ECLI:NL:TADRSGR:2026:60 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-458/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:60 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-03-2026 |
| Datum publicatie: | 27-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-458/DH/RO |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over echtscheiding waarin verweerster als gezamenlijk echtscheidingsadvocaat heeft opgetreden. Verweerster heeft niet voldaan aan de op haar rustende zware zorgplicht. Zij heeft klaagster en de man nooit gesproken. Na een mediationtraject hebben klaagster en de man contact gehad met diverse paralegels en heeft er een videogesprek met een paralegal plaatsgevonden. Verweerster heeft kennelijk alleen een aantal vragen van de paralegal beantwoord en het verzoekschrift ingediend bij de rechtbank. Niet blijkt dat verweerster zich ervan heeft vergewist dat het convenant en ouderschapsplan ook daadwerkelijk was wat partijen wensten af te spreken. Dat wringt des te meer, nu het convenant op een aantal punten financieel (zeer) nadelig voor klaagster was. Ook heeft verweerster het in haar brief – ten onrechte doen voorkomen alsof zij wel met klaagster en de man heeft gesproken. Schending kernwaarde deskundigheid. De raad weegt mee dat dit geen incident is, maar het bedrijfsmodel van verweerster. Onvoorwaardelijke schorsing van vier weken. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 23 maart 2026 (bij vervroeging) in de zaak 25-458/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde:
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 6 mei 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 11 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/070 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van 9 februari 2026 van de raad. Daarbij
waren klaagster, haar gemachtigde en verweerster aanwezig. Omdat ter zitting onduidelijkheid
bleek te bestaan over door verweerster gestuurde stukken, namelijk de bijlagen bij
haar verweer op de klacht van 16 mei 2025 en haar opdrachtbevestiging, heeft de gemachtigde
van klaagster op 10 februari 2026 het verweer met bijlagen van verweerster en de brief
van 21 maart 2023 van verweerster aan klaagster en haar ex-man naar de raad gestuurd.
Verweerster heeft bevestigd dat deze stukken compleet zijn.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 17. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mail met bijlagen van 30 juli 2025 van klaagster en de e-mail met bijlagen
van 10 februari 2026 van de gemachtigde van klaagster (zie r.o. 1.3).
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster is in 2006 getrouwd. Zij en haar man (hierna: de man) hebben twee
minderjarige kinderen.
2.3 Klaagster en de man wensten te scheiden. Zij hebben in maart 2023 gekozen
voor een online scheidingstraject (spoedtraject) via Judex Legal. Een mediator heeft
een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan opgesteld.
2.4 In het op 10 maart 2023 door klaagster en de man ondertekende echtscheidingsconvenant
is onder meer opgenomen:
“3.3. De vrouw heeft een draagkracht van € 531 per maand op basis van de onderstaande
gespecificeerde jaarinkomens: € 40.922 (…).
3.4. De man heeft een draagkracht van € 1.648 per maand op basis van de onderstaand
gespecificeerde jaarinkomens: € 108.779 (…).
3.5. Partijen verklaren dat zij, op basis van het hiervoor gestelde, zich realiseren
dat de man alimentatieplichtig is en de vrouw alimentatiegerechtigd is, maar over
en weer afstand doen van hun rechten op partneralimentatie jegens elkaar omdat beiden
van mening zijn dat zij volledig in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. (…)
3.7. Partijen zijn uitdrukkelijk gewezen op de werking van het niet-wijzigingsbeding.
Zij beseffen dat zij in de toekomst (…) niet meer bij de andere partij om een bijdrage
in het levensonderhoud kunnen vragen. (…)
4.1 Tot de gemeenschap van partijen behoort een woning (…), ten name van beide partijen
gezamenlijk.
4.2. De gemeente [X] heeft de waarde op grond van de Wet waardering onroerende zaken
(WOZ) per 1 januari 2022 bepaald op € 841.000.
4.3. Partijen stellen de waarde ten tijde van de verdeling vast op € 780.000. Partijen
baseren zich bij deze waardering op het advies van een deskundige.
