ECLI:NL:TADRARL:2026:53 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-140/AL/NN/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:53 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-02-2026 |
| Datum publicatie: | 24-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-140/AL/NN/D |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | dekenbezwaar. De deken heeft in haar bezwaar over dezelfde gedragingen van verweerster geklaagd als een cliënt van haar, de heer R. In die klachtzaak (25-105/AL/NN) is op dezelfde dag uitspraak gedaan als in het dekenbezwaar. De raad oordeelt dat onderdeel van het dekenbezwaar ongegrond en de twee andere bezwaren gegrond. De deken is door het onderzoek naar de klacht van de heer R over verweerster bekend geworden met twee e-mails van verweerster aan de heer R. In de e-mail van oktober 2022 heeft verweerster aan de heer R bericht dat haar werkzaamheden voor 90% zagen op haar werkzaamheden in zijn alimentatiekwestie. In haar e-mail van december 2022 heeft verweerster echter aan de heer R bericht dat haar werkzaamheden grotendeels door hem als zakelijk konden worden geboekt. Vast staat dat die declaraties van ruim € 50.000,- zagen op werkzaamheden van verweerster voor de heer R privé, zoals verweerster twee maanden eerder in haar e-mail van oktober 2022 ook aan hem had geschreven. Verweerster heeft niet alleen opzettelijk gelogen in haar e-mail van december 2022 maar heeft daarmee ook valsheid in geschrifte gepleegd en gepoogd mee te werken aan oplichting door de heer R van de Belastingdienst. Dat het zover niet is gekomen, is dankzij de accountant van de heer R die de valse verklaring van verweerster niet wilde gebruiken bij de aangifte van de heer R voor de inkomstenbelasting over 2021. Verweerster heeft naar aanleiding van vragen van de deken over de inhoud van genoemde e-mails van oktober en december 2022 aan de heer R in haar eerste reactie geprobeerd om de waarheid over haar valse verklaring aan de heer R te verdoezelen. Pas na ontvangst van het concept-dekenbezwaar heeft verweerster open kaart met de deken gespeeld. Verweerster heeft met haar handelen op ernstige wijze in strijd met de normen van artikel 46 Advocatenwet en de kernwaarden integriteit en onafhankelijkheid gehandeld en ook op onbetamelijke wijze de deken in haar toezichthoudende taak belemmerd en geprobeerd te misleiden. Alhoewel de zeer grote ernst hiervan een onvoorwaardelijke schorsing zou rechtvaardigen, zeker ook gelet op het tuchtrechtelijk verleden van verweerster, legt de raad aan verweerster een voorwaardelijke schorsing van 26 weken op met een proeftijd van twee jaar en ook een bijzondere voorwaarde. De raad hecht waarde aan het in het voorjaar van 2025 door verweerster gestarte coaching traject bij collega-advocaat. De raad hoopt, net als de deken tijdens de zitting heeft verklaard, dat die coaching zal resulteren in een verbetering van de bedrijfsvoering van verweerster, zodanig dat hierover geen klachten meer worden ingediend. Omdat de deken tijdens de zitting ook heeft verklaard dat verweerster inhoudelijk een goede advocaat is, en verweerster medische problemen heeft gehad, is de raad bereid om verweerster nog één laatste kans te geven. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 23 februari 2026
in de zaak 25-140/AL/NN/D
naar aanleiding van het dekenbezwaar van:
deken
over
verweerster
gemachtigde: mr. W.K. van den Berg, advocaat te Amsterdam
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 In een brief van 10 maart 2025 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over verweerster. Op 18 maart 2025 heeft de deken het dekenbezwaar aangevuld.
1.2 Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 8 december 2025 in aanwezigheid van de deken, tijdens de zitting bijgestaan door mr. H.A.H. Holm-Robaard, adjunct-secretaris bij het ordebureau, en verweerster, die is bijgestaan door haar gemachtigde. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.3 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.1 genoemde dekendossier en van het verweerschrift van 22 april 2025. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mails met bijlagen van verweerster van 8 en 9 mei 2025 en van 4 december 2025.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van het dekenbezwaar gaat de raad, gelet op het dekendossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten:
2.1 Op 6 februari 2024 heeft de heer R bij de deken een klacht over verweerster ingediend. Na afronding van het onderzoek heeft de deken deze klacht op 13 februari 2025 aan de raad gestuurd. Deze klachtzaak is bij de raad bekend onder zaaknummer 25-105/AL/NN.
