Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSHE:2021:34 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 20-1020/DB/OB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2021:34
Datum uitspraak: 16-02-2021
Datum publicatie: 17-02-2021
Zaaknummer(s): 20-1020/DB/OB
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen advocaat in hoedanigheid van bindend adviseur. Verweerster mocht uitgaan van de juistheid van het door ARAG aan haar overgelegde dossier. Niet gebleken dat verweerster de uit het correspondentiedossier voortvloeiende medische informatie verkeerd heeft uitgelegd. Verweerster heeft geen medisch oordeel gegeven, maar op basis van de verkregen medische informatie de haalbaarheid van een procedure getoetst. Klacht kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  ‘s-Hertogenbosch

van 16 februari 2021

in de zaak 20-1020/DB/OB

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) van 22 december 2020 met kenmerk 48/20/104K, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7.

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Op 8 januari 2020 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster (ARAG) aan de deken verzocht om een advocaat aan te wijzen, die volgens de polisvoorwaarden van ARAG een bindende uitspraak zou doen in het tussen klaagster en ARAG gerezen geschil over de aanpak en de haalbaarheid van de letselschadezaak van klaagster. De deken heeft op 9 januari 2020 verweerster aan ARAG voorgedragen om bindend advies uit te brengen. Verweerster is  vervolgens bij brief van 10 januari 2020 door ARAG benaderd om een bindend advies uit te brengen in de letselschadezaak van klaagster.

1.2    Op 17 februari 2020 heeft een gesprek tussen klaagster en verweerster plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek constateerde verweerster dat ARAG en klaagster het niet eens waren over de vraagstelling aan verweerster. Verweerster heeft zich hierna tot ARAG gewend en bericht dat, alvorens zij een bindend advies zou kunnen opstellen, partijen het eens dienden te zijn over de vraagstelling aan haar. Vervolgens heeft tussen ARAG en klaagster emailcorrespondentie over de vraagstelling aan verweerster plaatsgevonden. ARAG stelde tot slot per email van 26 maart 2020 aan klaagster de volgende aanpak voor : Klaagster mocht  alles naar voren brengen en verweerster diende haar advies te beperken tot de volgende vraagstelling: “ Volgens ARAG zijn er geen verdere aanknopingspunten om met een redelijke slagingskans de schade van cliënte te verhalen. Bent u het daarmee eens?” Klaagster heeft zich per email van 26 maart 2020 met de door ARAG voorgestelde aanpak akkoord verklaard. 

1.3    Verweerster heeft bij brief van 10 april 2020 haar advies aan ARAG toegezonden. Verweerster schreef hierin onder meer het volgende : “Aldus ben ik het eens met de stelling van ARAG dat er geen verdere aanknopingspunten zijn om met een redelijke kans van slagen de schade van cliënte te verhalen, omdat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van medisch onzorgvuldig handelen waardoor schade is veroorzaakt.”

1.4    Op 20 april 2020 heeft naar aanleiding van het advies van verweerster van 10 april 2020 telefonisch contact tussen klaagster en verweerster plaatsgevonden. Klaagster was van mening dat verweerster in haar advies was uitgegaan van feitelijke onjuistheden. Klaagster heeft op verzoek van verweerster op 21 april 2020 de door haar bedoelde feitelijke onjuistheden schriftelijk vastgelegd en aan verweerster toegezonden. Verweerster heeft dit document per email van 28 april 2020 aan ARAG toegezonden. Verweerster schreef aan ARAG dat zij klaagster had bericht dat het beter was geweest als zij over het medisch dossier zou hebben beschikt, maar dat klaagster haar daarvoor geen toestemming had gegeven, bij welk standpunt klaagster bleef. Verweerster verzocht ARAG om in overleg met klaagster te treden over het toegezonden document, wat mogelijk tot aanlevering van aanvullende dossier stukken zou leiden. Verweerster verklaarde zich bereid om, na ontvangst van een aanvullende opdracht, deze documenten in haar advies te verwerken. ARAG heeft per email van 16 juni 2020 aan verweerster bericht dat er vanuit ARAG geen aanvullende opdracht zou volgen en dat zij het bindend adviestraject als beëindigd kon beschouwen.

1.5    Op 18 juni 2020 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende.

a)    Verweerster heeft medische informatie verkeerd uitgelegd en conclusies getrokken uit een medische expertise die zij niet heeft ingezien;

b)    Verweerster heeft zich niet beperkt tot een juridische beoordeling maar is op de stoel van de arts gaan zitten door uitspraken te doen over een behandeling of diagnose;

c)    Verweerster heeft voordat zij advies heeft uitgebracht niet gevraagd om de relevante stukken te ontvangen en heeft niet geverifieerd of het dossier compleet was.

3    VERWEER

3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING

4.1    De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerster in haar hoedanigheid van bindend adviseur in het kader van de geschillenregeling van ARAG, rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster. Het in de artikelen 46 e.v. Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, blijft het advocatentuchtrecht in die zin voor hem/haar gelden, dat indien die advocaat zich bij de vervulling van diens andere hoedanigheid zodanig gedraagt dan wel misdraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt ondermijnd, sprake kan zijn van een handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt, waarvan hem/haar een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. De raad zal de klacht met inachtneming van dit uitgangspunt beoordelen.