4.4. Op de woning rusten de volgende hypothecaire inschrijvingen:
- Aflossingsvrije hypotheek (…) ter grootte van € 231.300 (...);
- Annuïteitenhypotheek (…) ter grootte van € 43.865 (…);
- Aflossingsvrije hypotheek (…) ter grootte van € 15.000 (…);
- Annuïteitenhypotheek (…) ter grootte van € 174.445 (…).
4.5. De gezamenlijke woning en de hypothecaire geldleningen zullen worden toebedeeld
aan de man. (…)
Ten gevolgde van de toedeling van de onverdeelde helft van de hiervoor genoemde
onroerende zaak wordt de man overbedeeld voor een bedrag van € 157.785 voor wat betreft
de woning. Ter verwerving van die onverdeelde helft van de woning dient de man derhalve
aan de vrouw uit te betalen de somma van € 157.785. (…)
7.2. Het saldo van het gezamenlijk vermogen bedraagt na verdeling en verrekening
van vorderingen en schulden over en weer € 364.248, zodat elk van partijen na verrekening
recht heeft op € 182.214. (…)
8.2. Door bovenstaande verdeling van de gemeenschap wordt de man overbedeeld voor
een bedrag van € 135.446. Partijen zijn overeengekomen dat de man een gedeelte hiervan,
te weten € 94.000, zal overmaken aan de vrouw, met een betalingstermijn van 5 jaar.
Hierdoor wordt de overbedeling van de man teruggebracht naar € 41.446.”
Het dossier bevat ook een conceptversie van het echtscheidingsconvenant. In de conceptversie:
- is de waarde van de woning vastgesteld op € 841.000,- (in plaats van € 780.000,-,
zoals door klaagster en de man gewaardeerd in de ondertekende versie),
- is de overbedeling van de man wat betreft de echtelijke woning bepaald op €
188.195,- (in plaats van € 157.758,- in de ondertekende versie),
- is de overbedeling van de man bepaald op € 205.356,- (in plaats van € 135.466,-
in de ondertekende versie) en
- wordt na betaling van € 94.000,- door de man aan de vrouw de overbedeling van
de man teruggebracht naar € 111.356,- (in plaats van € 41.466,- in de ondertekende
versie).
2.5 Op 13 maart 2023 heeft paralegal D aan klaagster en de man onder meer geschreven
dat zij de gegevens van de mediator heeft ontvangen en dat zij partijen graag helpt
bij ‘de laatste fase van de echtscheiding’, te weten de afwikkeling via de rechtbank
en inschrijving bij de gemeente. Zij schrijft dat klaagster en de man hiervoor opdracht
geven aan verweerster. De paralegal informeert partijen verder over het videogesprek,
waarbij zij onder meer schrijft:
“In het gesprek bespreken wij hoe deze laatste fase van de spoedprocedure eruit
ziet en wat u kunt verwachten. Daarnaast bespreken we kort de belangrijke punten die
in uw convenant en ouderschapsplan staan. (…)
Over 7 dagen ontvangt u een nieuwe mail. (…) De reden waarom er 7 dagen zit tussen
deze e-mail en de link voor het inplannen van het videogesprek is omdat de advocaat
een wettelijke zorgplicht heeft. Vanuit deze zorgplicht wordt een wachttijd aanbevolen.
Hiermee krijgt u de gelegenheid om nog eenmaal goed na te denken over de gemaakte
afspraken, voordat de stukken worden ingediend bij de rechtbank en de gemeente.”
2.6 Vervolgens hebben klaagster en de man via e-mail contact gehad met verschillende
paralegals.
2.7 Op 21 maart 2023 heeft een videogesprek tussen klaagster, de man en paralegal
D plaatsgevonden. Vervolgens heeft paralegal D diezelfde dag het volgende aan klaagster
en de man bericht:
“Zoals besproken tijdens het videogesprek heb ik de volgende punten voorgelegd aan
de advocaat:
- De waarde van de woning (780K) is lager dan de toegekende WOZ-waarde van 2021.