2.2 Voor de leesbaarheid verwijst de raad naar de feiten zoals deze zijn vastgesteld in de beslissing van de raad van vandaag in klachtzaak 25-105/AL/NN.
De raad gaat daarnaast voor de beoordeling van het dekenbezwaar uit van de volgende feiten:
2.3 In haar e-mail van 25 oktober 2022 heeft verweerster aan de heer R geschreven:
Eerder vroeg jij mij inzicht te geven in de kosten die jij hebt gemaakt ten titel van honorarium advocaat en verschotten over het jaar 2021 (ter zake door mij verrichte werkzaamheden). Jij heb het vermoeden dat het merendeel van de kosten voornoemd ziet op werkzaamheden strekkende tot het doen verlagen van de door jou betaalde partneralimentatie.
Middels dit schrijven bevestig ik jouw vermoeden. Inderdaad zien mijn werkzaamheden in het jaar 2021 overwegend op de gevoerde juridische strijd met jouw ex partner teneinde de overeengekomen partneralimentatie door de rechter te doen verlagen (…).In eerste aanleg ben jij in het ongelijk gesteld en in hoger beroep is geen oordeel gewezen daar jij vanwege jouw moverende redenen tot intrekking van het beroepschrift wilde overgaan. (…) Ook heb ik mij beziggehouden met het stuiten van de executie daar jouw ex-partner tot executoriaal beslag overging.
Ik kan stellen dat bijna 90% van de gemaakte kosten in het jaar 2021 zien op partneralimentatie.
Voor vragen of opmerkingen van jou of jouw accountant ben ik uiteraard beschikbaar.
2.4 Verweerster is in november 2022 ziek uitgevallen en heeft op 17 november 2022 een beroep gedaan op haar arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2.5 Op 21 december 2022 heeft verweerster aan de heer R geschreven:
Via deze e-mail bericht ik jou dat ik vele werkzaamheden in opdracht van jou heb gedaan, welke opdrachten overwegend zien op jouw onderneming, de eerdere verkoop daarvan en de aansluiting bij de organisatie waar jij thans als ZZP-er aan verbonden bent. De facturen die aan jou zijn gestuurd in dat kader zijn allemaal door jou voldaan.
Wanneer jij mij vraagt of die betreffende facturen zakelijk of privé moeten worden geboekt dan geldt dat wat mij betreft dit zakelijk moet worden geboekt.
Mocht jij of je accountant hierover nog vragen hebben dan weet je mij te vinden.
2.6 Verweerster heeft in 2020 en 2021 voor een bedrag van € 51.816,- aan de heer R gedeclareerd in het kader van haar werkzaamheden ten aanzien van de boedelverdeling en alimentatie. Daarnaast heeft verweerster voor advies € 560,- aan de onderneming van de heer R gedeclareerd.
2.7 Op 12 juli 2023 heeft de heer R aan verweerster onder meer geschreven:
Ik heb een gigantische belasting aanslag over 2021 ontvangen die blijkt zo hoog te zijn doordat de juridische kosten die ik gemaakt heb niet aftrekbaar zijn voor de alimentatie plichtige slechts alleen voor de alimentatie ontvangende. Wij hebben het hierover gehad omdat ik hier door jou destijds verkeerd ben voorgelicht. Jij hebt mij verklaard dat de kosten aftrekbaar zouden zijn waardoor ik door heb geprocedeerd in plaats van de stoppen zoals ik zelf wilde.
Een verklaring hierover door jou afgegeven om mijn schade te beperken bleek voor de accountant niet bruikbaar. Ik heb toen besloten de aanslag af te wachten, deze is gisteren gekomen en voor mij onbetaalbaar hoog.
Ik heb de accountant (…) gevraagd te verklaren hoe groot mijn schade hierdoor is, en zal je dat spoedig doen toekomen. Dan zou ik graag met je overleggen of we hier alsnog een oplossing voor kunnen vinden zodat ik mijn belastingaanslag kan betalen. (…).
