Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSGR:2022:88 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-022/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2022:88
Datum uitspraak: 13-06-2022
Datum publicatie: 13-06-2022
Zaaknummer(s): 22-022/DH/RO
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Confraternele correspondentie/schikkingsonderhandelingen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht tegen de advocaat van de wederpartij gedeeltelijk gegrond. Verweerster heeft in een procedure informatie over schikkingsonderhandelingen aan de rechter voorgelegd. Dit is onbetamelijk. De raad ziet in de omstandigheden van het geval – verweerster toont inzicht in haar gedragingen en klager is niet benadeeld – grond om geen maatregel op te leggen.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 juni 2022 in de zaak 22-022/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 1 juli 2020 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. Deze klacht heeft hij op diverse momenten in de klachtprocedure bij de deken uitgebreid.
1.2    Op 11 januari 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk A 2020/157 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de (hybride) zitting van de raad van 25 april 2022. Daarbij was klager via een videoverbinding en verweerster in persoon aanwezig.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 49.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klager is samen met de heer K. betrokken in een juridisch (buren)geschil met de heer en mevrouw W., waarover tussen hen diverse juridische procedures zijn gevoerd. De heer en mevrouw W. worden daarin bijgestaan door verweerster. 
2.3    In een door klager aanhangig gemaakte kort geding procedure heeft verweerster als productie 9 een e-mail d.d. 18 mei 2020 overgelegd, waarin zij namens haar cliënten aan de advocaat van klager in het reeds lopende schikkingsoverleg een uitgewerkt tegenvoorstel doet.
2.4    Het kort geding is ter zitting van 2 juni 2020 behandeld. Na deze zitting is de behandeling van de zaak aangehouden om partijen de gelegenheid te geven om in onderling overleg (alsnog) tot afspraken te komen. Zij zijn daarin niet geslaagd. 
2.5    Bij vonnis van 16 juni 2020 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam de vordering van klager toegewezen. 
2.6    Op 1 juli 2020 heeft klager een klacht tegen verweerster ingediend. 
2.7    In de klachtprocedure bij de deken heeft verweerster per e-mail van 14 juli 2020 aan de deken en aan klager het volgende bericht:
“Ik deel de mening van [klager] dat ik met het overleggen van productie 9 in de kort geding procedure artikel 27 van de gedragsregel heb geschonden. Het was uitdrukkelijk niet mijn bedoeling om deze gedragsregel te schenden. Ik bied [klager] daarvoor mijn excuus aan en wacht het oordeel van de deken af. (…)
Ik zal deze fout niet snel meer maken en in die zin draagt de klacht bij aan mijn dagelijkse streven om mij te gedragen als betamelijk advocaat. (…)”
2.8    Per e-mail van 15 juli 2020 heeft verweerster aanvullend nog aan klager bericht dat zij gedragsregel 27 onvoldoende scherp op haar netvlies heeft gehad. 
2.9    In een tweetal tussen klager en de client van verweerster, de heer W., aanhangige, gevoegde bodemprocedures is op 26 augustus 2020 vonnis gewezen. Daartegen heeft verweerster namens de heer W. hoger beroep ingesteld. Bij de ter rolle van 12 januari 2021 ingediende memorie van grieven heeft zij de in 2.3 genoemde e-mail van 18 mei 2020 als productie overgelegd.
2.10    Op 17 december 2021 heeft de deken zijn visie gegeven.

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster concreet dat zij:
a)    “schadevergoeding heeft gevraagd op iets wat in overtreding is met het bestuursrecht” en in strijd handelt met “artikel 21 Waarheidsplicht” door facturen te claimen die “onrechtmatig” zijn;
b)    gedragsregel 27 heeft geschonden door op de vraag van de voorzieningenrechter of er schikkingsonderhandelingen hadden plaatsgevonden ter zitting te antwoorden: “Ja, maar hier zijn cliënten niet uitkomen omdat wij weer zijn begonnen met een discussie over de kosten”, door in een dagvaarding melding te maken van schikkingsonderhandelingen en door in een hoger beroep procedure schikkingsonderhandelingen kenbaar te maken;
c)    (bewust) onwaarheden vertelt bij een rechter en tegen de deken;
d)    een onjuist juridisch standpunt gebruikt om tijdens de zitting de reputatie van klager bij de rechter te beschadigen;
e)    gedragsregel 20 heeft geschonden door op een te laat moment producties in het geding te brengen;
f)    gedragsregel 24 heeft geschonden door bij het bepalen van het tijdstip voor een overleg en van stukken in juridische procedures geen rekening te houden met de advocaat van klager;
g)    artikel 21 Rv heeft geschonden door in de processtukken in een hoger beroep procedure onjuiste informatie te vermelden over het vonnis in kort geding.

