Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSHE:2021:35 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 21-026/DB/LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2021:35
Datum uitspraak: 16-02-2021
Datum publicatie: 19-02-2021
Zaaknummer(s): 21-026/DB/LI
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:  Klacht van advocaat tegen advocaat in hoedanigheid van deken. Het kan niet zo zijn dat een advocaat, door een klacht tegen een deken in te dienen, een onderzoek door die deken naar het handelen van die advocaat vertraagt dan wel frustreert. Klacht kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  ‘s-Hertogenbosch

van 16 februari 2021

in de zaak 21-026/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

Klaagster heeft per email van 8 juli 2020, met bijlagen, aan de voorzitter van het Hof van Discipline verzocht haar klacht over verweerder voor onderzoek naar een andere deken te verwijzen.

De (plaatsvervangend) voorzitter van het Hof van Discipline heeft bij beslissing van 27 juli 2020 de klacht voor onderzoek verwezen naar de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken).

De [plaatsvervangend] voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van 13 januari 2021 met kenmerk K20-105, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    In de periode mei 2016 tot en met   juni 2020 zijn elf  klachten  over klaagster bij verweerder ingediend. Vier daarvan zijn ingediend door de wederpartij (althans een daaraan gelieerde vennootschap) van een cliënte van klaagster. Vier klachten zijn ingetrokken of niet in behandeling genomen vanwege niet betaald griffierecht. Verweerder heeft naar aanleiding van de resterende klachten een onderzoek ingesteld.

1.2    Op 2 juni 2020 heeft verweerder een concept dekenbezwaar aan klaagster toegezonden. De aanleiding voor het dekenbezwaar waren bij verweerder ingediende klachten over verweerster, in het bijzonder hetgeen naar voren was gekomen uit het onderzoek naar aanleiding van klachten van mevrouw R in klachtzaak 19-741.

1.3    De stafjurist van het bureau van de orde van advocaten in het arrondissement Midden-Nederland schreef per email van 10 juni 2020 onder meer het volgende aan verweerster : “Verder merkte u ten aanzien van het op 2 juni 2020 toegezonden dekenbezwaar op dat daarin ten onrechte vermeld staat dat de klacht van mevrouw (…..) (deels) gegrond is verklaard. Ik constateer dat dit per abuis inderdaad het geval is en zal dit aanpassen. Uw nadere reactie op het concept dekenbezwaar zien wij graag binnen de gestelde termijn tegemoet.”

1.4    Klaagster heeft per email van 16 juni 2020 gereageerd op het concept dekenbezwaar. Op 7 juli 2020 is telefonisch aan klaagster verzocht verhinderdata op te geven voor een bespreking van het concept dekenbezwaar en de reactie daarop van klaagster. Klaagster heeft op 8 juli 2020 telefonisch aan de stafjurist naar de strekking van de te plannen bespreking gevraagd en vervolgens bericht nog niet te weten of zij haar verhinderdata zou opgeven. Per email van 8 juli 2020 is aan klaagster verzocht om  binnen twee weken haar verhinderdata op te geven.

1.5    Op 8 juli 2020 heeft klaagster bij de voorzitter van het Hof van Discipline een klacht ingediend over verweerder.

1.6    Klaagster heeft op 22 juli 2020 bericht dat zij een klacht over verweerder bij het Hof van Discipline had ingediend en dat zij nader bericht van het Hof van Discipline daarover wenst af te wachten. Op 11 augustus 2020 is namens verweerder aan klaagster bericht dat verweerder niet wenste te wachten en is nogmaals verzocht om verhinderdata op te geven. Klaagster heeft per email van 18 augustus 2020 bericht dat opgave van verhinderdata geen zin had nu de deken Limburg het onderzoek naar de klacht van klaagster tegen verweerder ter hand had genomen. Per email van 26 augustus 2020 is klaagster voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld haar verhinderdata op te geven, bij uitblijven waarvan de deken zou overwegen daarover een dekenbezwaar in te dienen.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder dat hij in zijn hoedanigheid van deken blijk heeft gegeven van partijdigheid doordat:

a)    klaagster niet bij verweerder terecht kon ten aanzien van een probleem met een klager die veelvuldig klachten tegen klaagster indiende;

b)    verweerder een concept dekenbezwaar aan klaagster heeft toegezonden, dat vol staat met insinuaties, onjuiste aannames en conclusies;

c)    verweerder overweegt om een (aanvullend) dekenbezwaar in te dienen in verband met het niet toesturen van verhinderdata voor het plannen van een gesprek over het toegezonden concept dekenbezwaar en de reactie daarop van klaagster.

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING

4.1    De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland. De voorzitter neemt als uitgangspunt dat het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht betrekking heeft op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Maar ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, bijvoorbeeld als deken, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt (HvD 30 januari 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:16, HvD 7 april 2014, ECLI:NL:TAHVD:2014:124). Concreet betekent dit dat in dit geding de vraag voorligt of verweerder zich bij de vervulling van zijn functie van deken van de orde van advocaten op de punten die in dit geding aan de orde zijn zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Verweerder heeft de klacht behandeld volgens de “Leidraad dekenale klachtbehandeling. “De leidraad is een richtlijn over de wijze waarop een klacht dient te worden behandeld. Bij de uitvoering daarvan komt de deken beleidsvrijheid toe. De vraag die ter beoordeling van de voorzitter voorligt is of verweerder zich binnen die beleidsvrijheid tijdens de behandeling van de klacht van klager tegen mr. X zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de Advocatuur is geschaad.

