ECLI:NL:TADRSGR:2026:30 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-622/DH/DH/D

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:30
Datum uitspraak: 26-01-2026
Datum publicatie: 17-02-2026
Zaaknummer(s): 25-622/DH/DH/D
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Bezwaren van de deken
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Gegrond dekenbezwaar over kwaliteit van dienstverlening van de advocaat.  Over een lange periode zijn verschillende zorgwekkende signalen over verweerster door de deken ontvangen. Herhaalde interventies hebben niet voorkomen dat in mei 2025 toch weer een vergelijkbare melding over verweerster is ontvangen. Die meldingen gingen met name over het onaangekondigd niet verschijnen  op zitting, ook in zaken met een verschijningsplicht, zoals strafzaken tegen minderjarigen. Verder laat de schriftelijke vastlegging aan cliënten te wensen over. Verweerster erkent dat zij hierin tekort is geschoten. Vier weken schorsing voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde een coachingstraject.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 26 januari 2026 in de zaak 25-622/DH/DH/D naar aanleiding van het bezwaar van:

de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag de deken

over

verweerster 
gemachtigde: mr. O.C. Bondam


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 30 september 2025 heeft de deken bij de raad een bezwaar ingediend over verweerster. 
1.2    Het bezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 15 december 2025. Daarbij waren de deken, vergezeld van haar stafjuristen mrs. [X] en [Y], en verweerster met haar gemachtigde aanwezig. 
1.3    De raad heeft kennisgenomen van het dekenbezwaar met bijlagen en het verweerschrift met bijlagen namens verweerster. 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Op 23 maart 2023 heeft de deken het volgende bericht van het Gerechtshof Den Haag over verweerster ontvangen:
“(…) Afgelopen tijd werd ik erop geattendeerd dat een aantal raadsheren in het hof Den Haag zich zorgen maakt over het optreden van [verweerster] in jeugdstrafzaken.
Zie bijgaande tekst en document, mbt verschillende ervaringen van raadsheren tijdens/rondom zittingen waar [verweerster] optrad/geacht werd op te treden…
Deze concrete zaken krijg ik door:
Jeugdzitting 19 januari 2023; zaak A raadsvrouw verschijnt en adviseert minderjarige client niet te verschijnen (dat kan niet, verschijningsplicht in jeugdzaken). Dat hebben we toen wel opgelost, maar proceshouding bevreemdt.
Jeugdzitting 9 februari 2023; Zaak La R, minderjarige verdachte niet verschenen, raadsvrouw zonder iets te laten weten ook niet.
---------------------------------------------
Betrof een rolzitting D 22-003125-22 (25 april) van 9 feb jl: mi jarige was er wel. Had geen contact gehad met [verweerster]; [Verweerster] had -ondanks schriftelijk verzoek daartoe- geen verhinderdata opgegeven; op zitt met haar 06 én haar kantoor gebeld; allebei geen gehoor. Zaak bepaald aangehouden en aangezegd aan de mija.
Dag later belt ze en laat weten zelf die dag niet te kunnen. Ik heb toen griffier gezegd dat ze maar vervanging moest regelen, nu zaak is aangezegd en zij geen data had verstrekt en niet bereikbaar was (en niet verschenen).
Na enig tegensputteren en opm dat het bij ons allemaal niet goed geregeld (?) is, stemde ze uiteindelijk in.
-----------------------------------------------------------
(…)
Mogelijk zijn de zaken verouderd. Het gaat om de volgende 2 zittingen. De naam staat me bij omdat de raadsvrouw niet verscheen. Ze had niks van zich laten horen of belde kort voor de zitting naar het hof:
Zitting 18 december 2020:
22-000002-20 Z (later kennelijk bij verstek afgedaan, weet niet of raadsvrouw toen aanwezig was)
22-000339-20 K (komt bij de volgende zitting terug)
22-000817-20 B (later kennelijk bij verstek afgedaan, weet niet of raadsvrouw toen aanwezig was)
22-001351-20 B (komt bij de volgende zitting terug)
22-001441-20 C (later op tegenspraak afgedaan)
Zitting 22 maart 2022:
22-000339-20 K (bij verstek afgedaan. Raadsvrouw was niet aanwezig)
22-001351-20 B (later kennelijk bij verstek afgedaan, weet niet of raadsvrouw toen aanwezig was).”
2.3    Naar aanleiding van dit signaal heeft de deken op 19 juni 2023 en 10 oktober 2023 gesprekken gevoerd met verweerster, waarin aan haar is benadrukt dat zij zittingen moet bijwonen. De gespreksverslagen hiervan behoren tot het dossier. De deken heeft daarnaast meerdere dossiers van verweerster onderzocht en met haar besproken, in die zin dat de indruk is ontstaan dat verweerster er te lichtvaardig over denkt. Meer concreet heeft de deken in dat kader onder meer benoemd dat uit de onderzochte dossiers blijkt dat er in kansloze zaken hoger beroep wordt ingesteld, dat er weinig tot geen toelichting wordt gegeven op de grieven die worden ingediend en dat in deze dossiers geen documentatie is aangetroffen waaruit de voorbereiding van de zaak blijkt en evenmin afsluitende brieven. 
