Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TAHVD:2019:190 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 190070

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2019:190
Datum uitspraak: 18-10-2019
Datum publicatie: 29-11-2019
Zaaknummer(s): 190070
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Waarschuwing
Inhoudsindicatie: Bekrachtiging van door raad gegrond verklaarde klacht tegen advocaat wederpartij met waarschuwing. Beschuldiging van strafbare feiten gepresenteerd als vaststaand feit in een e-mail aan derden. In appel is voorts nog gebleken dat de gedane en in de e-mail genoemde aangifte reeds door het OM was geseponeerd.

BESLISSING                                 

van 18 oktober 2019

in de zaak 190070

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder 

tegen:

klager

1    HET GEDING IN EERSTE AANLEG

1.1    Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (verder: de raad) van 8 februari 2019 onder nummer 18-374/A/A, aan partijen toegezonden op 8 februari 2019, waarbij het verzet tegen de beslissing van voorzitter van de Raad van Discipline van 25 juni 2018 onder hetzelfde nummer, aan partijen toegezonden op 25 juni 2018, waarbij de klacht met toepassing van artikel 46j Advocatenwet kennelijk ongegrond is verklaard, gegrond is verklaard en de klacht alsnog gegrond is verklaard, aan verweerder de maatregel van waarschuwing is opgelegd en verweerder is veroordeeld in de proceskosten. 

1.2    De beslissing van de raad is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TADRAMS:2019:38 en de voorzittersbeslissing als ECLI:NL:TADRAMS:2018:141.

2    HET GEDING IN HOGER BEROEP

2.1    De memorie waarbij verweerder van de beslissing van de raad in hoger beroep is gekomen, is op 1 maart 2019  ter griffie van het hof ontvangen. Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-    de stukken van de eerste aanleg;

-    het verweerschrift van klager;

-    de brief met bijlagen van verweerder van 5 augustus 2019;

-    de brief met bijlage van de gemachtigde van verweerder van 12 augustus 2019.

2.2    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 23 augustus 2019, waar klager, vergezeld van zijn gemachtigde en de heer mr. R.B. Golterman, alsmede verweerder en zijn gemachtigde zijn verschenen. Partijen hebben gepleit aan de hand van een pleitnota.

3    KLACHT

3.1   De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, doordat hij met zijn e-mail van 7 november 2017 tekort is geschoten in de op hem als advocaat rustende plicht jegens derden, omdat hij zonder enig voorbehoud, zonder verifieerbare onderbouwing en/of zonder dat sprake is van een daaraan ten grondslag liggend onherroepelijk vonnis, klager schriftelijk heeft beschuldigd van strafbare feiten en daarmee zijn eer en goede naam heeft aangetast.

4    FEITEN

Voor zover voor de beoordeling van onderhavige klacht van belang, wordt van de volgende, vaststaande feiten uitgegaan.

4.1    Verweerder stond de vader van klager, hierna senior, tot diens overlijden bij als advocaat.

4.2    Op 11 september 2017 is senior overleden. Thans staat verweerder de dochter  van senior (legataris in het testament van haar vader) en de weduwe van senior (enig erfgename) bij, en treedt hij tevens op als boedelgevolmachtigde in de boedel van wijlen senior.   

4.3    Op 7 november 2017 heeft verweerder een e-mail gestuurd aan drie verschillende e-mailadressen, ter attentie van elf personen, met onder meer de volgende inhoud:

“In de loop van de jaren bent u, in diverse – zeer te onderscheiden – hoedanigheden betrokken geraakt bij het wel [..] en wee [...] van de familie [..].

[Senior] is zoals u weet in september jl. overleden. Zijn enig erfgename is [weduwe]. Zij heeft de erfenis aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. [Dochter] is legataris (inzake de trusts en diverse entiteiten, zoals (..)); zij heeft tot 1 december aanstaande om zich te verklaren waar het de al dan niet aanvaarding van de legaten betreft.

Aan [klager] is gevraagd inzicht te geven in de entiteiten waarvan bekend is dat die van belang zijn voor de bepaling van de omvang van de nalatenschap, alsmede inzicht te geven in de resultaten die zijn behaald met de scheepvaartactiviteiten.