2.8 In zijn e-mail van 5 november 2023 heeft de heer R verweerster aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden door de onjuiste advisering van verweerster over de (niet) aftrekbaarheid van haar juridische kosten voor zijn inkomstenbelasting.
2.9 In haar e-mail van 8 november 2023 heeft verweerster aan de heer R onder meer laten weten te betwisten dat zij met hem over de aftrekbaarheid van juridische kosten voor zijn inkomstenbelasting heeft gesproken. Zij heeft aangekondigd de aansprakelijkstelling door te geleiden naar haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar.
2.10 In een e-mail van 3 februari 2025 heeft de deken aan verweerster geschreven:
Onlangs heb ik de klacht van de heer [R] tegen u inhoudelijk bekeken. (…)
Mij viel op dat het er alle schijn van heeft dat u de heer [R] tegemoet hebt willen komen door op 21 december 2021 (bijlage 1) schriftelijk te verklaren dat de kosten van uw rechtsbijstand in overwegende mate zouden zien op zijn onderneming. In dat geval zouden deze kosten fiscaal aftrekbaar zijn. In werkelijkheid zagen de kosten in overwegende mate op zijn echtscheiding (alimentatie en boedelverdeling). Dat schreef u hem zelf nog twee maanden daarvoor. Op 25 oktober 2022 (bijlage 2) schreef u: “Inderdaad zien mijn werkzaamheden in het jaar 2021 overwegend op de gevoerde juridische strijd met jouw ex partner teneinde de overeengekomen partneralimentatie door de rechter te doen verlagen (…). Ik kan stellen dat bijna 90% van de gemaakte kosten in het jaar 2021 zien op partneralimentatie”. Die kosten zijn niet aftrekbaar.
Wilt u mij toelichten hoe ik de brief van december 2022 moet begrijpen? Die lijkt in tegenspraak met de door u voor de heer [R] verrichte werkzaamheden en is in tegenspraak met de door u aan hem verzonden mail van twee maanden daarvoor.
Graag verneem ik uiterlijk 17 februari a.s. van u.
2.11 Verweerster heeft op 25 februari 2025 aan de deken geschreven:
Met dank voor het door u verleende uitstel reageer ik op uw email van 3 februari jl. als volgt.
Mijn schrijven van 25 oktober 2022 ziet op de werkzaamheden in het jaar 2021, het schrijven van 21 december 2022 ziet op de gehele periode dat aan de heer [R] rechtsbijstand is verleend. Hierbij verwijs ik naar de aan de heer [R] gestuurde facturen.
2.12 De deken heeft meteen daarna een concept dekenbezwaar aan verweerster gestuurd.
2.13 Op 3 maart 2025 heeft op verzoek van verweerster een gesprek bij de deken plaatsgevonden.
3 DEKENBEZWAAR
3.1 Het dekenbezwaar houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
I. haar cliënt, de heer R:
a) niet (goed) te informeren over zijn juridische positie en de haalbaarheid van zijn verzoek en niet integer te handelen;
b) hem onjuist te informeren over de aftrekbaarheid van de advocaatkosten;
c) niet persoonlijk bij te staan;
II. in strijd met de waarheid op 21 december 2022 te verklaren dat haar vele werkzaamheden in opdracht van de heer R overwegend betrekking hadden op zijn onderneming en dat de facturen wat haar betreft dus als zakelijke facturen zouden moeten worden geboekt;
III. op 25 februari 2025 geen open kaart te spelen in antwoord op de vraag van de deken, door te verklaren dat haar werkzaamheden voor de heer R gedurende de periode dat zij werkzaamheden verrichtte in overwegende mate betrekking hadden op zijn onderneming, terwijl in werkelijkheid al haar werkzaamheden, behalve één dossier van € 560,-, betrekking hadden op de heer R in persoon.
3.2 De deken heeft in haar brief van 18 maart 2025 het op 10 maart 2025 ingediende bezwaar over verweerster aangepast in die zin dat zij wat betreft het eerste klachtonderdeel onvoorwaardelijk mee klaagt met de klacht van de heer R over verweerster.
4 VERWEER
4.1 Voor wat betreft haar verweer op bezwaar I, de klachten waarover de deken mee klaagt met de heer R, verwijst verweerster naar haar in de klachtzaak 25-105/AL/NN gevoerde verweer.
