Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TAHVD:2020:166 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200037

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2020:166
Datum uitspraak: 31-08-2020
Datum publicatie: 01-09-2020
Zaaknummer(s): 200037
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Geheimhoudingsplicht
Beslissingen: Berisping
Inhoudsindicatie: Klacht tegen eigen advocaat. De advocaat is ingeschakeld via de rechtsbijstandsverzekeraar van klager. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door een e-mailbericht van klager met daarin informatie van klager over zijn medische gesteldheid door te zenden aan de verzekeraar. Deze email bevat medische gegevens van klager (suikerwaarden van een diabetespatiënt) en hiervoor is niet relevant of die informatie juist is dan wel afkomstig zijn van een arts. Verweerder heeft de kernwaarde geheimhouding geschonden. Het hof legt aan verweerder de maatregel van berisping op.

BESLISSING

van 31 augustus 2020

in de zaak 200037

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerder

1        HET GEDING IN EERSTE AANLEG

1.1        Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (verder: de raad) van 13 januari 2020 met nummer 19-119/DH/RO en de herstelbeslissing van 27 januari 2020. Bij de beslissingen van 13 en 27 januari 2020 heeft de raad klachtonderdeel a geheel, klachtonderdeel b deels gegrond verklaard en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Aan verweerder is geen maatregel opgelegd. Verweerder is veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht aan klager.

1.2        De beslissing van 13 januari 2020 van de raad is gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder nummer ECLI:NL:TADRSGR:2020:25. De beslissing van 27 januari 2020 van de raad is gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder nummer ECLI:NL:TADRSGR:2020:30.

2        HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1        Het beroepschrift van klager tegen genoemde beslissingen is op 9 februari 2020 per e-mail en op 12 februari 2020 per post door de griffie van het hof ontvangen.

2.2        Het beroepschrift is aan verweerder doorgezonden op 13 februari 2020 met het verzoek binnen zes weken te reageren. Verweerder heeft verzocht om uitstel voor het indienen van zijn verweerschrift, waarop de voorzitter van het hof op 25 maart 2020 de termijn heeft verlengd met twee weken. Verweerder heeft op 9 april 2020 zijn verweerschrift ingediend. Partijen is op 9 april 2020 bericht dat het hof voornemens is de zaak op de stukken in raadkamer te beoordelen.

2.3        Klager heeft het hof op 12 april 2020 verzocht het verweerschrift niet-ontvankelijk te verklaren wegens overschrijding van de termijn, alsmede hem een termijn te gunnen om nog op het verweerschrift te reageren. De griffie heeft klager namens de voorzitter van het hof bericht dat de termijn voor indiening van het verweerschrift geen fatale termijn is, maar een termijn betreft die gericht is op een ordentelijk verloop van de procedure. De voorzitter heeft klager in de gelegenheid gesteld te reageren op het verweerschrift. Deze reactie (repliek) van klager is op 28 april 2020 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4        Aan partijen is op 7 mei 2020 bericht door de griffie van het hof dat verweerder in het kader van hoor en wederhoor nog in de gelegenheid is te reageren op de repliek van klager. Voorts zijn partijen geïnformeerd over de samenstelling van de kamer die de zaak behandelt en de uitspraakdatum van 3 juli 2020.

2.5        De griffie van het hof heeft op 27 mei 2020 de nadere reactie (dupliek) van verweerder ontvangen. Partijen is vervolgens op 11 juni 2020 bericht dat de samenstelling van de behandelend kamer is gewijzigd naar de huidige samenstelling en dat de beslissing vandaag zal worden gewezen.

2.6        Het hof heeft de zaak, met instemming van beide partijen, behandeld in raadkamer.

3        KLACHT

3.1        De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:

a) op 30 september 2016 zonder klagers medeweten en toestemming een e-mail aan [naam rechtsbijstandsverzekeraar] heeft gezonden met daarin een negatief (proces)advies;

b) zonder klagers medeweten en toestemming meerdere vertrouwelijke e-mails aan [naam rechtsbijstandsverzekeraar] heeft verstrekt, welke e-mails onder meer medische informatie alsmede daderinformatie bevatten.

4        FEITEN

4.1        Voor zover in beroep van belang, stelt het hof de volgende feiten vast.

4.2        Klager heeft op 19 januari 2016 getracht aangifte te doen tegen zijn huisarts. De politie weigerde deze aangifte op te nemen, waarna klager zich heeft gewend tot zijn rechtsbijstandsverzekeraar [naam rechtsbijstandsverzekeraar]. De rechtsbijstandsverzekeraar heeft de uitvoering van de melding van klager uitbesteed aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] (verder: [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar]).