Dit is opmerkelijk. U gaf tijdens het gesprek aan dat u hier reden toe heeft en dit
een realistische huidige waarde van de woning is. Tevens gaf u aan dat u hieromtrent
bent geadviseerd door een deskundige. (…)
- De overbedeling is opgesplitst in twee delen. Meneer betaalt een bedrag van
94K terug met een betalingstermijn van 5 jaar. Tijdens het gesprek gaf ik aan dat
u hier in beginsel een rente over moet overeenkomen. Het is immers te zien als een
soort lening. Om die reden raden wij u aan (onderling) een rente (vergelijkbaar met
de wettelijke) overeen te komen om te voorkomen dat sprake is van een schenking.
- Uit art. 8.2 van uw convenant blijkt niet wat er gebeurt met het restant van
de overbedeling (ca 40K). Tijdens het gesprek gaf u aan dat dit niet verrekend wordt
en dat u daar aangifte schenkbelasting van zal doen. In principe is hier sprake van
een ‘open eind’ daar niet met zo veel woorden blijkt wat er met dit bedrag gebeurt.
Uiteraard kan hier expliciet uit opgemaakt worden dat het niet verrekend wordt.
Naar aanleiding van het gesprek met de advocaat wens ik de keuze tot aanpassing
van het convenant aan u voor te leggen. Graag ontvang ik van u beiden een e-mail waarin
u aangeeft of u aanpassing van de stukken wenst.”
2.8 Klaagster heeft diezelfde dag gereageerd en aan paralegal D laten weten dat
de benoemde drie punten tijdens het videogesprek met de mediator zijn besproken en
dat er geen reden tot aanpassing is. Ook de man heeft laten weten dat er geen reden
is tot aanpassing van het convenant.
2.9 Vervolgens heeft paralegal D diezelfde dag een bevestiging van het gesprek
en informatie over de laatste fase van de echtscheiding naar klaagster en de man gestuurd.
2.10 Op 21 maart 2023 hebben klaagster en de man akkoord gegeven.
2.11 Op 21 maart 2023 heeft verweerster in een brief het volgende aan klaagster
en de man geschreven:
“Zoals besproken in het videogesprek op 21 maart 2023 dat u heeft gevoerd met mij,
bevestig ik in deze brief een aantal punten. (…)
Ik heb uw stukken beoordeeld op eventuele bijzonderheden en rechtsgeldigheid.
In het videogesprek op 21 maart 2023 heeft u de belangrijkste punten uit het convenant
en ouderschapsplan nogmaals met mij of besproken. In dit gesprek gaf u aan geen verdere
vragen te hebben met betrekking tot de inhoud van uw convenant, ouderschapsplan of
de procedure. (…)
Na ondertekening van uw convenant en ouderschapsplan moet uw scheiding formeel nog
worden afgewikkeld. Voor dat traject schakelt u ons kantoor in. (…)
Wat wij niet voor u regelen
U heeft uw convenant en ouderschapsplan opgesteld samen met uw mediator. U geeft
aan geen vragen of onduidelijkheden te hebben met betrekking tot de inhoud van het
convenant, ouderschapsplan of het mediationtraject.
Uw opdracht aan ons beperkt zich dan ook tot de afwikkeling en uitdrukkelijk niet
tot het opnieuw beoordelen van de inhoud van uw convenant aan de hand van de achterliggende
documenten en financiële gegevens. (…)
U heeft ons niet de achterliggende documenten verstuurd, waar het convenant op gebaseerd
is. Wij beschikken dus niet over bijvoorbeeld financiële gegevens of een totaaloverzicht
van het aanwezige vermogen. (…)
Financiën
(…) U heeft reeds bij aanvang van het scheidingstraject een factuur voor de volledige
dienstverlening ontvangen. Hierin zijn ook mijn kosten inbegrepen. U ontvangt van
mij dus geen aparte nota meer.”
2.12 Op 23 maart 2023 heeft een paralegal aan klaagster en de man bericht dat
het verzoekschrift is ingediend bij de rechtbank.