2.4    Blijkens het verslag van het gesprek van 10 oktober 2023 heeft verweerster na 19 juni 2023 verbetering laten zien. Zij verscheen (weer) op zittingen, haar schriftelijke vastlegging was beter en haar dossiers waren meer op orde.
2.5    Op 3 december 2023 heeft de deken het volgende signaal van het Gerechtshof Den Haag over verweerster ontvangen:
“Van diverse mensen krijg ik klachten over [verweerster]. Zij maakt er een gewoonte van om zich te stellen als advocaat en vervolgens op de dag van de zitting niet ter zitting te verschijnen, maar dan de bode te bellen met een verzoek om aanhouding. Zij doet dus geen enkele moeite om de voorzitter te bereiken en eigenlijk is er geen goede reden dat zij niet ter zitting verschijnt: meestal komt het erop neer dat zij geen contact met haar client heeft. Zij is al door voorzitters op haar gedrag aangesproken, maar trekt zich er werkelijk niets van aan…”
2.6    Op 1 augustus 2024 heeft een cliënt van verweerster een klacht over haar ingediend (klachtdossier K154 2024). Deze klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager in deze zaak verwijt verweerster dat zij: 
a)    de zaak tegen klager, gelet op de omvang ervan en de belangen die speelden, niet gedegen heeft voorbereid;
b)    klager had moeten adviseren om ter zitting te verschijnen dan wel moeten wijzen op de risico’s van het niet verschijnen;
c)    klager het onbegrijpelijke advies heeft gegeven om ter zitting niet de verdediging te voeren en het op een hoger beroep aan te laten komen;
d)    in strijd met de waarheid aan de bode heeft doorgegeven dat klager ziek was;
e)    klager na ontvangst van de uitspraak ten onrechte niet heeft gewezen op het herleven van de voorlopige hechtenis en heeft nagelaten terstond weer een schorsingsverzoek in te dienen;
f)    heeft verzuimd klager erop te wijzen dat het zichzelf niet melden (al dan niet door naar het buitenland te gaan) kan worden gezien als het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging en (dus) een schending van de voorwaarden oplevert; 
g)    niet is verschenen bij de raadkamer van het gerechtshof van 18 april 2024 om het schorsingsverzoek toe te lichten.
2.7    Verweerster heeft zich tegen deze klacht verweerd.
2.8    Op 13 februari 2025 hebben een lid van de raad van de orde en een stafjurist van het bureau van de orde een gesprek met verweerster gevoerd. Daarbij is een coachingstraject besproken. Verweerster heeft toen aangegeven dat zij een dergelijk traject liever niet ingaat, maar dat zij daar wel gevolg aan zal geven wanneer dat aan haar wordt opgelegd. 
2.9    Op 26 mei 2025 heeft de deken het volgende signaal van de rechtbank Den Haag, team kanton, locatie Leiden, over verweerster ontvangen:
“Rolnummer 1 (H. F) – deze zaak moest voor de tweede keer worden aangehouden omdat de toegevoegde raadsvrouw – [verweerster] - ondanks een oproeping voor de tweede keer niet ter zitting is verschenen, terwijl haar client er (beide keren) wel was. Ik heb haar gebeld en ze zei dat ze niet is gekomen omdat ze geen contact met haar client had kunnen krijgen en ook niet gemachtigd was. Ze stelde voor om hem telefonisch bij te staan, maar ik heb dat verzoek afgewezen nadat ook de OvJ zich daartegen verzette, omdat ze geen enkel overleg met haar client had gehad en er ook sprake was van een TUL. Ik heb haar erop gewezen dat haar client WEL beide keren is verschenen en haar persoonlijk het telefoonnummer van de verdachte doorgegeven om contact met hem te leggen voor de volgende zitting. Dit is niet de eerste keer dat ik dit meemaak met deze advocaat (niet ter zitting verschijnen, terwijl ze wel als advocaat is toegevoegd en is opgeroepen) en vandaar dat ik hier melding van maak.” 
2.10    Ter zitting van de raad van 15 december 2025 is ook de klacht van 1 augustus 2024 (klachtdossier K154 2024, bij de raad geregistreerd met zaaknummer 25-575/DH/DH) behandeld. De raad doet in die zaak op dezelfde datum uitspraak als in onderhavige zaak. Deze uitspraak houdt  – zakelijk weergegeven – in dat klachtonderdeel d) ongegrond en de klachtonderdelen a), b), c), e), f) en g) gegrond worden verklaard. Aan verweerster wordt in die zaak een voorwaardelijke schorsing voor de duur van vier weken opgelegd, met algemene voorwaarden, alsmede de bijzondere voorwaarde dat zij een coachingstraject zal volgen.