4.3        [Naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] heeft de zaak uitbesteed aan het kantoor van verweerder. Door persoonlijke omstandigheden aan de zijde van klager heeft de zaak enkele maanden stilgelegen.

4.4        Bij brief van 14 juli 2016 heeft verweerder klager algemene juridische informatie verschaft over de door klager gewenste procedure, waaronder een beschrijving van en toelichting op artikel 272 Wetboek van Strafrecht alsmede de vereisten voor een bewezenverklaring.

4.5        Klager heeft in zijn e-mailbericht d.d. 22 augustus 2016 gericht aan verweerder uiteengezet waarover hij aangifte tegen zijn huisarts wil doen en dit geïllustreerd aan de hand van voorbeelden. Een van de voorbeelden die klager geeft luidt:

“[De huisarts; HvD] heeft valsheid in geschrifte gepleegd. Talloze voorbeelden. Ik noem er 2. Bloedsuiker gemeten op 4-11-2015. In het dossier staat 5,8 het was 3,6. 3,6 betekent dat je een hypo hebt en dat kan gevaarlijk zijn. Er is ook niets aan gedaan. [De huisarts; HvD] ontkent dat mijn bloedsuiker te laag is. [De huisarts; HvD] heeft mij op 4 november bovendien in hulpeloze toestand gelaten. Dat is strafbaar, artikel 255 WvS. [De huisarts; HvD] ontkent dat mijn bloedsuiker te laag is. (…).”

4.6        Verweerder heeft per e-mail van 7 september 2016 aan klager bericht dat hij van mening is dat het strafrecht niet de route is die moet worden gegaan, daargelaten de kans van slagen van de procedure omdat hij niet ziet dat er een vervolging wordt ingesteld. Verweerder geeft aan dat klager een klacht bij de tuchtrechter kan indienen. Verweerder schrijft dat het helpen bij het opstellen van een aangifte niet behoort tot de dekking.

4.7        Omdat klager niet tevreden was over de wijze waarop verweerder zijn zaken behandelde, heeft hij verweerder op respectievelijk 14 juli, 22 augustus, 22 en 23 september 2016 gevraagd om [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] te berichten dat hij de zaak van klager kennelijk niet kan of wil doen en klager hierin niets te verwijten valt.

4.8        Tevens heeft klager op 23 september 2016 aan verweerder per e-mail geschreven dat hij het oneens is met de door verweerder voorgestelde aanpak en dat hij vindt dat sprake is van een aangifte met een gerede kans op veroordeling. Daarbij gaat klager in op de definitie die het OM hanteert ter zake van een medische zaak .

4.9        Op 29 september 2016 heeft verweerder klager bericht dat hij de opdracht heeft teruggegeven aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar]. Diezelfde dag heeft verweerder per e-mail de brief van 28 september 2016 naar [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] verzonden met bijgevoegd het e-mailbericht van klager d.d. 22 augustus 2016, als vermeld onder r.o. 4.6.

4.10        De secretaresse van verweerder heeft per e-mail een brief d.d. 30 september 2016, met dezelfde inhoud als de brief van 28 september 2016, naar [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] gestuurd met daarin de verwijzing naar de e-mail van klager aan hem d.d. 22 augustus 2016.

4.11        Op 4 oktober 2016 heeft verweerder per e-mail aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] opnieuw de brief van 30 september 2016 gestuurd.

4.12        Op 12 december 2016 heeft klager een e-mail van [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] ontvangen waaruit blijkt dat verweerder ook zijn e-mails aan klager d.d. 14 juli en 23 september 2016 aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] heeft verstrekt.

5        BEOORDELING

De beslissing van de raad         

5.1        De raad heeft, kort samengevat, overwogen dat verweerder zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden door een e-mail aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] te verzenden waarin verweerder is ingegaan op de kans van slagen van de door klager gewenste procedure en welke route volgens hem bewandeld dient te worden, hetgeen derhalve is  aan  te merken als een procesadvies. Voorts heeft verweerder zijn geheimhoudingsplicht geschonden door zonder medeweten of toestemming van klager een inhoudelijk oordeel over de zaak, inclusief correspondentie met vertrouwelijke informatie, te verstrekken aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar]. De raad heeft niet met zekerheid kunnen vaststellen dat verweerder daarbij medische informatie aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] heeft gestuurd. De raad heeft klachtonderdeel a) volledig gegrond verklaard en klachtonderdeel b) gegrond verklaard ten aanzien van de verstrekking van vertrouwelijke e-mails aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar]. De raad heeft niet kunnen vaststellen dat verweerder medische informatie aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] heeft gestuurd, hetgeen door verweerder expliciet is betwist. Voor zover klachtonderdeel b) daarop ziet heeft de raad dat klachtonderdeel ongegrond verklaard.