Als bijlage gaat de brief die ik in dat verband (namens [dochter] en [weduwe]) heb geschreven aan [klager] en de reactie die daarop is gevolgd. Het komt erop neer dat [klager] géén informatie zal geven; hij laat het allemaal te raden over.

U allen weet (de één meer dan de ander) dat [klager] zich heeft opgeworpen te zijn pater familias en dat hij meent dat naar zijn goeddunken over het familievermogen zal worden beschikt.

Ontegenzeggelijk is door erflater aan [klager] een aanzienlijke stem in het kapittel gegeven. De afspraak was dat er een verhouding zou zijn van 60% [klager], 30% [dochter] en 10% (sr.) en in dat licht bezien is niet zo vreemd dat [klager] zijn gezag in het verleden heeft willen doen gelden. Maar waar zijdens [senior] en [dochter] is aangedrongen op losmaking uit het familievermogen, verdeling van het familievermogen volgens afspraken, terugbetaling van schulden, het delen in de opbrengst van verkochte schepen, bleek dat bij [klager] aan dovemansoren gericht.

Meer in het bijzonder;

1.    Is [klager] ertoe overgegaan [vennootschap M] te ontmantelen, onder valse voorstelling van zaken, met gebruikmaking van valse geschriften, met voorwenden dat het op naam van die vennootschap staand tegoed bij de bank [..] (rond de $ 10 miljoen) zou zijn ondergebracht in het trustvermogen van Sr., waar dat in werkelijkheid niet is gebeurd. [Senior] heeft nog bij leven aangifte gedaan van diefstal/verduistering door in ieder geval [klager]. Er is overigens reden om aan te nemen dat er anderen betrokken waren bij de onrechtmatige liquidatie van [vennootschap M] en het aldus wegmaken van aanzienlijke tegoeden. Die dragen terzake eigen verantwoordelijkheid;

        (…)

Bovenstaande opsomming stemt de erfgename en legataris [dochter] bepaald niet vrolijk. Gezien de opstelling van [klager] gaan zij ook bij u te rade, zodat u, zij het als betrokken bij de mediation, zij het als betrokken bij één of meer entiteiten, zij het als betrokken bij (financiële) transacties, en met inachtneming van eventuele bijzondere verantwoordelijkheden die in dat kader gelden (bestuurderschap bij vennootschappen!), zoveel mogelijk informatie aan mij verstrekt, opdat de erfgename en de legataris zich op hun positie kunnen oriënteren.

[Klager] zal worden gedagvaard in kort geding als hij bij zijn opstelling blijft. Waar wetenschap wordt vermoed van één uwer en waar naar ons inzicht om die reden een rechtsplicht bestaat om informatie te delen, zal de dagvaarding worden uitgebreid als die persoon niet genegen blijkt inlichtingen te geven.”

4.5     Bij brief van 27 december 2017 heeft (de gemachtigde van) klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

5    BEOORDELING

5.1    Als uitgangspunt heeft te gelden dat het in dezen gaat om het handelen van de advocaat van de wederpartij, waarbij volgens vaste rechtspraak van het hof aan deze advocaat een ruime mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer worden beperkt doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.      

5.2    Klager verwijt verweerder dat hij met zijn e-mail van 7 november 2017 tekort is geschoten in de op hem als advocaat rustende plicht jegens derden, omdat hij zonder enig voorbehoud en zonder verifieerbare onderbouwing en/of zonder dat sprake is van een onherroepelijk vonnis, klager heeft beschuldigd van strafbare feiten en daarmee zijn goede eer en naam heeft aangetast. Ter zitting is namens klager onder meer toegelicht dat de e-mail is gestuurd naar zakenpartners en werknemers van klager. Verweerder betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hij voert daartoe aan dat de in de bewuste e-mail vervatte beschuldigingen het standpunt van zijn cliënten betreft. Ondanks dat klager meermalen in de gelegenheid is gesteld openheid van zaken te geven, heeft klager van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Aangezien de cliënten van verweerder in een lastige bewijspositie verkeerden, heeft verweerder de e-mail van 7 november 2017 gestuurd om informatie los te krijgen. Klager heeft dit op zichzelf afgeroepen, aldus verweerder. 