Ad onderdeel a)

4.2    Klaagster heeft ter toelichting op dit klachtonderdeel naar voren gebracht dat zij van verweerder had verwacht dat hij de heer X, gelet op de grote hoeveelheid klachten over klaagster, voor een gesprek zou uitnodigen. Klaagster voert daarbij voorts aan dat de heer X een notoire klager is die het overheidsapparaat alleen maar onnodig belast. Verweerder heeft aangevoerd dat hij het in het belang van het onderzoek naar de klachten van de heer X niet van belang achtte om de heer X voor een gesprek uit te nodigen. Verweerder wijst erop dat een van de klachten van de heer X tot oplegging van de maatregel berisping aan klaagster heeft geleid.

4.3    Het behoort tot de beleidsvrijheid van een deken om te beoordelen of hij het in het kader van een onderzoek naar een bij hem ingediende klacht van belang acht om een klagende partij en/of de beklaagde advocaat voor een (bemiddelings)gesprek uit te nodigen. Dat verweerder geen aanleiding zag om de heer X voor een gesprek uit te nodigen maakt niet dat verweerder partijdig heeft gehandeld, waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Ook overigens is klaagster er niet in geslaagd de door haar gestelde partijdigheid van verweerder met concrete feiten of bewijsstukken daarvan aannemelijk te maken.

Ad onderdeel b)

4.4    Verweerder is op grond van het bepaalde in artikel 45a Advocatenwet belast met het toezicht op de naleving door advocaten die kantoor houden in dat arrondissement van het bepaalde bij of krachtens deze wet met inbegrip van toezicht op de zorg die zij als advocaten behoren te betrachten ten opzichte van degenen wiens belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, inbreuken op de verordeningen van de Nederlandse orde van advocaten en enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.

4.5    Het was in het kader van die toezichthoudende taak dat verweerder als gevolg van meerdere over klaagster bij hem ingediende klachten aanleiding zag om een dekenbezwaar tegen klaagster op te stellen. Verweerder heeft een concept dekenbezwaar aan klaagster toegezonden en haar in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Klaagster heeft dit middels haar reactie van 16 juni 2020 ook gedaan. Voor zover klaagster van mening is dat in het concept dekenbezwaar sprake is van (feitelijke) onjuistheden en onterechte insinuaties, aannames en/of conclusies was dát het moment waarop klaagster dit kenbaar kon maken. Een eerdere reactie van klaagster had al geleid tot correctie van een feitelijke onjuistheid in het dekenbezwaar. Klaagster heeft echter nagelaten om verhinderdata door te geven voor het inplannen van een gesprek over het concept dekenbezwaar en haar reactie daarop. Klaagster heeft er vervolgens voor gekozen om zich met een klacht over verweerder te wenden tot de voorzitter van het Hof van Discipline.

4.6    Het staat klaagster vrij om een klacht over verweerder in te dienen. Dit laat onverlet dat het verweerder vrij stond om een concept dekenbezwaar aan klaagster toe te sturen en daarover een gesprek met klaagster aan te willen gaan, ook nadat klaagster over hem een klacht heeft ingediend. Klaagster heeft de onderhavige tuchtrechtprocedure tegen verweerder aangegrepen om in haar repliek in het onderzoek van de deken uitvoerig in te gaan op haar bezwaren tegen het concept dekenbezwaar. Hiervoor is het klachtrecht niet bedoeld. Het had op de weg van klaagster gelegen om zich tijdens het onderzoek van de deken dan wel in een daarop volgende tuchtrechtprocedure tegen het tegen haar ingediende dekenbezwaar te verweren. Het kan niet zo zijn dat een advocaat, door een klacht tegen een deken in te dienen, een onderzoek door die deken naar het handelen van die advocaat vertraagt dan wel frustreert. Niet valt in te zien welk verwijt verweerder valt te maken door in het kader van zijn toezichthoudende taak een concept dekenbezwaar aan klaagster toe te zenden en een gesprek met klaagster daarover te willen aangaan.

Ad onderdeel c)

4.7    Verweerder heeft klaagster bericht dat hij overwoog een dekenbezwaar tegen haar te zullen indienen, indien zij ondanks herhaalde verzoeken bleef weigeren verhinderdata voor een in te plannen gesprek aan hem door te geven. Niet valt in te zien wat verweerder hiervan valt te verwijten. Het is de taak van verweerder om toezicht te houden op het handelen en nalaten van advocaten in zijn arrondissement. Indien een deken aanleiding ziet om een advocaat voor een gesprek uit te nodigen, mag van die advocaat worden verwacht dat deze daaraan onvoorwaardelijk zijn/haar medewerking verleent. Nu klaagster het inplannen van een gesprek door verweerder onmogelijk maakte, waardoor verweerder in zijn toezichthoudende taak werd belemmerd, stond het verweerder vrij (te overwegen) om daarover een dekenbezwaar bij de raad van discipline in te dienen.

4.8    Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat geen sprake is van zodanige gedragingen van verweerder in zijn hoedanigheid van deken dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. De voorzitter zal de klacht daarom, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond

Aldus beslist door mr. C.A.M. de Bruijn, [plaatsvervangend] voorzitter, bijgestaan door mr. I.J.M. Huysmans-van Opstal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2021.

Griffier             Voorzitter