5.2        De raad heeft aan verweerder geen maatregel opgelegd, omdat verweerder onweersproken heeft gesteld dat de werkwijze van zijn praktijk is aangepast op de beslissing van 19 augustus 2014 (ECLI:NL:TARAMS:2014:215) van de raad van discipline in het arrondissement Amsterdam. Verweerder heeft laten blijken lering te hebben getrokken uit de klacht. Verder heeft verweerder zijn fout erkend en zijn excuses gemaakt. Ook heeft de raad overwogen dat verweerder 32 jaar advocaat is en een blanco tuchtrechtelijk verleden heeft.

Het beroep van klager

5.3        Klager heeft in zijn beroep, samengevat, de volgende grieven aangevoerd:

1. De beslissing van de raad bevat feitelijke onjuistheden, bijvoorbeeld onder randnummer 2.5 waarin de correspondentie onjuist is weergegeven. Daarbij heeft de raad ten onrechte vermeld dat de zaak is voorgelegd aan rechtsbijstandsverzekeraar [naam rechtsbijstandsverzekeraar] in plaats van aan de uitvoerder van de verleende rechtsbijstand, [naam rechtsbijstandsverzekeraar].

2. De raad heeft verzuimd om het verloop van het wrakingsverzoek van klager bij de raad op te nemen in de raadbeslissing. Tevens heeft de raad een fout gemaakt in het proces-verbaal door op pagina 2 de brief van klager van 20 augustus 2016 te vermelden. Dat moet 22 augustus 2016 zijn, aldus klager.

3. Klachtonderdeel b) ten onrechte deels ongegrond is verklaard. De raad heeft miskend dat de e-mail van 22 augustus 2016 medische informatie over klager bevat en dat verweerder deze e-mail aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] heeft doorgezonden. Informatie over bloedsuikerwaardes, hypo’s en medicatie betreft per definitie medische informatie. Daarbij is klager na de mondelinge behandeling bij de raad bekend geworden met het e-mailbericht van verweerder aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] van 23 augustus 2016 en het telefonisch contact tussen verweerder en [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] op diezelfde dag, waarin medische informatie is verstrekt door verweerder. Ook heeft verweerder inzake de medische kwestie [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] bericht dat klager daarvoor bij het Medisch Tuchtcollege terecht kan, wat op zichzelf al medische informatie betreft. Klager is hierdoor benadeeld omdat zijn relatie met [naam rechtsbijstandsverzekeraar] ook andere financiële producten, zoals zijn zorgverzekering, behelst en [naam rechtsbijstandsverzekeraar] de informatie kan misbruiken voor de dekking van de andere producten.

4. Verweerder heeft cruciale informatie in de tuchtprocedure achtergehouden voor klager door niet mee te willen werken aan de verstrekking van het procesdossier. Hiervoor moest de deken bemiddelen. Dit is tuchtrechtelijk verwijtbaar.

5. Uit de later verstrekte stukken is gebleken dat verweerder zich negatief heeft uitgelaten over klager door aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] te schrijven dat verweerder niet zijn vingers aan klager wil branden. Verweerder heeft samengespannen met [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar]. Dit blijkt onder meer uit teksten uit de correspondentie tussen verweerder en [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar], zoals ‘we spraken eerder over [klager; HvD]’, ‘De vraag is of we dat moeten doen’ en ‘Graag heb ik overleg met u’. Verweerder heeft zich laten instrueren door [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar]. Verweerder heeft telefonische contacten onderhouden met [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] en inhoudelijk overleg over de zaak gevoerd met [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] zonder medeweten van klager. Ook is gebleken dat bij het opvragen van informatie dat verweerder stukken en informatie achter heeft gehouden, zoals de brieven van 28 en 30 september 2016. Dit is ernstige misleiding.

