Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSGR:2022:63 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-628/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2022:63
Datum uitspraak: 09-05-2022
Datum publicatie: 11-05-2022
Zaaknummer(s): 21-628/DH/RO
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Wat nooit geoorloofd is
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet ongegrond. De raad overweegt in deze zaak dat klager misbruik maakt van recht. Klager heeft de afgelopen jaren over het handelen van verweerder elf maal bij de deken klachten ingediend die zagen op een veelheid gedragingen van verweerder in meerdere dossiers. Het (grootste deel van) de klachten vond telkens grond in hetzelfde feitencomplex. De meeste klachten zijn ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Aan de klachtonderdelen die wel gegrond zijn verklaard is tot dusver geen maatregel verbonden.Klager heeft in een brief van 25 april 2018 aan de deken laten weten dat wanneer verweerder ervoor kiest zich niet als advocaat terug te trekken, hij met klachten geconfronteerd zal blijven worden. De voorzitter van de raad heeft, net als de deken, gepoogd om een bemiddelingsgesprek te laten plaatsvinden. Dit is niet gelukt, omdat klager daaraan geen, althans onvoldoende voortvarend, medewerking verleende. De raad heeft verder ervaren dat klager stelselmatig belemmeringen opwerpt bij de zittingsplanning in de vorm van de opgave van onevenredig veel verhinderdata en aanhoudingsverzoeken, die laatste niet zelden op het laatste moment. De raad kan zich niet aan de indruk onttrekken dat klager daarmee vooral beoogt aan verweerder zoveel mogelijk nadeel toe te brengen. Klager gebruikt het tuchtrecht, kortom, als middel om het leven van verweerder zuur te maken met als ultieme doel terugtrekking door verweerder.Het tuchtrecht is daarvoor echter niet bedoeld. Gebruikmaking van het tuchtrecht op deze wijze is naar het oordeel van de raad in feite misbruik van recht. Klager moet er daarom rekening mee houden dat een volgende klacht tegen verweerder door de deken respectievelijk de raad niet meer in behandeling zal worden genomen.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 9 mei 2022 in de zaak 21-628/DH/RO naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 1 september 2021 op de klacht van:

klager

over:

verweerder
gemachtigde: mr. Ph. Ekering

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 3 april 2017 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 21 juli 2021 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2021/51 edg/gh van de deken ontvangen. 
1.3    Bij beslissing van 1 september 2021 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 1 september 2021 verzonden aan partijen.
1.4    Op 28 september 2021 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op dezelfde datum ontvangen.
1.5    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 28 maart 2022. Daarbij waren verweerder en zijn gemachtigde aanwezig. Klager was bij de behandeling niet aanwezig. 
1.6    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. De raad heeft verder kennis genomen van de e-mail van 9 maart 2022, met bijlage, van de zijde van verweerder.

2    VERZET
2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in.
2.2    Volgens klager heeft de voorzitter miskend dat klachtonderdelen a tot en met g en i geen herhaalde klachten zijn. Het zijn volgens klager “niet eerder ingediende klachten die verband houden met feitencomplexen die ook aan de orde waren in de eerder door [klager] ingediende klaagschriften waarop al is beslist. 
2.3    Volgens klager blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Advocatenwet dat het ervoor moet worden gehouden “dat het ne bis in idem beginsel er alleen aan in de weg staat dat iemand tuchtrechtelijk kan worden berecht voor een handelen of nalaten waarvoor ten aanzien van hem al een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen”. De voorzitter heeft bij zijn beoordeling van klachtonderdelen a tot en met g en i de wet verkeerd geïnterpreteerd. De voorzitter had deze klachtonderdelen ontvankelijk moeten verklaren en in volle omvang moeten beoordelen. 
2.4    Wat betreft klachtonderdeel h is klager van oordeel dat hij als echtgenoot een voldoende eigen belang heeft. De voorzitter heeft dit miskend en heeft klager daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel h.
2.5    Volgens klager heeft de voorzitter een deel van klachtonderdeel j buiten beschouwing gelaten. De voorzitter heeft alleen beoordeeld of sprake was van onnodig grievende uitlatingen. De voorzitter heeft het verwijt dat verweerder onterechte beschuldigingen heeft geuit aan het adres van klager buiten beschouwing gelaten.
2.6    Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op. 

