Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TAHVD:2016:42 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 7412

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2016:42
Datum uitspraak: 07-03-2016
Datum publicatie: 07-03-2016
Zaaknummer(s): 7412
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict
Beslissingen: Schrapping
Inhoudsindicatie: Toen de advocaat  een zaak aannam waarbij hij de belangen van de nabestaanden van een slachtoffer van een misdrijf moest behartigen, stond hij ook de verdachte van ditzelfde misdrijf bij in zijn strafzaak. De advocaat negeerde de waarschuwing van het Openbaar Ministerie over belangenverstrengeling. De verklaringen die de advocaat tijdens de procedure heeft aangegeven om zijn handelen te verklaren, bleken vaak onjuist.Niet alleen bij de intake en tijdens de behandeling van de zaak is (de kwaliteit van) de dienstverlening benedenmaats geweest. Ook bij het neerleggen van de opdracht heeft de advocaat onjuist gehandeld door zonder aantoonbare toestemming van klager (nabestaande) het dossier over te dragen aan een door hem aangezochte advocaat en zonder aantoonbare toestemming van klager een deel van de door klager aan de advocaat betaalde bedragen over te maken naar deze aangezochte advocaat. Alle vier de klachten zijn gegrond. Het hof heeft de maatregel van schrapping van het tableau opgelegd. Daarbij heeft het hof meegewogen de ernst van de klacht, het tuchtrechtelijk verleden van de advocaat en de wijze waarop de advocaat zijn klachtwaardig handelen in deze tuchtrechtelijke procedures heeft willen verbloemen met onwaarheden.  

Beslissing

van 7 maart 2016

in de zaak 7412

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klager

1    HET GEDING IN HOGER BEROEP

1.1    Het hof verwijst naar zijn tussenbeslissing van 21 augustus 2015, waarin het hof:

-    mr. A.J. Louter, lid van het hof, heeft opgedragen om de getuigen mw. mr. R (mr. R) en mw. N (N) te horen;    

-    klager heeft verzocht een kopie van het paspoort van zijn zus aan het hof ter hand te stellen;

-    de deken heeft verzocht om nader onderzoek te doen en het dossier bij mr. S [opvolgend advocaat] op te vragen en ter hand te stellen aan het hof;

-    en iedere verdere beslissing heeft aangehouden.

De tussenbeslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl als ECLI:NL:TAHVD:2015:247.

1.2    Na deze tussenbeslissing heeft het hof kennis genomen van:

-    het proces-verbaal van de op 20 oktober 2015 afgelegde getuigenverklaringen van mr. R en van N, afgelegd op 20 oktober 2015;

-    een e-mail van de gemachtigde van klager aan het hof van 4 september 2015 met 20 bijlagen, waaronder een kopie van het paspoort van de zus van klager;

-    een e-mail van de deken aan het hof van 25 augustus 2015, met daarbij een e-mail van mr. S aan de deken van 24 augustus 2015 met als bijlagen de bestanden 'Correspondentie’, ‘Dossier mr. [verweerder] (ontvangen 21.01.2014)’ en ‘Dossierstukken’.

1.3    Ter openbare zitting van 8 januari 2016 heeft het hof de behandeling van de zaak mondeling voortgezet, waar klager en zijn zus S.E., bijgestaan door mr. drs. Kr en verweerder, bijgestaan door mr. Ko, zijn verschenen. Verweerder heeft gepleit aan de hand van pleitnotities.

2    VERDERE BEOORDELING

a.    met betrekking tot de nader vast te stellen feiten

2.1    Uit de tussenbeslissing van 21 augustus 2015 blijkt dat het hof nader onderzoek nodig heeft gevonden.

2.2    Mr. Kr heeft op verzoek van het hof gegevens verstrekt waaruit blijkt dat de zus van klager, S.E., onmogelijk op 10 september 2013 dan wel op 17 september 2013 in Nederland kan zijn geweest. Uit afschriften van haar paspoort en aanvullende verklaringen blijkt dat zij in deze periode vanaf 12 juni 2013 (in verband met de begrafenis van haar broer, I), en vanaf 20 januari 2014 (in verband met het strafproces) in Nederland is geweest. Uit een werkschema blijkt dat deze zus op zowel maandag 9 september als woensdag 11 september 2013 heeft gewerkt bij een werkgever in de Verenigde Staten.