6. De raad heeft ten onrechte geen maatregel opgelegd. Klager heeft wel degelijk betwist in de procedure bij de raad dat de werkwijze van verweerder is aangepast naar aanleiding van de beslissing van de raad van discipline te Amsterdam uit 2014. Daarbij is die stelling onjuist, omdat verweerder daarmee doelde op de machtiging van [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] die een advocaat kan ondertekenen op verzoek van een verzekerde. Dit is geen verplichting en zo’n machtiging biedt geen garantie. Verder voert klager in dit verband aan dat uit jurisprudentie blijkt dat voor het verstrekken van één procesadvies aan een derde al een waarschuwing is opgelegd. Verweerder heeft meerdere adviezen verstrekt, samengespannen en de schending van de geheimhoudingsplicht brengt een strafrechtelijk misdrijf mee. Er is sprake van de schending van een kernwaarde, wat volgens andere uitspraken van het hof niet een gegrondverklaring zonder maatregel kan meebrengen. De raad heeft de waarde van geheimhouding uitgehold door schending daarvan ongestraft voorbij te laten gaan. Daarbij had de raad de schade voor klager in overweging moeten nemen. Ook blijkt uit de nieuwe stukken dat verweerder geenszins berouwvol is, maar met voorbedachten rade geprobeerd heeft zijn handelen te verdoezelen.

5.4        In repliek heeft klager verzocht het verweerschrift van verweerder niet-ontvankelijk te verklaren, omdat verweerder dat buiten de gestelde termijn heeft ingediend. Het hof heeft het procesreglement willekeurig toegepast. Hierdoor heeft klager nadeel ondervonden, komt de rechtszekerheid in het gevaar en is sprake van strijd met het recht op een eerlijk proces (6 EVRM).

Verweer in beroep

5.5        Verweerder heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Voor zover voor de beoordeling van de grieven van belang, wordt dat verweer besproken bij de beoordeling.

5.6        In dupliek heeft verweerder het hof bericht dat, als zijn verweerschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard, hij verzoekt om een mondelinge behandeling van deze zaak.

De beoordeling – formele punten

5.7        Het hof stelt bij de beoordeling van het beroep van klager het volgende voorop. Uit artikel 56, eerste lid, sub a Advocatenwet volgt dat beroep tegen een beslissing van de raad openstaat voor een klager voor zover diens klacht ongegrond is verklaard. Dit betekent dat geen beroep openstaat tegen de beoordeling van gegrond verklaarde klachtonderdelen en de dienaangaande door de raad opgelegde maatregel (of afwezigheid daarvan bij een gegrondverklaring). Dit leidt tot het oordeel dat klager niet-ontvankelijk is in zijn beroep ten aanzien van de eerste en de zesde grief. De eerste grief ziet op feitelijke onjuistheden die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de gegrond verklaarde klachtonderdelen, maar niet voor de beoordeling van de ongegrond verklaarde klacht, te weten dat verweerder medische informatie aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] heeft verstrekt. Klager is ten aanzien van de zesde grief niet-ontvankelijk in zijn beroep, omdat klager gezien het bepaalde in artikel 56 Advocatenwet niet kan klagen over de hoogte (of afwezigheid) van de opgelegde maatregel voor gegrond verklaarde klachtonderdelen. Pas als in beroep meer klachtonderdelen gegrond worden verklaard, kan het hof alsnog een maatregel opleggen of een opgelegde maatregel verzwaren.

5.8        Voorts heeft klager gegriefd tegen het door de raad weergegeven procesverloop in de beslissing, omdat daarin de wraking van de voorzitter van de eerder samengestelde kamer van de raad niet is vermeld (tweede grief). Het hof is van oordeel dat de raad dit niet hoefde te vermelden, omdat de wraking een aparte procedure betreft. Nadat het wrakingsincident is behandeld, wordt de tuchtprocedure in de klachtzaak tegen een advocaat voortgezet. De wrakingsprocedure maakt in zoverre geen onderdeel uit van de hoofdzaak. De grief treft daarom geen doel.

5.9        Voor zover klager een foutieve datum in het proces-verbaal van de raad gecorrigeerd wenst te zien, overweegt het hof als volgt. De raad heeft in de feitenvaststelling de juiste dagtekening (te weten 22 augustus 2016) vermeld. De (kennelijke) verschrijving in het proces-verbaal heeft geen invloed gehad op de beslissing van de raad en levert derhalve geen grond op om de uitspraak van de raad voor onjuist te houden. Ook deze grief faalt.

5.10        Klachten moeten bij de deken worden aangebracht (artikel 46c, eerste lid, Advocatenwet). Dat brengt met zich dat in beroep geen nieuwe klachtonderdelen naar voren kunnen worden gebracht. Klager is dan ook niet-ontvankelijk in zijn beroep ten aanzien van de vierde en de vijfde grief, omdat dit nieuwe klachtonderdelen betreffen.