4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
5.1    De klachtonderdelen a) en c) tot en met g) betreffen het handelen van verweerster in hoedanigheid van advocaat wederpartij en lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 
5.2    Vooropgesteld wordt dat de advocaat een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een (processuele) wederpartij worden beknot, tenzij de belangen van die wederpartij nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. De advocaat dient de belangen van zijn cliënt te behartigen aan de hand van feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en hij mag in het algemeen afgaan op de juistheid van die informatie. Verificatie door de advocaat van de hem door de cliënt verstrekte informatie is slechts dan geboden, indien er aanwijzingen zijn dat de informatie onjuist is. De advocaat dient zich uiteraard te allen tijde te gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt en hij mag bij het optreden namens zijn cliënt niet over de schreef gaan.
5.3    Naar het oordeel van de raad is in het onderhavige geval noch uit de stukken, noch anderszins gebleken dat verweerster de hiervoor bedoelde haar toekomende ruime mate van vrijheid te buiten is gegaan dan wel zich in enig ander opzicht niet heeft gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Verweerster heeft de belangen van haar cliënten behartigd, zoals ook haar taak was, zonder dat de belangen van klager nodeloos en op ontoelaatbare wijze zijn geschaad. Dat klager een andere visie over de feiten heeft dan de cliënten van verweerster, betekent niet dat het verweerster niet vrij zou staan om de door haar cliënten aangehangen visie over de feiten te verdedigen en ter zitting naar voren te brengen. Voor een tuchtrechtelijke toetsing van in een procedure betrokken standpunten bestaat slechts bij hoge uitzondering aanleiding. De door klager in dat verband gegeven voorbeelden zijn daartoe onvoldoende. Het oordeel over de vraag of door verweerster in procedures tegen klager wettelijke of procedurele voorschriften zijn overtreden, is voorbehouden aan de behandelend rechter. Klager had daarvoor in de desbetreffende procedure aandacht moeten vragen. 
5.4    De klachtonderdelen a) en c) tot en met g) zijn op grond van het voorgaande ongegrond.
5.5    Ten aanzien van klachtonderdeel b) overweegt de raad het volgende.
5.6    Vast staat dat verweerster in de kort gedingprocedure waarin zij de wederpartij van klager bijstond, e-mails heeft ingebracht waarin schikkingsonderhandelingen met de advocaat van klager waren verwoord. Dat is een advocaat op grond van gedragsregel 27 niet toegestaan. Verweerster heeft dat ook erkend. Zij heeft als verklaring gegeven dat zij gedragsregel 27 “onvoldoende op haar netvlies heeft gehad”. Dat doet naar het oordeel van de raad aan de schending van deze gedragsregel als zodanig echter niet af. Dit klachtonderdeel is derhalve gegrond. 
5.7    Het feit dat verweerster in de hoger beroep procedure dezelfde e-mail als onderdeel van het procesdossier in eerste aanleg heeft overgelegd, levert naar het oordeel van de raad geen afzonderlijk tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op. Datzelfde geldt voor de in die memorie opgenomen verwijzing naar de in eerste aanleg ingenomen stellingen. Verweerster was immers tot overlegging van het volledige procesdossier gehouden.
5.8    Ten aanzien van de zeer globale opmerkingen die verweerster volgens klager ten overstaan van de voorzieningenrechter heeft gemaakt, is de raad van oordeel dat dat geen onbetamelijk handelen oplevert, omdat er niet concreet iets is gezegd over de werkelijke inhoud van de onderhandelingen.

MAATREGEL
5.1    Verweerster heeft er blijk van gegeven haar fout te hebben ingezien en daarvoor herhaaldelijk haar excuses aan klager aangeboden. Nu klager door de handelwijze van verweerster bovendien niet in zijn belang is geschaad, ziet de raad – mede gelet op het schone tuchtrechtelijke verleden van verweerster – al met al aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel.

GRIFFIERECHT 
5.2    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde  griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart klachtonderdeel b) gegrond;
-    verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
-    bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager.

Aldus beslist door mr. M.P.J.G. Göbbels, voorzitter, mrs. A. Schaberg en E.A.L. van Emden, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 13 juni 2022.