5.3    Zoals de raad terecht heeft overwogen mag van een advocaat bij het uiten van zware beschuldigingen als valsheid in geschrifte, diefstal en/of verduistering worden verwacht dat hij zich tevoren ervan vergewist dat er voldoende grond voor dergelijke beschuldigingen bestaat. Het enkele feit dat aangifte is gedaan van een strafbaar feit is onvoldoende om als feit te stellen dat degene tegen wie de aangifte is gedaan, dit strafbare feit ook heeft gepleegd. Het hof is dan ook van oordeel dat verweerder terughoudender had behoren te zijn met het presenteren van dergelijke beschuldigingen als vaststaand feit, temeer omdat verweerder ermee bekend was dat in het onderhavige geval geen strafrechtelijke veroordeling ter zake van valsheid in geschrifte, diefstal en/of verduistering had plaatsgevonden. Sterker nog; in zijn e-mail van 15 maart 2017, welk bericht bedoeld was voor senior maar per abuis aan klager is gezonden, heeft verweerder opgenomen: “U [daarmee doelend op senior] benadrukt een en andermaal dat hij [klager] geld van u gestolen heeft, maar dat is de strafrechtelijke component en de Nederlandse Officier van Justitie heeft zich niet tot een vervolgingsbeslissing willen laten verleiden.” Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat hij er ten tijde van de gewraakte e-mail van 7 november 2017 wist dat de aangifte, waarover in dat bericht wordt gesproken, niet eens tot een strafrechtelijke vervolging heeft geleid. Hierin had verweerder te meer aanleiding moeten zien om dergelijke zware beschuldigingen niet als vaststaande (strafbare) feiten te presenteren. Daarbij is voorts van belang dat de beschuldigingen niet zijn gedaan tegenover een wederpartij of een procesdeelnemer maar tegenover derden, die deze beschuldigingen niet altijd op juiste waarde kunnen schatten. Dat de cliënten van verweerder zich in een lastige bewijspositie bevonden maakt het vorenstaande niet anders. Verweerder stonden andere middelen ter beschikking om de belangen van zijn cliënten te dienen en de voor zijn cliënten van belang zijnde informatie te vergaren. 

5.4    Met zijn stellingname in de e-mail van 7 oktober 2017 heeft verweerder jegens klager onbetamelijk en niet professioneel gehandeld door klager zonder concrete onderbouwing  te beschuldigen van valsheid in geschrifte, diefstal en/of verduistering en heeft hij daarmee onvoldoende afstand gehouden van de standpunten van zijn cliënten. Klager is daardoor onevenredig in zijn belangen geschaad.

5.5    Met de raad is het hof van oordeel dat de klacht gegrond is en de opgelegde maatregel van waarschuwing passend en geboden is. De maatregel zal worden gehandhaafd. De beslissing van de raad zal dan ook worden bekrachtigd.

5.6    Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten in hoger beroep:

a) € 750,-- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

b) € 750,-- kosten van de Staat.

5.7    Verweerder moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 750,-- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer IBAN:NL85 INGB 0000 079000, BIC:INGBNL2A, t.n.v. Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline” en het zaaknummer.

5.7    Verweerder moet op grond van artikel 48ac, vierde lid, Advocatenwet het bedrag van € 750,-- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer

NL05 INGB 0705 003981, t.n.v. Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder vermelding van “Tuchtrechtelijke kostenveroordeling advocatuur, DGRR” en het zaaknummer.

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- bekrachtigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 8 februari 2019 onder nummer 18-374/A/A;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van € 750,-- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van € 750,-- aan de Staat, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Aldus gewezen door mr. A.M. van Amsterdam, voorzitter, mrs. M.L. Weerkamp en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2019.

griffier    voorzitter                   

De beslissing is verzonden op 18 oktober 2019.