4.2 Tegen de bezwaren II en III heeft verweerster het volgende verweer gevoerd.
4.3 Verweerster erkent dat zij de e-mail van 21 december 2022 nooit had moeten schrijven. In die periode ging het heel slecht met haar. Op 17 november 2022 is zij uitgevallen met forse fysieke klachten; en ernstig opgejaagd gevoel, een fors overslaand hart, paniekaanvallen en andere burn out gerelateerde klachten. Op advies van haar huisarts heeft zij toen een groot deel van haar werkzaamheden neergelegd, een ‘mental’ coach in de arm genomen en een afspraak gemaakt met een cardioloog.
4.4 Juist in deze periode heeft de heer R haar onder druk gezet om een verklaring af te geven over de zakelijkheid van zijn advocaatkosten. In december 2022 is de heer R ook bij haar op kantoor geweest en heeft hij de druk nog meer opgevoerd. Verweerster werkte toen maximaal een uur per dag. Het gedrag van de heer R maakte haar nog meer gespannen en verergerde haar hartklachten. Om van hem te zijn verlost, heeft zij op zijn verzoek de verklaring van 21 december 2022 opgesteld. Zij vond de verklaring toen ook verdedigbaar gelet op de verwevenheid van de alimentatiekwestie met de neergang van de praktijk van de heer R. Daarop nu terugkijkend, in goede gezondheid, denkt verweerster daar anders over.
4.5 In haar e-mail van 25 februari 2025 aan de deken is verweerster naar haar zeggen in de verdediging geschoten. Kort daarna, op 3 maart 2025, heeft zij tijdens een gesprek op haar initiatief bij de deken het volledige verhaal verteld en haar spijt betuigd.
4.6 Verweerster stelt verder dat zij in de jaren 2020, 2021 en 2022 veel stress heeft ervaren, mede doordat zij jarenlang teveel hooi op haar vork heeft genomen. Tijdens de zitting heeft zij toegelicht dat zij met hulp van haar ‘mental’ coach begin 2023 weer hersteld was. Sinds maart 2025 laat zij zich begeleiden door een tweede coach, advocaat mr. C, en is zij een nieuwe weg ingeslagen. Op 27 maart 2025 heeft zij ook met haar coach met de deken gesproken, die beiden vertrouwen lijken te hebben dat verweerster zichzelf kan verbeteren.
5 BEOORDELING
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de deken
5.1 Ongeacht de manier waarop de deken kennis neemt van een optreden van een advocaat in strijd met de normen van artikel 46 Advocatenwet, via een klacht dan wel via signalering door een derde, kan de deken daarover op grond van artikel 46f Advocatenwet zelfstandig een dekenbezwaar indienen tegen die advocaat. Naar het oordeel van de raad is de deken, die via een op 6 februari 2024 door mr. R tegen verweerster ingediende klacht kennis heeft genomen van een mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster, ontvankelijk in haar dekenbezwaar omdat zij het bezwaar tijdig, binnen de wettelijke termijn van drie jaar op grond van artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet, op 10 maart 2025 bij de raad heeft ingediend.
5.2 Nu de deken ontvankelijk is in haar bezwaar over verweerster, zal de raad deze inhoudelijk beoordelen.
Toetsingsmaatstaf raad
5.3 Een advocaat dient zich te onthouden van handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt en van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad. Bij zijn handelen moet een advocaat zich houden aan de vijf kernwaarden die in artikel 10a, lid 1 Advocatenwet zijn vastgelegd. De raad zal de betamelijkheid van het handelen van verweerster dan ook mede aan de hand van deze kernwaarden beoordelen. Een advocaat is partijdig bij de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt. Deze belangen bepalen de wijze waarop hij zijn opdracht uitvoert, zij het dat die uitvoering op een onafhankelijke, integere en deskundige wijze dient te geschieden. Een advocaat is bij de uitoefening van zijn beroep vertrouwenspersoon voor zijn cliënt en neemt geheimhouding in acht binnen de grenzen van de wet- en regelgeving. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Dekenbezwaar I
5.4 De raad heeft in haar beslissing van vandaag in klachtzaak 25-105/AL/NN geoordeeld dat de klachten van de heer R over verweerster ongegrond zijn. Voor de inhoudelijke beoordeling daarvan verwijst de raad naar die beslissing.