2.3    Tijdens de voortgezette behandeling heeft (de advocaat van) verweerder erkend dat uit deze stukken valt af te leiden dat de zus van klager, S.E., op 10 september 2013 in Amerika was (p. 4 pleitnotities) waaruit volgt dat de zus van klager niet aanwezig kan zijn geweest bij het intakegesprek op 10 september 2013 op het kantoor van verweerder te M (in Nederland). Deze vaststelling is relevant nu het (aanvankelijke) verweer van verweerder was gebaseerd op de stelling dat hij de belangenverstrengeling niet heeft onderkend omdat S.E. op 10 september 2013 het woord voerde en verweerder had begrepen dat “E” haar voornaam was en “S” haar achternaam waarna het dossier is aangemaakt op de naam “S/Advies”. Hierdoor kon volgens verweerder het verband tussen de naam van de verdachte en die (van de nabestaanden) van het slachtoffer niet worden gelegd. Dit verweer is dus feitelijk onjuist.

2.4    Op verzoek van het hof heeft de deken […], onder meer een bestand verstrekt van het dossier bestaande uit 17 pagina’s inclusief voorblad, zoals mr. S deze per fax van 21 januari 2014 van verweerder heeft ontvangen. Pagina’s 2 en 3 van dit dossier hebben betrekking op de brief van het arrondissementsparket d.d. 16 augustus 2013 over de pro-forma zitting van 24 september 2013 (in welke brief de naam van verdachte en het betreffende parketnummer zijn vermeld). Ook deze vaststelling is relevant nu verweerder heeft ontkend dat hij deze brief heeft ontvangen. Ook dit verweer is dus feitelijk onjuist.

2.5    Uit de verklaring van getuige mr. R, tot wie klager zich aanvankelijk had gewend, blijkt dat zij op de hoogte was van de personalia van de verdachte en namens klager contact heeft opgenomen met de zaaksofficier […]. Verder heeft zij onder meer verklaard:

“Ik vermoed dat ik in september 2013 het verzoek kreeg van mr. [verweerder] om de zaak aan hem over te dragen. De familie heeft mij dit op enig moment verzocht en daarna kwam er een fax van mr. [verweerder]. Ik heb het dossier naar het kantoor in M gestuurd.”

2.6    Tijdens de voortgezette behandeling is namens verweerder betoogd dat uit de stukken in het dossier van mr. S die van verweerder afkomstig waren, niet blijkt van een fax van het kantoor van verweerder aan mr. R om stukken op te vragen. Ook blijkt uit het dossier niet van een brief of fax van mr. R gericht aan het kantoor van verweerder, waarbij stukken als bijlage zouden kunnen zijn toegezonden.

2.7    Het hof heeft op grond van het voorgaande niet kunnen vaststellen dat mr. R een dossier aan verweerder heeft verstrekt waaruit verweerder had kunnen afleiden wie de verdachte in de zaak was waarvoor klager de bijstand van verweerder heeft ingeroepen.

