Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSGR:2020:197 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-328/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2020:197
Datum uitspraak: 07-12-2020
Datum publicatie: 23-12-2020
Zaaknummer(s): 20-328/DH/DH
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen:
  • Berisping
  • Kostenveroordeling
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat deels gegrond. Verweerder heeft zonder voorafgaand overleg met de deken conservatoir beslag doen leggen op klaagsters woning. De raad legt daarvoor een berisping op aan verweerder. Van exorbitant factureren is de raad niet gebleken. Een slordigheid in een van klaagster gevorderd bedrag levert geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 7 december 2020 in de zaak 20-328/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

gemachtigde

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 15 november 2019 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 14 april 2020 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K233 2019 ar/the van de deken ontvangen.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 19 oktober 2020. Daarbij waren klaagster, verweerder en zijn gemachtigde aanwezig. Verweerster werd vergezeld van een vriendin en had een kennis geregeld om telefonisch te tolken.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5 (inhoudelijk) en 1 tot en met 6 (procedureel).

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klaagster is in 2018 verwikkeld geweest in een geschil met haar huurster. Verweerder heeft klaagster daarin bijgestaan.

2.3    Bij exploot van 18 mei 2018 heeft verweerder de huurster gedagvaard voor de kantonrechter te Nijmegen. Na tussenvonnis van 3 augustus 2018 volgde op 16 november 2018 een comparitie van partijen, waarbij klaagster en verweerder aanwezig waren. Bij vonnis van 14 december 2018 zijn klaagsters vorderingen toegewezen, met veroordeling van de huurster in de kosten. De huurster bleek bij betekening van het vonnis inmiddels  een beschermingsbewindvoerder te hebben.

2.4    Verweerder heeft zijn werkzaamheden maandelijks gedeclareerd, onder verstrekking van een specificatie van de verrichte werkzaamheden. Uit de urenspecificatie behorend bij de factuur van 30 november 2018 volgt dat voor de mondelinge behandeling op 16 november 2018 7 uur en 30 minuten zijn gedeclareerd, hetgeen neerkomt op een bedrag van

€ 1.875,-.

2.5    Klaagster heeft verweerders declaraties van september 2018 tot en met februari 2019 onbetaald gelaten.

2.6    Op 18 maart 2019 schrijft klaagster in een e-mail aan verweerder dat ze het door hem gedeclareerde bedrag van € 6.000,- exorbitant vindt. Klaagster schrijft dat verweerder zijn honorarium in het begin heeft geschat op € 3.000,- tot € 3.500,-.

2.7    Op 28 maart 2019 heeft verweerder gereageerd en geschreven dat klaagster zich vergist en dat hij nooit een schatting heeft gegeven van het totaal van zijn honorarium.

2.8    Verweerder heeft op 4 april 2019 conservatoir beslag doen leggen op klaagsters huis.

2.9    Verweerder heeft klaagster op 23 april 2019 gedagvaard ter zake van de onbetaald gelaten declaraties.

2.10    Op 6 augustus 2019 is klaagster door de kantonrechter van de rechtbank Den Haag bij verstek veroordeeld tot betaling aan verweerder van een bedrag van € 6.609,54, alsmede in de kosten van het geding vastgesteld op € 1.107,52, waaronder € 641,34 aan beslagkosten.

2.11    Verweerder heeft geprobeerd het vonnis aan klaagster te laten betekenen. Op 22 augustus 2019 berichtte de deurwaarder dat klaagster onvindbaar was.

2.12    Verweerder heeft klaagster op 23 september 2019 per e-mail het verstekvonnis gezonden en haar verzocht een bedrag van € 8.358,40 te betalen, bestaande uit € 6.609,54 plus € 1.107,52 proceskosten en € 641,34 beslagkosten.

2.13    Op 7 oktober 2019 heeft mr. S in een e-mail aan verweerder het volgende geschreven:

“1. In de mail van 23 september 2019 vordert u van cliënte tot betaling van een bedrag van € 8.358,40 (…) Echter blijkt uit het vonnis van de Rechtbank Den Haag van 6 augustus 2019 dat de beslagkosten zijnde € 641,34 door de rechtbank al ingecalculeerd zijn in de som van € 1.1.07,52. Door deze rekenfout vordert u daarom in ieder geval € 641,34 te veel van [klaagster].