2.13 Bij beschikking van 30 maart 2023 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen
klaagster en de man uitgesproken en bepaald dat het door klaagster en de man ondertekende
echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.
2.14 Op 31 maart 2023 heeft paralegal D klaagster en de man geïnformeerd over
de beschikking van de rechtbank en klaagster en de man gevraagd een akte van berusting
te ondertekenen.
2.15 Begin april 2023 hebben klaagster en de man een akte van berusting ondertekend,
waarna de echtscheidingsbeschikking op 5 april 2023 in de registers van de burgerlijke
stand is ingeschreven.
2.16 De man heeft op 7 mei 2025 het verslag en/of de opname van het videogesprek
opgevraagd. Een paralegal heeft op 7 mei 2025 laten weten dat er geen verslag van
het gesprek is, dat er wel een opname van het videogesprek is, maar dat deze alleen
voor de eigen administratie is bedoeld en niet mag worden gedeeld.
2.17 Verweerster is sinds mei 2025 geen advocaat meer.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster het volgende:
a) De kwaliteit van het online-echtscheidingsproduct is ver beneden de maat.
Klaagster is daardoor benadeeld en verweerster is daarvoor verantwoordelijk.
b) Verweerster heeft de inhoud van de stukken niet aan klaagster uitgelegd, zoals
het niet-wijzigingsbeding. Verweerster heeft de stukken, zoals het convenant, ook
nooit met klaagster besproken, omdat alles online ging.
c) Verweerster heeft klaagster niet gewezen op de mogelijkheid van gefinancierde
rechtsbijstand, terwijl klaagster daar in 2023 recht op had.
3.2 Klaagster heeft toegelicht dat zij zich door verbaal en fysiek geweld binnen
haar huwelijk onder druk heeft laten zetten om akkoord te gaan met deze wijze van
scheiden. De scheiding betrof een volledig online traject van 6 tot 10 maart 2023.
Klaagster en de man hebben verweerster nooit gesproken of gezien. Zij hebben eenmalig
een onlinegesprek gehad met een van de mediators die voor Judex werkt. Verder is er
via gezamenlijke mailwisseling met de man gecorrespondeerd met wisselende paralegals.
Klaagster stelt dat zij hierdoor inhoudelijk niet in alle eerlijkheid heeft kunnen
reageren. Verweerster heeft als advocaat alleen de formele stukken ondertekend en
het verzoekschrift bij de rechtbank ingediend. Verweerster heeft klaagster nooit gewaarschuwd
voor de financieel zeer nadelige gevolgen en de zeer nadelige clausules in het convenant,
zoals het niet wijzigingsbeding. Klaagster stelt dat zij ten onrechte afstand heeft
gedaan van partner- en kinderalimentatie. Ook met betrekking tot de boedelscheiding
van de echtelijke koopwoning is zij aanzienlijk benadeeld.
3.3 Klaagster verzoekt de raad uit te spreken dat verweerster jegens haar niet
de zorgvuldigheid heeft betracht die bij een behoorlijke rechtshulpverlening betaamt
(artikel 48 lid 9 Advocatenwet). Klaagster heeft verder verzocht verweerster te veroordelen
in de kosten die klaagster betaalt aan haar gemachtigde voor deze tuchtzaak (een eigen
bijdrage van € 762,-).
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij heeft toegelicht hoe
de procedure via netjesscheiden.nl verloopt. Zij stelt dat klaagster en de man zelf
voor een spoedpakket hebben gekozen, zodat het proces met voorrang werd behandeld.
Van belang is daarbij dat klaagster degene was die de communicatie heeft verzorgd
(met de man in de cc) en ook druk heeft gezet op de tijd die met het proces gemoeid
was. De mediator heeft naar aanleiding van het door klaagster en de man ingevulde
klantportaal een conceptconvenant en een ouderschapsplan opgesteld. Klaagster en de
man hebben met de mediator inhoudelijk gesproken over de in onderling overleg te maken
afspraken. In deze onlinebespreking zijn ook de concepten besproken en is gecontroleerd
of een en ander duidelijk was voor klaagster en de man. Daarna zijn de besproken aanpassingen
door de mediator verwerkt en zijn de aangepaste exemplaren van het convenant en ouderschapsplan
naar klaagster en de man gestuurd. Verweerster stelt dat de mediator op basis van
de door klaagster en de man overgelegde inkomensgegevens een alimentatieberekening
heeft opgesteld, juist om klaagster en de man te informeren over waarvan zij in dit
geval afzagen. Ook heeft de mediator de werking van het niet-wijzigingsbeding uitgelegd.