2.8    Getuige N heeft onder meer het volgende verklaard:

“Mevrouw R vertelde de politie vervolgens dat zij niet meer als advocaat optrad van familie I. De politie heeft dit vervolgens doorgegeven aan de officier van justitie […]. Haar eerste reactie was: dit kan niet. Zij heeft mij vervolgens een email gestuurd met het verzoek om uit te zoeken wie de nieuwe advocaat was van familie I. Deze email is naar mij verstuurd en naar het slachtofferloket. Deze emails heb ik overigens bij mij en ik geef u hiervan een uitdraai. Daarnaast heb ik kopieën bij mij voor [advocaten van klager en verweerder]. Ik hoor van u dat u deze stukken aan het proces-verbaal zult hechten. Ik heb vervolgens gebeld met het kantoor van mr. [verweerder] ik weet niet met wie ik heb gesproken, maar niet met hem. Later die dag, op 14 oktober was dat, belde mr. [verweerder] mij terug. U vraagt mij hoe ik dat weet dat dit [verweerder] was, omdat er meer personen op dat kantoor werkzaam zijn met de naam [verweerder]. Ik ging ervan uit dat het [verweerder] was, want ik had in de stukken gelezen dat de raadsman [verweerder] was. We hebben met elkaar gesproken over de zaak, hieruit maakte ik op dat ik gesproken heb met de heer [verweerder]. Ik kan mij niet meer herinneren wat er exact is besproken. Ik heb wel naar aanleiding van dat telefoongesprek een email gestuurd aan de officier van justitie. In die mail heb ik aan de officier geschreven dat mr. [verweerder] mij net belde met de mededeling dat hij de familie I niet bij zal staan. Hij was er inderdaad achter gekomen dat hij de verdachte al bijstond in die zaak. Ik heb dit verder niet bevestigd aan mr. [verweerder] zelf.”

2.9    Uit het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.d. 17 november 2014 blijkt dat de voorzitter van de raad de relevante passage uit de brief van 21 februari 2014 aan verweerder heeft voorgehouden en verweerder de vraag heeft gesteld of verweerder inderdaad tegen het OM heeft gezegd dat hij zich terug zou trekken als advocaat van de familie I en de vraag gesteld of hij dat ook heeft bevestigd aan de familie van klager. Volgens het proces-verbaal heeft verweerder hierop geantwoord:

“Het zou best kunnen dat ik dat tegen het OM heb gezegd. Ik weet niet of ik dat aan de familie van klager heb bevestigd.”

In het beroepsschrift van 9 februari 2015 is namens verweerder betoogd:

“In de brief wordt gesteld dat door het OM telefonisch contact zou zijn gelegd met appellant om hem te wijzen op het feit dat er sprake was van tegenstrijdige belangen, waarop appellant zou hebben laten weten zich terug te trekken als advocaat van de familie I. Appellant is hiervan echter niets bekend. Ook bij zijn kantoor is niets bekend van enig telefonisch contact met het parket Z.”

Bij fax van 2 juni 2015 van verweerder gericht aan griffie van de raad, waarin om aanpassing van het proces-verbaal wordt gevraagd, bericht verweerder:

“Ik heb niet geantwoord dat het best zou kunnen zijn dat ik dat tegen het OM heb gezegd en dat ik niet weet of ik dat aan familie van klager heb bevestigd. Ik heb immers juist ontkend dat het OM telefonisch contact met mij heeft gelegd, laat staan dat ik daarbij zou hebben laten weten mij terug te trekken als advocaat van de familie I.”

In reactie hierop is namens de voorzitter van de raad op 4 juni 2015 het volgende bericht:

“Namens de voorzitter bericht ik u dat het proces verbaal weergeeft wat ter zitting is gezegd. De ter zitting aanwezige griffier heeft uw antwoorden op de vragen van de voorzitter zorgvuldig genoteerd. Zowel de voorzitter als de leden stemmen met die weergave in, zodat er geen grond is om het proces verbaal aan te passen.        Op de door u in uw telefax aangehaalde vragen van de voorzitter “Heeft u dat inderdaad tegen het OM gezegd? Heeft u dat ook bevestigd aan de familie van klager?” heeft u geantwoord zoals in het proces-verbaal staat vermeld. Het is juist dat u nà dit antwoord op een volgende vraag van de voorzitter alsnog heeft gezegd u niet te herinneren contact met het OM te hebben gehad en dat derhalve te ontkennen. Kopie dezes zend ik toe aan de griffier van het Hof van Discipline.”