3    HET BEZWAAR
3.1    Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerster dat zij structureel niet de zorg jegens haar cliënten betracht die van een advocaat mag worden verwacht. Verweerster heeft volgens de deken onvoldoende aandacht voor een goede zaaksbehandeling, waaronder ook de correcte opbouw van dossiers en het schriftelijk bevestigen van adviezen aan cliënten. In de zaak van de klager in de klachtzaak K154 2024 zijn de dossieropbouw en kwaliteit van de dienstverlening ondermaats gebleken en daarnaast laat verweerster zich niet corrigeren in haar praktijkvoering, toont zij geen zelfinzicht en heeft zij geen inzicht in haar verantwoordelijkheid als advocaat. 
3.2    De raad zal hierna op het bezwaar ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft in de klachtzaak K154 2024 verweer gevoerd. Dat verweer heeft zij in onderhavige zaak herhaald. Tegen de overige onderdelen van het dekenbezwaar heeft zij geen verweer gevoerd.  

5    BEOORDELING
5.1    De raad neemt bij de beoordeling van het dekenbezwaar als uitgangspunt dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (zie Hof van Discipline 5 februari 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:32) en omvat onder meer het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. De cliënt dient door de advocaat gewezen te worden op wat in zijn zaak de proceskansen zijn en wat het kostenrisico is. 
5.2    Verder geldt dat de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels, maar dat die regels gezien het open karakter van de wettelijke normen in artikel 46 Advocatenwet ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Met betrekking tot de relatie met de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Dit alles moet de advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, schriftelijk aan de cliënt bevestigen. Indien de advocaat dit verzuimt, komt het bewijsrisico daaromtrent op hem of haar te rusten. Van een advocaat mag verder worden verwacht dat hij of zij duidelijkheid verschaft over de afhandeling van de zaak en op zittingen aanwezig is. 
5.3    Voor de inhoudelijke beoordeling van de klacht in de zaak K154 2024 verwijst de raad naar zijn beslissing van 26 januari 2026 in die zaak (25-575/DH/DH), waarin de klachten grotendeels gegrond zijn verklaard.  
5.4    Nu verweerster geen verweer heeft gevoerd tegen de overige onderdelen van het dekenbezwaar, is de gegrondheid daarvan daarmee  gegeven.