4.2 Verweerster stelt dat een paralegal namens verweerster in een video-call
met klaagster en de man heeft gesproken. Deze paralegal heeft namens verweerster het
convenant en ouderschapsplan inhoudelijk besproken. Ook het niet-wijzigingsbeding
is wederom aan bod gekomen, met daarbij expliciet de opmerking ‘dus u kunt in de toekomst
geen aanspraak meer maken op partneralimentatie’. De paralegal heeft verder aangegeven
dat zij nog drie punten van het convenant met verweerster wilde bespreken, waaronder
de door klaagster en de man gekozen overbedeling aan de kant van de man zodat hij
in de woning kon blijven. Deze drie punten zijn met verweerster besproken en de paralegal
heeft deze punten per e-mail met klaagster en de man gecommuniceerd. Hieraan hebben
partijen hun goedkeuring gegeven. Het is voor verweerster onbegrijpelijk dat klaagster
stelt dat er geen uitleg is geweest over bepaalde “nadelige” zaken.
4.3 Verweerster betwist dat het onderwerp van gesubsidieerde rechtsbijstand niet
is besproken. Bij het eerste contact met de servicedesk wordt dit onderwerp met partijen
besproken en het staat ook in de brochure vermeld.
4.4 Ter zitting heeft verweerster toegelicht dat zij heeft voldaan aan de op
haar rustende zware zorgplicht als gezamenlijk echtscheidingsadvocaat. Zij heeft kwaliteit
hoog in het vaandel staan en daarop is het proces ingericht. Het is commercieel, maar
dat wil niet zeggen dat de kwaliteit tekortschiet. Verweerster heeft klaagster en
de man niet zelf gesproken: de mediator heeft eerst met partijen gesproken en daarna
een paralegal. Verweerster heeft het convenant gecontroleerd.
5 BEOORDELING
5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende
klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die
regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm
in artikel 46 Advocatenwet.
5.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen
als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter
mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover
wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit
duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening
met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt.
Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling
van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt
begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als
algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van
een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.3 Op de advocaat die optreedt als enige advocaat van twee partijen om een echtscheiding
tot stand te brengen rust volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline
een zware zorgplicht. De advocaat dient zich ervan te vergewissen dat beide partijen
de regeling zoals in een convenant opgesteld begrijpen en indien een partij met minder
genoegen neemt dan waarop deze aanspraak kan maken, deze partij die concessie welbewust
aanvaardt. Die verplichting bestaat ook indien de advocaat dat convenant niet heeft
opgesteld en hij daartoe geen opdracht heeft gekregen. De advocaat draagt immers verantwoordelijkheid
voor de inhoud van de stukken die hij bij de rechtbank indient (zie HvD 13 januari
2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:21, waarin ook wordt verwezen naar HvD 9 april 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:57,
HvD 7 januari 2013, ECLI:NL:TAHVD:2013:44, en HvD 7 december 2012, ECLI:NL:TAHVD:2012:3).
5.4 Verweerster heeft voor klaagster en de man opgetreden als gezamenlijk echtscheidingsadvocaat.
Zij heeft niet het volledige traject begeleid, maar heeft na een traject bij de mediator
gefungeerd als ‘afhechtingsadvocaat’. Mediators die geen advocaat zijn, zijn namelijk
niet bevoegd tot het indienen van echtscheidingsverzoeken. Op grond van het aan advocaten
toekomende procesmonopolie zijn mediators daarom genoodzaakt om advocaten, zoals verweerster,
in te schakelen voor het indienen van de (gemeenschappelijke) verzoeken tot echtscheiding
met bijbehorende convenanten en eventuele ouderschapsplannen. Ten tijde van de ontvangst
door de advocaat van een dergelijk van de mediator afkomstig verzoek heeft de advocaat
in kwestie dus nog geen enkele inhoudelijke bemoeienis met de zaak van de cliënten
gehad.
