uitgesloten van het klachtrecht. Dit valt immers niet uit de bewoordingen van de wet of de wetsgeschiedenis af te leiden. Dat onder omstandigheden ook aangifte kan worden gedaan tegen de dierenartsen vanwege een vermeend strafbaar feit, is evenmin relevant. Het tuchtrecht heeft immers een ander doel dan het strafrecht en een tuchtrechtelijke procedure kan dan ook naast een strafrechtelijke procedure gevoerd worden.

Kan deze stichting in haar klachten worden ontvangen?

5.6.      Dat gezegd zijnde is het de vraag of de stichting gelet op haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden in haar klachten tegen de dierenartsen kan worden ontvangen. Het Veterinair Beroepscollege stelt daarbij voorop dat zij voor de beantwoording van deze vraag aansluiting zoekt bij het vergelijkbare artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Volgens dat artikellid – dat een nadere uitwerking vormt van het begrip belanghebbende in artikel 1:2, eerste lid, Awb - worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

5.7.      De stichting stelt onder verwijzing naar haar statuten en feitelijke werkzaamheden dat zij gezien haar doel en werkzaamheden rechtstreeks in haar belangen wordt getroffen.

5.8.      Het doel van de stichting is volgens haar statuten, opgenomen in de akte van 23 november 2015, houdende de wijziging van haar statuten (artikel 2.1):

Het opkomen voor in gevangenschap levende dieren waaronder landbouwhuisdieren en proefdieren,

Het opkomen voor in het wild levende dieren en de kwaliteit van hun natuurlijke habitat.

In artikel 2.2. van de statuten zijn de middelen vermeld om het doel te bereiken, waaronder het toepassen van bestaande rechtsmiddelen en de verbetering van de rechtspositie van het dier. Het Veterinair Beroepscollege stelt daarmee vast dat de stichting, gelet op haar statutaire doel een rechtstreeks en bovenindividueel belang heeft bij het in voorkomende gevallen en daar waar de zorgplichten als bedoeld in artikel 4.2 van de Wet dieren in het geding zijn, indienen van een tuchtrechtelijke klacht tegen een dierenarts.

5.9.      Ten aanzien van de feitelijke werkzaamheden van de stichting heeft de stichting in haar inleidende klaagschriften gesteld dat zij actie voert tegen misstanden in de bio-industrie zoals tijdens het transport van dieren en in slachthuizen. Voorts blijkt uit informatie van de stichting op haar website dat de stichting regelmatig activiteiten en evenementen organiseert, zowel in Nederland als in België. Tot die activiteiten behoren het houden van vreedzame demonstraties, het organiseren van gastlessen op scholen en gastcolleges op hogescholen en universiteiten, waaronder lezingen over dierethiek. Op haar website is tevens vermeld dat de stichting, zoals zij ook ter zitting heeft toegelicht, rechtszaken aanspant en gebruik maakt van andere ruimte die de wet biedt om op te komen voor de belangen van dieren. Gelet op deze feitelijke werkzaamheden kan de stichting naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege als belanghebbende worden aangemerkt.

Conclusie

5.10.     Het beroep van de Stichting is gegrond. Doende hetgeen het Veterinair Tuchtcollege had moeten doen zal het Veterinair Beroepscollege de stichting alsnog ontvangen in haar klachten tegen de vier dierenartsen.

Reikwijdte veterinair tuchtrecht toezichthoudende dierenartsen

6.         Het Veterinair Tuchtcollege heeft in zijn uitspraak onder 4.8 overwogen dat het veterinair tuchtrecht in beginsel ook op geregistreerde en toezichthoudende dierenartsen van toepassing kan zijn, althans waar het de in dit geding zijnde werkzaamheden betreft en een klacht tegen deze dierenartsen in behandeling kan worden genomen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en aansluitend op de conclusie zoals weergegeven onder 5.10, overweegt het Veterinair Beroepscollege daarover het volgende.  

6.1.      In artikel 4.2 van de Wet dieren zijn de zorgplichten opgenomen. Het eerste lid van dit artikel luidt: “Personen die zijn toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen, schieten niet door enig handelen of nalaten tekort in de zorg die zij in hun hoedanigheid (a) behoren te betrachten ten opzichte van een dier met betrekking tot welke hun hulp is ingeroepen en (b) verlenen of in geval van nood behoren te verlenen ten opzichte van een dier.“ In het tweede lid is een zorgplicht met een bredere strekking opgenomen:

“Personen die zijn toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen schieten niet zodanig tekort in hetgeen van hen in hun hoedanigheid verwacht mag worden dat daardoor ernstige schade kan ontstaan voor de gezondheidszorg voor dieren.”

6.2.      Dat het bereik van het veterinaire tuchtrecht breed is, is mede af te leiden uit het doel van de Wet dieren en de memorie van toelichting. Dit zal hier nader aan de hand van enkele passages uit de wetsgeschiedenis worden toegelicht.

Het doel van de wet is beschreven in de considerans en nader beschreven in de memorie van toelichting (paragraaf 3.2). In de considerans staat de overweging: “Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is ter uitvoering van Europese verplichtingen en in het belang van de gezondheid en het welzijn van dieren en in dat van de volksgezondheid, regels te stellen betreffende dieren, in het bijzonder door de mens gehouden dieren, onder erkenning van de intrinsieke waarde van het dier (…).” (Kamerstukken II, 2007-2008, 31389, nr. 2). 