6    MAATREGEL
6.1    Uit het dekenbezwaar blijkt dat over een lange periode verschillende zorgwekkende signalen over verweerster door de deken zijn ontvangen en dat herhaalde interventies niet hebben voorkomen dat in mei 2025 toch weer een vergelijkbare melding over verweerster is ontvangen. Die meldingen gingen met name over het onaangekondigd niet verschijnen op zitting, ook in zaken met een verschijningsplicht, zoals strafzaken tegen minderjarigen. Verder is uit onderzoek van de deken naar voren gekomen dat de schriftelijke vastlegging met de cliënten over de procedure, de strategie, de verwachtingen, de kansen en de risico’s te wensen overlaat. Verweerster heeft geen verweer hiertegen gevoerd en heeft erkend dat zij hierin tekort is geschoten. De raad begrijpt dat de gang van zaken de deken ernstig zorgen baart en dat zij daar aanleiding in heeft gezien in het algemeen belang een dekenbezwaar over verweerster in te dienen. Ook naar het oordeel van de raad is verweerster ernstig tekortgeschoten in de bijstand van haar cliënten en heeft zij hun belangen in ernstige mate verwaarloosd. Haar gedrag getuigt ook van een gebrek aan respect voor gerechtelijke instanties.
6.2    In het dekenbezwaar is ook de klacht van een cliënt van verweerster in de zaak K154 2024 genoemd, in welke zaak de raad gelijktijdig uitspraak heeft gedaan. De raad heeft zich er rekenschap van gegeven dat het handelen van verweerster in die klachtzaak niet leidt tot verzwaring van de maatregel in het onderhavige dekenbezwaar.        
6.3    Gelet op het hardnekkige karakter, de ernst en aard van haar gedrag en de omstandigheid dat verweerster aan de deken en de raad nauwelijks inzicht in de laakbaarheid van haar handelen heeft getoond, is de raad van oordeel dat niet kan worden volstaan met een berisping. De raad is van oordeel dat de oplegging van een voorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden is.
6.4    De raad ziet gelet op de ernst van de verweten gedragingen en het verhandelde ter zitting aanleiding om naast de algemene voorwaarden aan deze voorwaardelijke schorsing een bijzondere voorwaarde te verbinden, namelijk een op kosten van verweerster te volgen coachingstraject. De coaching zal betrekking moeten hebben op de inrichting van de praktijk, de prioritering daarbij en de kwaliteit van de dienstverlening. Verweerster dient voorafgaand aan de coaching een plan van aanpak van een door de deken goedgekeurde coach ter goedkeuring aan de deken voor te leggen, waarbij als ingangsdatum van de coaching geldt de dag waarop onderhavige beslissing onherroepelijk wordt. Uit dat plan van aanpak moet volgen dat verweerster gedurende de gehele proeftijd een coachingstraject doorloopt. Ook dient daarin te worden opgenomen op welke wijze zij de deken over het verloop van de coaching en het eindresultaat op de hoogte stelt.  
6.5    De raad merkt op dat in de beslissing in de zaak 25-575/DH/DH eenzelfde maatregel aan verweerster is opgelegd, maar dat het vanzelfsprekend niet zo is dat verweerster twee parallelle coachingstrajecten dient te volgen.

7    KOSTENVEROORDELING
7.1    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat. 

7.2    Verweerster dient het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, over te maken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.


BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart het dekenbezwaar gegrond;
-    legt aan verweerster de maatregel van schorsing voor de duur van vier weken op;
-    bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerster een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;
-     stelt als algemene voorwaarde dat verweerster zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;
-     stelt als bijzondere voorwaarde dat verweerster op haar kosten een coachingstraject volgt. Ten aanzien van deze coaching gelden de volgende voorwaarden:
1.    de coaching zal betrekking moeten hebben op de inrichting van de praktijk, de prioritering daarbij en de kwaliteit van de dienstverlening,
2.    verweerster dient voorafgaand aan de coaching een plan van aanpak van een door de deken goedgekeurde coach ter goedkeuring aan de deken voor te leggen, waarbij als ingangsdatum van de coaching geldt de dag waarop onderhavige beslissing onherroepelijk wordt,
3.    uit dat plan van aanpak moet volgen dat verweerster gedurende de gehele proeftijd een coachingstraject doorloopt, 
4.    in het plan van aanpak dient te worden opgenomen op welke wijze verweerster de deken over het verloop van de coaching en het eindresultaat op de hoogte stelt.
-     stelt de proeftijd op een periode van twee jaren, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt.
-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2.

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. A.N. Kampherbeek en W. Knoester, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 26 januari 2026.