5.5 Het hiervoor geformuleerde uitgangspunt raakt de kernwaarde van de partijdigheid,
die uitzondering lijdt in het geval een advocaat in een echtscheidingskwestie voor
beide partijen optreedt. Juist omdat het optreden voor beide partijen een uitzonderingssituatie
is, dient dat optreden met bijzondere waarborgen te worden omkleed. Een advocaat heeft
zelf de volledige verantwoordelijkheid om de rechtsbijstand te verlenen op een wijze
die recht doet aan de op de advocaat rustende verplichtingen. Dat geldt ook wanneer
de advocaat door een mediator wordt ingeschakeld om alleen ‘afhechtingswerkzaamheden’
te verrichten. Een advocaat mag nooit enkel als doorgeefluik fungeren. Het is immers
ook de advocaat die het verzoekschrift namens beide cliënten indient en die zijn handtekening
verbindt aan het verzoek. Een advocaat moet vanzelfsprekend inhoudelijk invulling
geven aan zijn taak.
5.6 De raad is – gelet op de hiervoor genoemde uitgangspunten – van oordeel dat
de bijstand van een advocaat in dit soort zaken op zijn minst uit de volgende werkzaamheden
moet bestaan.
5.7 Een advocaat moet zijn cliënten persoonlijk spreken en identificeren. Hij
dient zijn cliënten te informeren over alle (on)mogelijkheden en risico’s die aan
(deze afspraken over) de echtscheiding zijn verbonden. Hij moet zich ervan vergewissen
dat dat ook daadwerkelijk is wat partijen wensen af te spreken. Hij moet controleren
of wat in het convenant staat juridisch klopt en goed is verwoord en de berekeningen
controleren. Hij moet nagaan of alle aspecten die aan de gevolgen van een echtscheiding
kleven in het convenant aan de orde zijn gesteld en of de mediator niet zaken heeft
vergeten. Een advocaat moet verder een verslag maken van de gesprekken die hij met
de partijen heeft gevoerd. Nadat de beschikking door de rechtbank is gewezen, moet
de advocaat de uitspraak bespreken en de cliënten vragen of zij instemmen met de uitspraak.
Alleen in het bevestigende geval kan, in het bijzijn van de advocaat, de akte van
berusting worden getekend waardoor de echtscheidingsbeschikking vervroegd kan worden
ingeschreven. De advocaat zal zich dus ook na het wijzen van de beschikking ervan
moeten vergewissen of partijen nog steeds willen scheiden en achter wat is afgesproken
staan.
5.8 De raad is van oordeel dat uit het klachtdossier en de door verweerster gegeven
toelichting volgt dat door verweerster niet is voldaan aan de zware zorgplicht die
op haar rust. Verweerster heeft niet persoonlijk met klaagster en de man gesproken:
het traject is door de mediator en de paralegals gedaan. Verweerster is kennelijk
pas rond of na het videogesprek daadwerkelijk bij de zaak betrokken geraakt. De paralegal
heeft kennelijk drie punten uit het videogesprek met verweerster besproken en vervolgens
aan partijen teruggekoppeld. Na akkoord van partijen heeft verweerster het verzoekschrift
bij de rechtbank ingediend.
5.9 De raad kan niet vaststellen dat verweerster zich ervan heeft vergewist dat
het opgestelde convenant en ouderschapsplan ook daadwerkelijk was wat partijen wensten
af te spreken. Dat is op zichzelf al onzorgvuldig en wringt in dit geval des te meer,
nu het convenant op een aantal punten financieel (zeer) nadelig voor klaagster was.