Tijdens de eerste behandeling van het hof op 19 juni 2015 is namens verweerder betoogd:

“[verweerder] blijft erbij dat hij zich zijn uitlating niet kan voorstellen aangezien hij een en andermaal heeft aangegeven zich geen gesprek te herinneren. De eerste mededeling is strijdig met dit standpunt. Mogelijk heeft [verweerder] de vraag aldus begrepen dat als uitgegaan wordt van de juistheid van hetgeen in de brief van 21 februari 2014 door mevrouw N is gesteld, hij denkt dat hij zoiets gezegd zou hebben.”

en:

“Als van de juistheid van haar mededeling zou moeten worden uitgegaan dan is de enige verklaring gelet op het feit dat [verweerder] zich niets van een dergelijk telefoongesprek kan herinneren, dat het gesprek heeft plaatsgevonden tussen allerlei drukke werkzaamheden in en het gesprek kennelijk geen gevolg heeft gekregen omdat [verweerder] geen gegevens en geen dossier had aangaande een familie I.” (p. 3 en 4 pleitnotities).

Tijdens de voortgezette behandeling op 8 januari 2016 wordt namens verweerder betoogd:

“[verweerder] blijft erbij dat hij geen enkele herinnering heeft aan een dergelijk telefoon gesprek. Niet uit te sluiten valt dat mevrouw N heeft gesproken met een medewerker van het kantoor [verweerder], en dat in het betreffende gesprek is aangegeven dat, indien sprake zou zijn van tegenstrijdige belangen, het kantoor zich zou terugtrekken.”

2.10    Voor het hof bestaat geen enkele aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van N. Deze verklaring is consistent in relatie tot de inhoud van haar brief gedateerd 21 februari 2014 gericht aan klagers contactpersoon, mr. Kr (zie r.o. 4.5 in de tussenbeslissing van 21 augustus 2015) en nader onderbouwd met mailcorrespondentie waaruit blijkt dat in lijn met het verklaarde is gehandeld.

Die consistentie met betrekking tot deze kwestie is bij verweerder daarentegen ver te zoeken en geeft blijk van gedraai zodra hij geconfronteerd wordt met feiten die de geloofwaardigheid van zijn eerdere uitlatingen ondergraven.

b. met betrekking tot de klachtonderdelen

2.11    Het hof ziet aanleiding de vier klachtonderdelen die in hoger beroep nog aan de orde zijn in samenhang te behandelen.

2.12    Vaststaat dat verweerder gedurende het tijdvak september 2013 tot eind januari 2014 zowel de verdachte als de nabestaande(n) van het slachtoffer in dezelfde strafzaak heeft bijgestaan. Klachtonderdeel 1 (de belangenverstrengeling) is daarmee gegrond.

2.13    Verweerder heeft zich vanaf het intakegesprek inactief betoond. Het had op zijn weg gelegen zelfstandig te achterhalen in welke strafzaak hij de nabestaanden van het slachtoffer zou bijstaan zoals de aan verweerder voorafgaande advocaat, mr. R, al had gedaan. Een beroep op een vermeende afspraak met klager dat klager eerst zelf nadere informatie aan hem zou verstrekken, waaronder de naam van verdachte en het parketnummer, faalt nu uit nader onderzoek is gebleken dat verweerder die gegevens al voorhanden had, mogelijk omdat deze al tijdens de intake aan hem zijn verstrekt. De door verweerder gestelde verwarring, die zou zijn ontstaan omdat hij na het intakegesprek met onder meer de zus van klager, S.E. abusievelijk een dossier heeft laten aanmaken op haar voornaam “S” is ongeloofwaardig, nu is vast komen te staan dat deze zus bij de intake niet aanwezig was. Tijdens de voortgezette behandeling heeft verweerder betoogd dat de zus van klager niet aanwezig was maar tijdens het intakegesprek als contactpersoon is genoemd. Deze nieuwe lezing zou blijken uit gespreksaantekeningen van het intakegesprek waarvan verweerder heeft gesteld dat deze waren gemaakt maar aan de opvolgend advocaat zouden zijn verstrekt. Ook dit verhaal klopt niet, gezien deze stukken van mr. S. Verweerder heeft evenmin op andere wijze dit nadere betoog aannemelijk gemaakt waarmee ook deze lezing het hof als ongeloofwaardig voorkomt.