5.5 De deken heeft deze klachten van de heer R over verweerster in dit dekenbezwaar overgenomen en tot de hare gemaakt. Naar het oordeel van de raad is uit de stukken en de verklaringen van partijen tijdens de zitting niet gebleken dat verweerster met het onder I verweten handelen het algemeen belang heeft geschaad. De raad verklaart dekenbezwaar I dan ook ongegrond.
Dekenbezwaar II
5.6 Een voor de advocatuur essentiële kernwaarde is de kernwaarde integriteit. Een advocaat dient bij de uitoefening van zijn beroep integer te handelen en zich te onthouden van enig handelen dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Deze plicht geldt tegenover alle betrokkenen bij de rechtspleging, waaronder de wederpartij, en vindt haar grondslag in het belang van een goede rechtsbedeling. De advocaat dient als lid van een door de wet bijzonder gepositioneerde beroepsgroep bij te dragen aan de integriteit van zijn beroepsgroep. Integere beroepsuitoefening is essentieel om de bijzondere positie van de advocaat te legitimeren en het vertrouwen in de beroepsgroep te waarborgen. Integer wil zeggen dat de advocaat boven de zaak staat, hij belangenverstrengelingen tegen gaat en zich kan verantwoorden voor zijn keuzes, gegeven zijn geprivilegieerde rol binnen de rechtsorde.
5.7 Naar het oordeel van de raad heeft verweerster in haar e-mail van 21 december 2022 aan de heer R in strijd met de waarheid verklaard dat haar declaraties grotendeels door hem als zakelijk konden worden geboekt en daarmee heeft verweerster niet integer gehandeld. Vast staat dat die declaraties van ruim € 50.000,- zagen op werkzaamheden van verweerster voor de heer R privé, zoals verweerster twee maanden eerder in haar e-mail van 25 oktober 2022 ook aan hem had geschreven. Verweerster heeft niet alleen opzettelijk gelogen in haar e-mail van 21 december 2022 maar heeft daarmee ook valsheid in geschrifte gepleegd en gepoogd mee te werken aan oplichting door de heer R van de Belastingdienst. Dat het zover niet is gekomen, is dankzij de accountant van de heer R die de valse verklaring van verweerster niet wilde gebruiken bij de aangifte van de heer R voor de inkomstenbelasting over 2021.
5.8 Verweerster heeft in haar verweer gewezen op haar persoonlijke omstandigheden in die periode waardoor zij toen niet opgewassen was tegen de grote druk die de heer R op haar bleef leggen om die valse verklaring af te leggen. Als in het najaar van 2022 sprake was van een zo ernstige medische situatie als door verweerster toegelicht dan had zij naar het oordeel van de raad toen meteen moeten stoppen met haar werkzaamheden. Niet alleen in haar eigen belang op doktersadvies, maar ook als advocaat omdat zij door die situatie de belangen van haar cliënten niet meer naar behoren kon behartigen. Dat blijkt ook al uit de gevolgen van haar gesprek met de heer R in december 2022; dat gesprek had zij toen niet moeten voeren. Doordat verweerster in die periode de enige werkzame advocaat op haar kantoor was, had het op de weg van verweerster gelegen om de deken terstond om hulp te vragen. De deken had mee kunnen denken over waarneming van zaken en ook kunnen bemiddelen tussen verweerster en de heer R in de door verweerster geschetste situatie. Verweerster heeft om haar moverende redenen de deken niet ingelicht. De deken is hiermee pas bekend geworden door het onderzoek naar de door de heer R in februari 2024 over verweerster ingediende klacht.
5.9 Op grond van het vorenstaande is de raad van oordeel dat verweerster heeft gehandeld op een wijze die een behoorlijk advocaat niet betaamt in de zin van artikel 46 Advocatenwet. Daarnaast heeft verweerster bij de uitoefening van haar beroep als advocaat niet zorggedragen voor de rechtsbescherming van haar cliënten en de kernwaarden integriteit en onafhankelijkheid als bedoeld in artikel 10a lid 1 sub a en d Advocatenwet in ernstige mate geschonden. De raad verklaart het dekenbezwaar II dan ook gegrond.