Verweerster had dit uitdrukkelijk met partijen moeten bespreken en schriftelijk moeten
vastleggen. Dat geldt ook voor het punt van de gefinancierde rechtsbijstand: het is
verweersters verantwoordelijkheid om de mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand
met partijen te bespreken en, in het geval partijen afzien daarvan gebruik te maken,
dat schriftelijk vast te leggen (zie gedragsregel 18 lid 3). Verweerster heeft dit
niet gedaan. Ook dat is onzorgvuldig.
5.10 De raad is van oordeel dat de wijze waarop het echtscheidingstraject is
vormgegeven, en waarvan verweerster alleen het sluitstuk is geweest, niet voldoet
aan de zware zorgplicht die op een gezamenlijk echtscheidingsadvocaat rust. Er is
geen sprake van een echte advocaat-cliëntrelatie geweest. Verweerster heeft als advocaat
een zelfstandige verantwoordelijkheid, maar zij is te veel afgegaan op de informatie
van anderen. Het echtscheidingstraject van klaagster is onzorgvuldig geweest en in
strijd met de kernwaarde deskundigheid. De klacht is dan ook in alle onderdelen gegrond.
5.11 Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de raad van oordeel dat verweerster
jegens klaagster niet de zorgvuldigheid heeft betracht die bij een behoorlijke rechtshulpverlening
hoort.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft niet voldaan aan de zware zorgplicht die op haar als gemeenschappelijk
echtscheidingsadvocaat rust. Na een mediationtraject hebben klaagster en de man contact
gehad met diverse paralegals en heeft er een videogesprek met een paralegal plaatsgevonden.
Verweerster heeft klaagster en de man nooit gesproken. Verweerster heeft kennelijk
alleen een aantal vragen van de paralegal beantwoord en het verzoekschrift ingediend
bij de rechtbank. Niet blijkt dat verweerster zich ervan heeft vergewist dat het convenant
en ouderschapsplan ook daadwerkelijk was wat partijen wensten af te spreken. Dat wringt
des te meer, nu het convenant op een aantal punten financieel (zeer) nadelig voor
klaagster was. Ook heeft verweerster het in haar brief – ten onrechte – doen voorkomen
alsof zij wél met klaagster en de man heeft gesproken. Verweerster heeft op meerdere
punten onzorgvuldig en in strijd met de kernwaarde deskundigheid gehandeld. De raad
is van oordeel dat sprake is van laakbaar gedrag waardoor klaagsters vertrouwen in
de advocatuur een ernstige deuk heeft opgelopen.
6.2 De raad weegt bij het bepalen van de maatregel mee dat de manier waarop verweerster
de echtscheiding van klaagster heeft begeleid, geen incident is geweest, maar het
bedrijfsmodel van verweerster, waardoor (veel) meer cliënten op deze onzorgvuldige
wijze zijn bijgestaan. De raad ziet daarin aanleiding om een onvoorwaardelijke schorsing
van vier weken op te leggen.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, dient verweerster op grond van
artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,-
aan haar te vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden.
Klaagster dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer
schriftelijk (via e-mail) aan de griffie door te geven, zodat de griffie dit aan verweerster
kan verstrekken.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klaagster,
b) € 762,- door klaagster te betalen eigen bijdragen voor de bijstand van de gemachtigde
in deze tuchtzaak;
c) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
d) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster dient het bedrag van € 812,- (het totaal van de in 7.2 onder
a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, te betalen aan klaagster. Klaagster dient binnen twee weken na de datum
van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk (via e-mail) aan de griffie door
te geven, zodat de griffie dit aan verweerster kan verstrekken.
7.4 Verweerster dient het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
c en d genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, over te maken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in alle onderdelen gegrond;
- spreekt uit dat verweerster jegens klaagster niet de zorgvuldigheid heeft betracht
die bij een behoorlijke rechtshulpverlening betaamt;
- legt aan verweerster de maatregel van schorsing voor de duur van vier weken
op;
- bepaalt dat de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van
deze beslissing, met dien verstande dat:
- de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden
schorsingen,
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd
maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat
- de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd
dat verweerster niet op het tableau staat ingeschreven;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reis- en proceskosten van € 812,-
aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.4.