5.11        Wat betreft de ontvankelijkheid van het verweerschrift van verweerder, overweegt het hof als volgt. De enige wettelijke termijn die van toepassing is op de beroepsprocedure bij het hof is de beroepstermijn van 30 dagen. De overige termijnen die worden gesteld in onder meer het procesreglement zijn termijnen van orde om de procedure op ordentelijke wijze te laten verlopen. Deze procesorde is bedoeld om een eerlijk proces te waarborgen. In dit geval heeft het hof klager in de gelegenheid gesteld om een reactie te formuleren op het verweerschrift. Het hof is dan ook van oordeel dat voldoende hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden en dat in deze procedure geen sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces. Deze grieven falen.

De beoordeling - inhoudelijk

5.12        De eerste en de derde grief van het beroep van klager lenen zich voor een inhoudelijke beoordeling.

5.13        De eerste grief is gericht tegen de feitenvaststelling door de raad. Het hof heeft de feiten zelfstandig vastgesteld. Deze grief behoeft dan ook geen behandeling meer.

5.14        De derde grief betreft de beoordeling van de raad voor zover de klacht ongegrond is verklaard. De raad heeft niet met zekerheid kunnen vaststellen dat verweerder medische informatie aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] heeft gezonden. Klager stelt zich op het standpunt dat de enkele vermelding van een medische tuchtklacht en zijn beschrijving van zijn bloedsuikerwaarde in de e-mail d.d. 22 augustus 2016 als medische informatie moet worden gekwalificeerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat informatie afkomstig van klager niet is aan te merken als medische informatie en dat hij geen informatie heeft verstrekt aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] die afkomstig is van een arts. Daarbij is de stelling van klager niet onderbouwd dat [naam rechtsbijstandsverzekeraar] ook andere financiële producten van klager onder zich heeft en [naam rechtsbijstandsverzekeraar] in dat verband misbruik kan maken van die informatie.

5.15        Het hof stelt vast dat verweerder de e-mail van 22 augustus 2016 van klager heeft verstrekt aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar]. Tevens staat vast dat klager in dit bericht als diabetespatiënt informatie geeft betreffende zijn fysieke gesteldheid op enig moment aan de hand van (de meting van) zijn bloedsuikerwaarden, de betekenis van die waarden en wat de huisarts volgens klager aan informatie heeft vastgelegd in het dossier. Naar het oordeel van het hof betreft deze e-mail, die de gezondheid van klager betreft, medische informatie. De vraag of deze informatie medisch gezien juist is dan wel is vastgesteld en/of is verstrekt door een arts doet voor de kwalificatie als medische gegevens niet ter zake.

Dit gaat niet op voor zover klager en verweerder hebben gecorrespondeerd over de strafrechtelijke definitie van een medische zaak en de mogelijkheid een klacht in te dienen bij het Medisch Tuchtcollege, zoals bij e-mail van 14 juli 2016. Dit is algemene informatie die voor een ieder beschikbaar is. Het enkele feit dat hierover in algemene zin is gecorrespondeerd tussen klager en verweerder, betreft geen medische informatie (gegevens) betrekking hebbend op klager.

5.16        Het hof stelt voorop dat de plicht tot geheimhouding (artikel 10a Advocatenwet) behoort tot de kernwaarden van de advocatuur en dat doorbreking daarvan door de advocaat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde kan komen. Daarbij valt te denken aan een directe dreiging van ernstig, toekomstig gevaar voor de advocaat zelf of een betrokkene dat zonder het doorbreken van het beroepsgeheim niet kan worden afgewend. Het hof benadrukt dat een advocaat ingeval hij doorbreking van de geheimhoudingsplicht overweegt, daarover voorafgaand met de deken overleg dient te plegen en diens advies dient in te winnen (zie ook HvD 3 mei 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:22, en HvD 3 april 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:81).