4.2    Op grond van bovenvermeld uitgangspunt ligt ter beoordeling aan de raad de vraag voor of verweerster zich bij de vervulling van haar taak als bindend adviseur zodanig heeft gedragen dan wel misdragen of haar taak als bindend adviseur zodanig heeft verwaarloosd dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.

4.3    Verweerster heeft op 10 april 2020 een uitgebreid en gemotiveerd advies aan ARAG toegezonden. Verweerster heeft haar advies gebaseerd op de inhoud van het door ARAG aan haar toegezonden correspondentiedossier en het gesprek met klaagster d.d.17 februari 2020. Verweerster heeft het aanvankelijk door ARAG aan haar toegezonden medisch dossier op verzoek van ARAG vernietigd, omdat klaagster geen toestemming had verleend voor inzage in het medisch dossier door verweerster. Klaagster kan zich niet verenigen met de inhoud van het advies. Zij stelt dat het advies is gebaseerd op onjuiste en niet geverifieerde feiten.

4.4    Tussen klaagster en ARAG bestond aanvankelijk verschil van mening over de aan verweerster voor te leggen vraagstelling. Uiteindelijk zijn partijen de volgende vraagstelling overeengekomen “Volgens ARAG zijn er geen verdere aanknopingspunten om met een redelijke slagingskans de schade van cliënte te verhalen. Bent u het daarmee eens?”. Hiermee was de opdracht aan verweerster beperkt tot beantwoording van deze vraag. De wijze waarop de zaak door ARAG is behandeld maakte derhalve geen deel uit van de aan verweerster verstrekte opdracht.

Ad klachtonderdeel a)

4.5    Juist is dat verweerster geen kennis heeft genomen van het medisch dossier van klaagster, omdat klaagster hiertoe geen toestemming had verleend. Verweerster heeft klaagster voorgehouden dat het beter zou zijn indien zij kennis kon nemen van het medisch dossier, maar klaagster bleef bij haar standpunt dat zij geen toestemming verleende aan verweerster tot inzage van het medisch dossier, omdat verweerster geen arts is.  Verweerster stelt dat zij bij haar advies daarom is uitgegaan van de medische informatie die zij uit het correspondentiedossier heeft kunnen afleiden. Naar het oordeel van verweerster heeft zij hierin voldoende aanknopingspunten gevonden om tot een advies te kunnen komen.

4.6    Verweerster heeft haar advies onderbouwd aan de hand van de inhoud van het oordeel van de expertisearts, zoals door verweerster in de correspondentie is aangetroffen. Dat verweerster enkel is afgegaan op het correspondentiedossier en geen kennis heeft genomen van de medische expertise valt haar, nu klaagster verweerster toestemming tot kennisneming daarvan heeft onthouden, tuchtrechtelijk niet aan te rekenen. Dat verweerster de uit het correspondentiedossier voortvloeiende medische informatie verkeerd heeft uitgelegd is door klaagster niet nader onderbouwd noch heeft klaagster daarvan bewijs overgelegd. Verweerster mocht uitgaan van de juistheid van het door ARAG aan haar overgelegde dossier. Zij heeft op grond van het haar ter beschikking gestelde dossier een uitvoerig en onderbouwd advies gegeven. Dat klaagster zich niet kan verenigen met de inhoud van dit advies betekent niet  dat verweerster het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. 

Ad onderdeel b)

4.7    De voorzitter volgt klaagster evenmin in het tweede onderdeel van de klacht. Verweerster heeft zich in haar advies van 10 april 2020 niet uitgelaten over een medische behandeling of een diagnose. Verweerster heeft haar oordeel over de haalbaarheid van de letselschadezaak van klaagster gebaseerd op de medische expertise van artsen, voor zover zij hiervan uit het correspondentiedossier kennis heeft kunnen nemen. Verweerster diende bij het opstellen van haar advies af te gaan op de haar ter beschikking gestelde (medische) informatie. Verweerster heeft de verkregen medische informatie juridisch beoordeeld en vervolgens een advies gegeven over de haalbaarheid van de zaak. Ter zake valt verweerster tuchtrechtelijk niets te verwijten.

Ad onderdeel c)

4.8    Verweerster mocht ervan uitgaan dat het door ARAG aan haar toegezonden correspondentiedossier compleet was. Ten aanzien van het medisch dossier geldt dat verweerster meermaals heeft verzocht om inzage in het medisch dossier, maar dat hiertoe door klaagster uitdrukkelijk geen toestemming is verleend. Verweerster heeft vervolgens geconcludeerd dat het door ARAG  aan haar toegezonden correspondentiedossier voldoende aanknopingspunten bood om tot een onderbouwd advies te komen en de aan haar voorgelegde vraagstelling te beantwoorden.  Niet valt in te zien welk tuchtrechtelijk verwijt verweerster hiervan valt te maken.

4.9    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond

Aldus beslist door mr. R.M.M. van den Heuvel voorzitter, bijgestaan door mr. I.J.M. Huysmans-van Opstal, als griffier en uitgesproken in het openbaar op  16   februari 2021          .

Griffier             Voorzitter