Daar komt dan nog bij dat na onderzoek is komen vast te staan dat verweerder door het OM al in oktober 2013 is gewaarschuwd dat in deze kwestie sprake is van een belangenstrengeling. Door ook hierop niet direct te handelen (en hierover aan het OM anders te verklaren) en eerst enige dagen voor de strafzitting de bijstand aan klager neer te leggen, is begrijpelijkerwijs bij klager het gevoel ontstaan dat hij vijf maanden lang aan het lijntje is gehouden. In zoverre is ook klachtonderdeel 2 gegrond.

2.14    Niet alleen bij de intake en tijdens de behandeling van de zaak is (de kwaliteit van) de dienstverlening benedenmaats geweest. Ook bij het neerleggen van de opdracht heeft verweerder onjuist gehandeld door zonder aantoonbare toestemming van klager het dossier over te dragen aan een door hem aangezochte advocaat, mr. S, en zonder aantoonbare toestemming van klager een deel van de door klager aan verweerder betaalde bedragen over te maken naar mr. S. Zeker nu sprake was van een belangenverstrengeling had het op de weg van verweerder gelegen zich uitermate terughoudend op te stellen en alleen te handelen met uitdrukkelijke toestemming van klager. Klachtonderdelen 3 en 4 zijn daarom ook gegrond.

c. met betrekking tot de op te leggen maatregel

2.15    Vooropgesteld wordt dat klager de bijstand van verweerder heeft ingeroepen in een voor hem (en zijn familie) belangrijke en aangrijpende kwestie: de bijstand aan klager als slachtoffer in een strafzaak waarin de verdachte ten laste is gelegd dat hij de broer van klager opzettelijk van het leven heeft beroofd. Het hof kan niet anders constateren dan dat verweerder van begin tot eind onprofessioneel heeft gehandeld (inactiviteit, geen dossierkennis, het negeren van een waarschuwing over belangenverstrengeling en het ontbreken van iedere vastlegging van met de cliënt gemaakte afspraken). Dit onprofessionele handelen in deze kwestie staat niet op zich zelf. Alleen al gerekend vanaf 2007 is verweerder zeven keer als maatregel een onvoorwaardelijke of voorwaardelijke schorsing opgelegd. Bovendien heeft het hof moeten constateren dat verweerder tijdens de tuchtprocedures in eerste en tweede aanleg voortdurend heeft getracht de tuchtrechter zand in de ogen te strooien door stellingen te poneren die achteraf onjuist bleken te zijn en waarvan verweerder ook wist of moest weten dat deze onjuist waren. Het moet een advocaat vrijstaan om tegenover de tuchtrechter een standpunt over het hem verweten handelen in te nemen en dit standpunt mag op zichzelf niet tot een zwaardere maatregel leiden. Deze vrijheid vindt haar begrenzing in de plicht van de advocaat zich te onthouden van (feitelijke) stellingen waarvan hij de onjuistheid kent of redelijkerwijs kan kennen en aldus de waarheid geweld aandoet. Ook tijdens een tuchtprocedure behoort een advocaat zich integer te gedragen en schending van deze kernwaarde voor de advocaat is een tuchtrechtelijk verzwarende omstandigheid.

2.16    De ernst van de klacht, zijn tuchtrechtelijk verleden en de wijze waarop verweerder zijn klachtwaardig handelen in deze tuchtrechtelijke procedures heeft willen verbloemen met onwaarheden brengen mee dat verweerder onwaardig is het beroep van advocaat nog langer uit te oefenen. Schrapping van het tableau is de enig passende maatregel. De beslissing van de raad zal daarom worden bekrachtigd.

BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 12 januari 2015, gewezen onder nummer L211-2014.

Aldus gewezen door mr. T. Zuidema, voorzitter, mrs. G. Creutzberg, A.B.A.P.M. Ficq, A.J. Louter en R.H. Broekhuijsen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Kikkert, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2016.

griffier    voorzitter           

De beslissing is verzonden op 7 maart 2016.