Het hof is van oordeel dat verweerder met het verstrekken van medische informatie door doorzending van het e-mailbericht d.d. 22 augustus 2016 aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar], als hiervoor in r.o. 5.15 vermeld, tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De medische informatie als bedoeld in 5.15 betreft vertrouwelijke informatie over (en van) klager als cliënt van verweerder. Klager heeft deze informatie aan verweerder verstrekt met het oog op de juridische kwestie waarin verweerder hem bijstond en dat zag op de handelwijze van de huisarts jegens klager. Van toestemming van klager dan wel enige rechtvaardiging is niet gebleken. De grief van klager op dit punt slaagt. De beslissing van de raad ten aanzien van klachtonderdeel b) dient ter zake van de doorzending van medische informatie vernietigd te worden. Nu dit het enige deel van klachtonderdeel b) betreft dat door de raad ongegrond was verklaard en in beroep ter beoordeling voorligt, zal het hof overgaan tot een volledige gegrondverklaring van klachtonderdeel b).

Maatregel

5.17        Nu het hof tot een gegrondverklaring komt van het door de raad ongegrond geoordeelde klachtonderdeel b) zal het hof beoordelen in hoeverre dit tot oplegging van een maatregel dient te leiden. In deze zaak heeft de raad geconcludeerd tot een gegrondverklaring zonder oplegging van een maatregel. De raad heeft in dit verband verzachtende omstandigheden gezien in de aanpassing van de werkwijze op kantoor van verweerder, zijn blanco tuchtrechtelijk verleden in de 32 jaar dat hij advocaat is en het feit dat verweerder zijn fout heeft erkend en excuses heeft gemaakt.

5.18        Het hof heeft weliswaar oog voor die verzachtende omstandigheden, maar is van oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de schending van de kernwaarde vertrouwelijkheid (art. 10a Advocatenwet) die dit handelen meebrengt. Gezien allereerst de informatieverstrekking door verweerder aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar] over de inhoud van de zaak van klager en vervolgens het doorsturen van de e-mail van klager met medische informatie aan [naam stichting rechtsbijstandsverzekeraar], heeft verweerder tweemaal achter elkaar onvoldoende blijk gegeven van zijn bijzondere positie als advocaat, de verantwoordelijkheid die daarbij komt kijken richting een cliënt en de zorgvuldigheid die van hem mag worden verwacht bij de uitoefening van zijn beroep. Verweerder heeft daarbij zijn geheimhoudingsplicht geschonden. Dat verweerder zich genoodzaakt voelde de verzekeraar die hem heeft ingeschakeld te informeren waarom hij de cliënt niet langer bijstond, is onvoldoende om deze schending van de geheimhoudingsplicht te rechtvaardigen. Ook het argument dat de omstreden verhouding tussen een rechtsbijstandsverzekeraar (of uitvoerende instantie) en de ingeschakelde advocaat pas in 2014 actueel werd voor verweerder door de publicatie van de beslissing d.d. 19 augustus 2014 van de raad van discipline Amsterdam (ECLI:NL:TARAMS:2014:215), kan verweerder niet baten. In zijn praktijk heeft hij veel zaken behandeld van cliënten die hij verkregen heeft via een rechtsbijstandsverzekeraar, zodat van hem mag worden verwacht dat hij, zeker twee jaar na eerder genoemde beslissing, bekend was met de normstelling van de tuchtrechter. Het hof concludeert dan ook dat de overschrijding van de betamelijkheidsnorm in dit geval een laakbaar karakter heeft. Verweerders blanco tuchtrechtelijke verleden doet daar niet aan af. Het hof legt aan verweerder de maatregel van berisping op.

Proceskostenveroordeling

5.19        Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten in hoger beroep: 

a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

b) € 750,- kosten van de Staat. 

5.20        Verweerder moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, Advocatenwet het bedrag aan proceskosten in hoger beroep van € 1.500,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer van het hof.

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de beslissingen van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 januari 2020 en 27 januari 2020, gewezen onder kenmerk 19-119/DH/RO, voor zover hij nieuwe klachtonderdelen aan het hof heeft voorgelegd, voor zover het beroep zich richt tegen de gegrondverklaring van klachtonderdelen a) en deels b) en voor zover het is gericht tegen het niet opleggen van een maatregel;

- vernietigt de beslissingen van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 januari 2020 en 27 januari 2020, gewezen onder kenmerk 19-119/DH/RO, voor zover daarin klachtonderdeel b) ongegrond is verklaard en voor zover bij die uitspraak geen maatregel is opgelegd;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- verklaart klachtonderdeel b) volledig gegrond;

- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- bekrachtigt de beslissingen van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 januari 2020 en 27 januari 2020, gewezen onder kenmerk 19-119/DH/RO, voor het overige;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van € 1.500,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Aldus beslist door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, en mrs. G.C. Endedijk en E.W. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Verwey, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2020.

griffier        voorzitter

De beslissing is verzonden op  31 augustus 2020.