3    FEITEN EN KLACHT
3.1    Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. 

4    BEOORDELING
4.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2    De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. De raad licht dit als volgt toe. 
Verzet tegen klachtonderdelen a tot en met g en i
4.3    De raad onderschrijft het oordeel van de voorzitter over deze klachtonderdelen. De goede procesorde vergt dat klachten geconcentreerd worden aangevoerd als deze hun oorsprong vinden in dezelfde verhouding of hetzelfde feitencomplex. Dat over de eerdere klacht die zijn oorsprong vindt in dezelfde verhouding of hetzelfde feitencomplex nog niet onherroepelijk is beslist betekent niet dat een klager ontvankelijk is in een nieuwe klacht daarover. De stelling die klager in verzet inneemt over dit onderwerp berust op een verkeerde lezing van het in de voorzittersbeslissing gegeven, en volgens de raad correcte, toetsingskader. Het was vollediger geweest als de voorzitter aan het toetsingskader had toegevoegd dat een advocaat erop mag vertrouwen dat een klager zijn klachten die hun oorsprong vinden in dezelfde verhouding of hetzelfde feitencomplex concentreert. Dit laatste is echter onvoldoende om te kunnen leiden tot gegrondheid van het verzet tegen deze klachtonderdelen. 
Verzet tegen klachtonderdeel h
4.4    Zonder uitleg, die heeft klager niet gegeven, ziet de raad niet in waarom de enkele omstandigheid dat klager echtgenoot is van de rechtstreeks belanghebbende hem (ook) een rechtstreeks belang geeft bij klachtonderdeel h. Klager heeft dit punt van zijn verzet onvoldoende feitelijk onderbouwd en het verzet treft dus geen doel. 
Verzet tegen klachtonderdeel j
4.5    De raad stelt vast dat klager in zijn brief van 2 februari 2021 (repliek) gedragsregel 8 genoemd. De stelling van klager dat verweerder in strijd met deze gedragsregel heeft gehandeld, is naar het oordeel van de raad impliciet. De raad acht het begrijpelijk dat de voorzitter het punt niet als afzonderlijk onderdeel van de klacht heeft onderscheiden, in aanmerking genomen dat klager het verwijt ook niet feitelijk heeft onderbouwd. Het verzet treft daarom ook op dit punt geen doel. 
Slotsom
4.6    Uit het voorgaande volgt dat de voorzitter de klacht dus terecht en op juiste gronden gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk heeft bevonden en gedeeltelijk kennelijk ongegrond. 
4.7    Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 
Misbruik van recht
4.8    Klager heeft de afgelopen jaren over het handelen van verweerder elf maal  bij de deken klachten ingediend die zagen op een veelheid gedragingen van verweerder in meerdere dossiers. Het (grootste deel van) de klachten vond telkens grond in hetzelfde feitencomplex. De meeste klachten zijn ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Aan de klachtonderdelen die wel gegrond zijn verklaard is tot dusver geen maatregel verbonden. 
4.9    Klager heeft in een brief van 25 april 2018 aan de deken laten weten dat wanneer verweerder ervoor kiest zich niet als advocaat terug te trekken, hij met klachten geconfronteerd zal blijven worden. De voorzitter van de raad heeft, net als de deken, gepoogd om een bemiddelingsgesprek te laten plaatsvinden. Dit is niet gelukt, omdat klager daaraan geen, althans onvoldoende voortvarend, medewerking verleende. De raad heeft verder ervaren dat klager stelselmatig belemmeringen opwerpt bij de zittingsplanning in de vorm van de opgave van onevenredig veel verhinderdata en aanhoudingsverzoeken, die laatste niet zelden op het laatste moment. De raad kan zich niet aan de indruk onttrekken dat klager daarmee vooral beoogt aan verweerder zoveel mogelijk nadeel toe te brengen. Klager gebruikt het tuchtrecht, kortom, als middel om het leven van verweerder zuur te maken met als ultieme doel terugtrekking door verweerder.
4.10    Het tuchtrecht is daarvoor echter niet bedoeld. Gebruikmaking van het tuchtrecht op deze wijze is naar het oordeel van de raad in feite misbruik van recht. Klager moet er daarom rekening mee houden dat een volgende klacht tegen verweerder door de deken respectievelijk de raad niet meer in behandeling zal worden genomen.

BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mrs. J.H.M. Nijhuis en A.B. Baumgarten, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 9 mei 2022.