Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSHE:2021:45 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 21-013/DB/LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2021:45
Datum uitspraak: 12-03-2021
Datum publicatie: 16-03-2021
Zaaknummer(s): 21-013/DB/LI
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klaagster heeft niet onderbouwd op grond waarvan verweerder niet in redelijkheid kon menen dat  een herzieningsprocedure onvoldoende kansrijk was. Klacht kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  ‘s-Hertogenbosch

van 12 maart 2021

in de zaak 21-013/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

De voorzitter van de raad van discipline (hierna : de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement    (hierna: de deken) van Limburg van 8 januari 2021  met kenmerk K20-073, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klaagster is bij arrest van het gerechtshof van 4 oktober 2005 veroordeeld om percelen grond terug te leveren aan de nalatenschap van haar vader. Klaagster heeft hieraan voldaan door deze percelen in 2007 terug te leveren.

1.2    Klaagster heeft zich in 2016 tot verweerder gewend met het verzoek de behartiging van de belangen van klaagster in voormelde nalatenschapskwestie die de gezamenlijke erfgenamen meer dan 40 jaar verdeeld hield over te nemen. Klaagster wenste onder meer een herzieningsprocedure aanhangig te maken, waarin zij wilde aantonen dat het oordeel van het gerechtshof over de echtheid van een handtekening, die aan haar werd toegeschreven, en op grond waarvan het gerechtshof had beslist dat de percelen door klaagster moesten worden terug geleverd  aan de nalatenschap van haar vader, berustte op een verkeerd oordeel van de schriftdeskundige.

1.3    Verweerder en klaagster hebben op 11 mei 2016 een mantelovereenkomst gesloten, waarin het volgende is vastgelegd:

Zaakgegevens: Betreft verdelingskwestie erven (….). Verstekvonnis gezuiverd door mr (…..). Verzoek cliënte om belangenbehartiging over te nemen. Afspraak: 1) stand procedure verifiëren bij rechtbank 2) Dossier bestuderen t.b.v. vaststelling uitgangspunten 3) procesadvies 4) aan hand van procesadvies evt. procedure voeren voor cliënte.

1.4    Verweerder heeft klaagster in meerdere procedures bijgestaan. Klaagster is onder meer bij vonnis van 7 juni 2018, hersteld bij vonnis van 18 juni 2018, door de voorzieningenrechter  veroordeeld om alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van negen percelen.

1.5    Verweerder heeft geen verzoek tot herziening van het arrest van 4 oktober 2005 bij het gerechtshof ingediend.

1.6    Op 27 april 2020 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

Verweerder heeft de belangen van klaagster niet naar behoren behartigd. Verweerder heeft niet voldaan aan de vraag van klaagster om een herzieningsprocedure op te starten, ondanks dat er voldoende bewijzen aanwezig waren in het dossier.

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING

4.1    De klacht heeft betrekking op de dienstverlening door de (eigen) advocaat van klager. Gezien het bepaalde bij artikel 46 Advocatenwet heeft de tuchtrechter mede tot taak de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij die beoordeling geldt dat rekening moet worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. De cliënt dient door de advocaat erop gewezen te worden wat in zijn zaak de proceskansen zijn en het kostenrisico is. Voorts dienen procestukken te voldoen aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen. Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep voor wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De Raad  toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht

4.2    Klaagster verwijt verweerder dat hij geen herzieningsprocedure aanhangig heeft gemaakt, terwijl daarvoor in het dossier voldoende bewijs aanwezig was. De voorzitter volgt klaagster hierin niet. De advocaat mag bij het bepalen van de aanpak van een zaak uitgaan van de informatie die zijn cliënt hem verschaft, maar het behoort ook tot zijn taak om te onderzoeken of de stellingen van zijn cliënt met bewijsstukken kunnen worden onderbouwd. Een advocaat is niet gehouden om een procedure aanhangig te maken, indien hij geen kansen ziet de procedure met succes te voeren. Van een advocaat wordt verwacht dat hij zijn cliënt behoedt voor het voeren van kansloze procedures.

4.3    Verweerder heeft onderbouwd aangevoerd dat hij zich heeft ingespannen om bewijsstukken te verkrijgen, waarmee de stellingen van klaagster konden worden onderbouwd, maar dat hij hierin niet is geslaagd. Klaagster heeft niet onderbouwd op grond waarvan verweerder niet in redelijkheid kon menen dat  een herzieningsprocedure onvoldoende kansrijk was. De enkele omstandigheid dat klaagster verweerder heeft verzocht een herzieningsprocedure aanhangig te maken betekent niet dat verweerder hiertoe gehouden was. Naar het oordeel van de voorzitter valt verweerder onder bovenvermelde omstandigheden tuchtrechtelijk niet aan te rekenen dat hij geen herzieningsprocedure bij het gerechtshof aanhangig heeft gemaakt.

4.4    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. R.M.M. van den Heuvel, voorzitter, bijgestaan door mr. I.J.M. Huysmans-van Opstal, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2021.

Griffier                Voorzitter