In paragraaf 5.4.2 van de memorie van toelichting wordt gewezen op het algemeen belang van de bescherming van een goede gezondheidszorg voor dieren die centraal staat in de zorgplichten van artikel 4.2. Ook wordt daar opgemerkt: “Voor het veterinaire tuchtrecht geldt daarom het uitgangspunt dat al de gedragingen die afbreuk doen aan dat algemeen belang van de gezondheidszorg voor dieren aan toetsing zullen worden onderworpen. In beginsel zullen klachten over louter de hoogte van de rekening of de bejegening van de houder van het dier daarom afgewezen worden, omdat dergelijke klachten zich niet richten tegen een inbreuk op de zorgplicht. Het veterinair tuchtrecht richt zich voorts slechts op gedragingen van individuele leden van de medische beroepen die zijn toegelaten tot de beroepsmatige uitoefening van de diergeneeskunde. De tot die beroepsgroepen behorende diergeneeskundigen zijn op grond van hun kunde en ervaring exclusief toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van de diergeneeskundige handelingen. Dierenartsen, dierverloskundigen, castreurs of paraveterinairen hebben een geheel eigen verantwoordelijkheid voor dieren ten algemene. Het is juist de invulling van die verantwoordelijkheid waarover het veterinaire tuchtrecht zich uitspreekt.” (Kamerstukken II, 2007-2008, 31389, nr. 3, blz. 78).

6.3.      Dat ook keuringen c.q. het beoordelen van de klinische gesteldheid van een dier in combinatie met de afgifte van een gezondheidsverklaring onder diergeneeskundige handelingen en daarmee onder het veterinaire tuchtrecht vallen, is vaste jurisprudentie van het Veterinair Tuchtcollege en het Veterinair Beroepscollege (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:TDIVBC:2006:11 en ECLI:NL:TDIVBC:2011:11). Het Veterinair Beroepscollege kan zich verenigen met hetgeen het Veterinair Tuchtcollege in dit verband heeft overwogen onder 4.6 van zijn uitspraak. Het feit dat de onderhavige werkzaamheden van de NVWA-dierenartsen in overheidsdienst en niet binnen een cliëntverhouding met een commercieel zakelijk oogmerk worden uitgevoerd, laat onverlet dat deze werkzaamheden van veterinaire aard zijn, die bij een incorrecte uitvoering het dierenwelzijn en de diergezondheid kunnen treffen, waar zonder het verstrekte gezondheidscertificaat vervoer en slacht niet doorgaan.

6.4.      Het Veterinair Beroepscollege is op grond van het voorgaande van oordeel dat het veterinaire tuchtrecht ook op de onderhavige werkzaamheden van de dierenartsen van toepassing is en dat daarmee voldaan is aan het ontvankelijkheidsvereiste van artikel 8:15, eerste lid, dat de klacht is gericht “tegen een dierenarts of een andere persoon die is toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen, wegens het in strijd handelen met artikel 4.2”. Het Veterinair Beroepscollege is evenals het Veterinair Tuchtcollege van oordeel dat de wetgever niet duidelijk en expliciet heeft uitgesloten dat de dierenartsen die de toezichthoudende werkzaamheden uitvoeren in dienst van de NVWA aan het veterinair tuchtrecht kunnen zijn onderworpen.

Conclusie

6.5.      Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de bestreden uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege niet in stand kan blijven. De klachten tegen de dierenartsen zijn ontvankelijk. Dit betekent dat het Veterinair Beroepscollege, met inachtneming van artikel 8.39, tweede lid, van de Wet dieren, de beslissing waarvan beroep zal vernietigen en na een nadere schriftelijke uitwisseling van standpunten op een nader te bepalen zitting zal overgaan tot de inhoudelijke behandeling van de klachten. Dan zal ook aan de orde zijn of de klachten binnen een redelijke termijn zijn ingediend en of de feiten waarover geklaagd wordt al dan niet zijn verjaard. In verband hiermee zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

Slotsom

7.         Het beroep is gegrond. Gelet op artikel 8.39, tweede lid, van de Wet dieren zal het Veterinair Beroepscollege het onderzoek heropenen. Het Veterinair Beroepscollege zal de dierenartsen eerst de gelegenheid bieden om schriftelijk inhoudelijk te reageren op de ingediende klachten. Indien partijen daarna behoefte hebben aan repliek en dupliek bestaat daarvoor in beginsel de gelegenheid. In afwachting van de verdere behandeling houdt het Veterinair Beroepscollege iedere verdere beslissing aan.

Beslissing

Het Veterinair Beroepscollege:

I.          verklaart het beroep van de stichting gegrond;

II.         vernietigt de uitspraken van het Veterinair Tuchtcollege van 6 mei 2020 in de zaken 2019/57,

2019/58, 2019/59 en 2019/60;

III.         verklaart de stichting ontvankelijk in haar klachten;

IV.        heropent met inachtneming van artikel 8.39, tweede lid, Wet dieren het onderzoek en stelt de

dierenartsen gedurende vier weken vanaf de datum van verzending van deze uitspraak in de     gelegenheid om schriftelijk inhoudelijk te reageren op de klachten;

V.         houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, mr. Y.A.J.M. van Kuijck, mr. G. Tangenberg, jurist-leden, dr. L.M. Derkx‑Overduin en drs. H.W. Wagenaar, dierenarts-leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. M.H. Zandvliet als secretaris.

w.g. mr. E.A. Minderhoud                                                w.g. mr. drs. M.H. Zandvliet   

voorzitter                                                                       plv. secretaris

Voor eensluidend afschrift,

mr. drs. M.H. Zandvliet             

plv. secretaris

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2020