2. Uit de declaratie gedateerd 30 november 2018 blijkt dat u een bedrag van € 1.875,00 in rekening heeft gebracht naar aanleiding van een mondelinge behandeling die 07:30 uur zou hebben geduurd. (…) Zou u kunnen bevestigen dat de mondelinge behandeling inderdaad zo lang heeft geduurd en dat het hier niet om een rekenfout gaat?

3. (…) Heeft u overleg gevoerd met de deken en toestemming tot het leggen van beslag gekregen?”

2.14    Verweerder heeft diezelfde dag gereageerd:

“1) U hebt gelijk.

2) het is de tijd die dag besteed aan het dossier, te weten vanaf vertrek van kantoor, heenreis met trein naar Nijmegen, wachttijd bij de Kantonrechter, mondelinge behandeling, nabespreking ter plaatse, terugreis met trein tot aankomst op kantoor.

3) nee, ik was mij niet bewust van die regel die is ingevoerd in 2018.”

2.15    Klaagster heeft in haar e-mail aan verweerder van 31 oktober 2019 te kennen gegeven een bedrag van € 7.713,06 te willen betalen. Zij heeft verzocht om dit in termijnen van € 1.500,- te mogen betalen.

2.16    Verweerder heeft op 1 november 2019 gereageerd en geschreven dat het totaalbedrag € 7.717,06 betreft. Verweerder heeft ingestemd met de betalingsregeling van € 1.500,- per maand.

2.17    Op 15 november 2019 heeft klaagster een klacht ingediend over verweerder.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 17 lid 6 door zonder voorafgaand overlegd met de deken onder klaagster conservatoir beslag te doen leggen op een aan klaagster in eigendom toebehorend woonhuis.

b)    Verweerder heeft in zijn e-mail van 23 september 2019 een hoger bedrag van klaagster gevorderd dan bij vonnis was uitgesproken.

c)    Verweerder heeft exorbitant gefactureerd: verweerder heeft bij aanvang van de zaak meegedeeld dat hij een bedrag van € 900,-, of € 3.000,- tot € 3.500,- aan kosten zou vragen. Ook heeft hij 7 uur en 30 minuten gefactureerd voor een zitting.

3.2    Met betrekking tot klachtonderdeel b heeft klaagster verklaard dat verweerder, na de e-mail van klaagsters advocaat daarover, direct heeft erkend dat het bedrag niet klopte. Klaagster heeft het te veel gevorderde bedrag nooit betaald.

3.3    Met betrekking tot klachtonderdeel c heeft klaagster verklaard dat zij inmiddels het totaalbedrag aan verweerder heeft betaald.

4    VERWEER

4.1    Verweerder heeft primair aangevoerd dat klaagster niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij onvoldoende belang heeft bij de klacht. Verweerder heeft zonder overleg met de deken conservatoir beslag gelegd, maar hij stelt dat de deken ongetwijfeld zou hebben geconcludeerd dat verweerders voornemen conservatoire maatregelen te nemen niet lichtvaardig tot stand was gekomen, waarmee het ex gedragsregel 17 lid 6 bedoelde overleg dan had plaatsgevonden. Verweerder heeft bovendien al voor de indiening van de klacht bij de deken zijn overtreding erkend.

4.2    Subsidiair heeft verweerder aangevoerd dat kan worden volstaan met gegrondverklaring van de klacht zonder oplegging van een maatregel.

4.3    Verweerder heeft met betrekking tot klachtonderdeel b te kennen gegeven dat hij zich vergist heeft in het bedrag en dat hij nadat hem van die vergissing was gebleken, meteen zijn fout heeft erkend.

4.4    Verweerder heeft met betrekking tot klachtonderdeel c aangevoerd dat hij de gedeclareerde tijd voor de zitting heeft moeten uittrekken voor klaagsters zaak. Die tijd wordt dus bij klaagster in rekening gebracht.

