Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug

ECLI:
ECLI:NL:TAHVD:2018:235
Datum uitspraak:
07-12-2018
Datum publicatie:
10-08-2019
Zaaknummer(s):
180200
Onderwerp:
AanwijzingArtikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:
Art. 13 Advocatenwet. Beklag over afwijzing deken tot aanwijzing advocaat. Het hof heeft in deze kwestie eerder beslist. Geen nieuwe feiten of omstandigheden gebleken. Afgewezen.

n.v.t.

BESLISSING

van 7 december 2018

in de zaak 180200

 

naar aanleiding van het beklag van:

klager

tegen:

de Deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Amsterdam

deken

 

1    HET VERZOEK ALS BEDOELD IN ART. 13 LID 1 ADVOCATENWET

Klager heeft bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam, verder te noemen ‘de deken’, een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Per brief van 28 juni 2018 heeft de deken dit verzoek afgewezen. In een klaagschrift gedateerd 9 juli 2018 heeft klager zich beklaagd over het feit dat de deken zijn verzoek heeft afgewezen.

 

2    HET GEDING BIJ HET HOF

2.1    Het klaagschrift is op 10 juli 2018 ter griffie van het hof ontvangen.

2.2    Het hof heeft voorts kennis genomen van het schrijven van de deken van 8 augustus 2018.

2.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 9 november 2018. Bij deze behandeling zijn verschenen klager met zijn vader en namens de deken mr. Y.H. Heslinga, stafjurist van het bureau van de Orde van Advocaten te Amsterdam.

 

3    FEITEN

3.1    Klager is in mei 2013 op zijn scooter aangereden door een auto. De aansprakelijkheid voor het ongeval is door de verzekeraar van de auto, Delta Lloyd, erkend. De wederpartij heeft een bedrag van € 743,22 betaald aan klager de vergoeding van de schade aan de scooter en de kleding van klager.

3.2    Klager stelt zich op het standpunt dat de door hem geleden schade door het scooterongeval beduidend hoger is dan de toegekende schadevergoeding. Klager heeft zich in deze zaak laten bijstaan door onder meer twee letselschadejuristen en drie advocaten. De advocaten hebben de zaak van klager niet (verder) in behandeling genomen, omdat klager het niet eens was met de door de advocaten voorgestelde aanpak van de zaak. Klager wenst zich rechtstreeks tot de rechter te wenden met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 350.000,-.

3.3    In januari 2017 heeft klager zich tot de deken te Rotterdam gewend met het verzoek een advocaat aan te wijzen op grond van artikel 13 Advocatenwet. Dit verzoek is doorgezonden naar de deken te Amsterdam voor behandeling. De deken heeft in maart 2017 een letselschadeadvocaat aangewezen om advies te geven over de haalbaarheid van de zaak van klager. Deze advocaat heeft na het verrichten van een aantal werkzaamheden voor klager, waaronder het geven van advies en het opstellen van een brief aan de wederpartij, haar werkzaamheden neergelegd omdat sprake was van een onoverbrugbaar meningsverschil tussen haar en klager. 

3.4    Op 15 november 2017 heeft klager de deken opnieuw verzocht een advocaat aan te wijzen in de zaak tegen Delta Lloyd. Dit verzoek is door de deken afgewezen bij beslissing van 8 maart 2018. Het beklag van klager tegen deze beslissing is door het hof ongegrond verklaard bij beslissing van 25 mei 2018. Deze beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TAHVD:2018:113.

3.5    Bij brief van 19 juni 2018 heeft klager de deken opnieuw verzocht om voor deze kwestie een advocaat aan te wijzen. De deken heeft dit verzoek op 28 juni 2018 afgewezen.

 

4    BEOORDELING

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de procedure, die klager wil beginnen, geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    Klager licht in zijn verzoek van 19 juni 2018 toe dat hij een advocaat wenst die samen met hem de gang naar de rechter wil maken. Klager schrijft in zijn verzoek het volgende:

“Middels deze weg wil ik u dan met klem vragen mij een advocaat toe te wijzen die mij wel kan helpen. Het scooterongeluk is mij overkomen en ik ben hierin het slachtoffer en wil gewoon datgene waar ik recht op heb. Dat kan het beste door de zaak voor te leggen aan de rechter.”

4.3    De deken heeft dit verzoek afgewezen bij beslissing van 28 juni 2018. De deken vermeldt in zijn beslissing dat klager eerder een zelfde verzoek heeft gedaan voor dezelfde kwestie en dat het hof in de beslissing van 25 mei 2018 heeft geoordeeld dat de deken dat verzoek om gegronde redenen kon afwijzen. De deken stelt vast dat het verzoek van klager van 19 juni 2018 geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat op grond waarvan hij dient te beslissen tot aanwijzing van een advocaat.

4.4    Tegen de beslissing van de deken van 28 juni 2018 heeft klager met zijn brief van 9 juli 2018 een beklag ingediend bij het hof. Klager licht toe dat hij sinds mei 2013 een advocaat probeert te vinden die met hem naar de rechter wil gaan. Ondanks het feit dat klager dit al aan zeven advocaten heeft gevraagd, is het hem nog niet gelukt de gang naar de rechter te maken. Een meningsverschil tussen klager en een advocaat mag volgens klager geen belemmering zijn om naar de rechter te kunnen gaan.

4.5    Het hof komt tot het volgende oordeel. Het voorliggende aanwijzingsverzoek van klager betreft dezelfde kwestie als waarover het hof op 25 mei 2018 al heeft beslist. Nu geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn gebleken, dient het beklag in dezelfde kwestie ongegrond te worden verklaard.

 

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klager van 9 juli 2018 tegen de beslissing van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam van 28 juni 2018 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. P.M.A. de Groot-van Dijken, voorzitter, mrs. P.T. Gründemann en E.L. Pasma, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Verwey, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2018.

   

griffier    voorzitter            

De beslissing is verzonden op 7 december 2018.

Meer informatie

Acties

Meta gegevens