4.5    Voor het overige komt het verweer – waar nodig – aan de orde bij de beoordeling van de klacht.

5    BEOORDELING

5.1    Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat klaagster niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij onvoldoende belang heeft bij de klacht. De raad passeert dit verweer, omdat klaagster belang heeft bij de onderhavige procedure, hetgeen blijkt uit hetgeen hierna wordt overwogen.

Klachtonderdeel a)

5.2    Klaagster verwijt verweerder dat hij heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 17 lid 6 door zonder voorafgaand overleg met de deken onder klaagster conservatoir beslag te doen leggen.

5.3    Verweerder heeft erkend dat hij geen overleg heeft gevoerd met de deken voorafgaand aan het leggen van conservatoir beslag. Hij stelt dat hij niet op de hoogte was van deze gedragsregel.

5.4    Vast staat dat verweerder heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 17 lid 6 (welke gedragsregel ook was neergelegd in gedragsregel 27 lid 7 van de Gedragsregels 1992 en voordien in gedragsregel 18 lid 8 van de Gedragsregels 1980) door niet het vereiste overleg met de deken te voeren alvorens over te gaan tot het leggen van conservatoir beslag op de woning van klaagster. Verweerder stelt niet op de hoogte te zijn geweest van deze gedragsregel. Verweerder behoorde hiervan echter – zeker als ervaren advocaat – op de hoogte te zijn.

5.5    Anders dan verweerder, is de raad van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de deken verweerders voornemen tot het leggen van conservatoir beslag zou hebben goedgekeurd.

5.6    De raad zal dit klachtonderdeel daarom gegrond verklaren.

Klachtonderdeel b)

5.7    Klaagster verwijt verweerder dat hij in zijn e-mail van 23 september 2019 een hoger bedrag van klaagster heeft gevorderd dan bij vonnis was uitgesproken.

5.8    Verweerder heeft – direct nadat hij hierop door de (opvolgend) advocaat van klaagster was gewezen – zijn fout erkend. Verweerder stelt dat hij zich heeft vergist. Klaagster heeft het te veel gevorderde bedrag bovendien niet betaald. De raad is van oordeel dat verweerder slordig is geweest, maar dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is. De raad zal dit klachtonderdeel daarom ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel c

5.9    Klaagster verwijt verweerder dat hij exorbitant gefactureerd heeft.

5.10    De raad is van oordeel dat niet gebleken is dat verweerder excessief heeft gedeclareerd. Het gehanteerde uurtarief van € 250,- geeft daartoe in ieder geval geen aanleiding. Verder is niet gebleken dat verweerder onnodige werkzaamheden heeft verricht. Dat verweerder voor een zitting zeven en een half uur heeft gedeclareerd in verband met onder meer reistijd is (te) veel, maar is niet excessief te noemen. Bovendien heeft verweerder na de zitting van de raad klaagster aangeboden om haar de helft van de met de reistijd gemoeide kosten te vergoeden. Door klaagster is (verder) niet onderbouwd waarom sprake is van excessief declareren. De raad zal dit klachtonderdeel daarom ongegrond verklaren.

6    MAATREGEL

6.1    Verweerder heeft gehandeld in strijd met de gedragsregels door zonder voorafgaand overleg met de deken conservatoir beslag te doen leggen op klaagsters woning. De kernwaarde deskundigheid, mede in het licht van de door verweerder tot uitdrukking gebrachte onbekendheid met deze gedragsregel, is door verweerder geschonden. Die gestelde onbekendheid rechtvaardigt juist het verwijt van ontbreken van deskundigheid en de maatregel van berisping, nu het een lang bestaande gedragsregel betreft en verweerder al ruim 40 jaar advocaat is.

6.2    Gelet op de ernst van de gedraging acht de raad de maatregel van berisping passend en nodig.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 50,- reiskosten van klaagster (forfaitair berekend),

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel a gegrond;

-    verklaart de klachtonderdelen b en c ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mrs. J.G. Colombijn-Broersma en P.S. Kamminga, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 december 2020.