Dekenbezwaar III
5.10 De raad stelt voorop dat in de Advocatenwet aan de deken is opgedragen een behoorlijke uitoefening van de praktijk te bevorderen en toe te zien op de naleving van de plichten van de advocaat als zodanig. Als uitwerking van de betamelijkheidsnorm als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet bepaalt gedragsregel 29 dat bij een tuchtrechtelijk onderzoek, een verzoek om informatie van de deken dat met een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek verband houdt of een verzoek om medewerking op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, de betrokken advocaat verplicht is om alle gevraagde inlichtingen direct aan de deken te verstrekken, zonder zich op zijn geheimhoudingsplicht te kunnen beroepen, behoudens in bijzondere gevallen.
5.11 Naar het oordeel van de raad heeft verweerster naar aanleiding van de vragen van de deken in haar e-mail van 25 februari 2025 geen open kaart gespeeld. Verweerster heeft na verkregen uitstel met haar e-mail van 25 februari 2025 aan de deken geprobeerd om de waarheid over haar valse verklaring aan de heer R, te verdoezelen. Daarmee heeft verweerster naar het oordeel van de raad niet alleen de deken bij de uitvoering van haar taken gefrustreerd maar ook geprobeerd te misleiden. Dat is naar het oordeel van de raad aan te merken als ernstig onbetamelijk handelen van verweerster. De omstandigheid dat verweerster tijdens een gesprek met de deken op 3 maart 2025 alsnog duidelijkheid heeft verschaft over de werkelijke gang van zaken, maakt het in dit bezwaar aan verweerster verweten handelen niet minder ernstig. Dat verweerster zelf om dat gesprek heeft gevraagd, kan naar het oordeel van de raad niet anders worden uitgelegd dan dat zij na ontvangst van het concept dekenbezwaar geen andere keuze meer had.
5.12 Gelet op het voorgaande heeft verweerster evident tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dekenbezwaar III wordt eveneens gegrond verklaard.
6 MAATREGEL
6.1 Omdat het dekenbezwaar grotendeels gegrond wordt verklaard, komt aan de orde of aan verweerster een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke.
6.2 De raad is van oordeel dat het aan verweerster verweten handelen zodanig ernstig is dat dit een onvoorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening zou rechtvaardigen. Verweerster heeft door haar handelen de kernwaarden integriteit en onafhankelijkheid geschonden en de deken daarnaast op onbetamelijke wijze in haar toezichthoudende taak belemmerd en geprobeerd te misleiden. Uit haar handelen blijkt onvoldoende gevoel bij de bijzondere positie die zij als advocaat in het maatschappelijk verkeer vervult en de onafhankelijke, integere oordeelsvorming die daarbij van verweerster wordt verwacht.
6.3 Bij de (uiteindelijk) aan verweerster op te leggen maatregel betrekt de raad ook dat verweerster een fors tuchtrechtelijk verleden heeft met maatregelen die in ernst oplopen tot de maatregel van onvoorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening.
6.4 Zo is aan verweerster, onder meer, in 2018 door de raad een voorwaardelijke schorsing opgelegd voor de duur van vier weken. Omdat verweerster in de daarbij opgelegde proeftijd van twee jaar opnieuw een tuchtrechtelijke maatregel heeft gekregen, is zij bij beslissing van de raad van 8 januari 2024 met ingang van 10 januari 2024 voor de (daartoe beperkte) duur van twee weken geschorst. In de jaren 2020 tot en met 2023 heeft verweerster vijf berispingen en een voorwaardelijke schorsing voor de duur van vier weken met een proeftijd van twee jaar opgelegd gekregen. Op 31 januari 2025 heeft het Hof van Discipline aan verweerster een onvoorwaardelijke schorsing van vier weken en tevens een voorwaardelijke schorsing voor negen weken opgelegd. Op 3 maart 2025 is verweerster voor de genoemde vier weken geschorst.
6.5 Tijdens de zitting van de raad heeft de deken verklaard dat zij nog twee klachten over verweerster in onderzoek heeft die gaan over haar optreden in dezelfde periode rondom de burn-out van verweerster. Alhoewel de raad wil aannemen dat verweerster naar haar zeggen vanaf 2020 tot en met 2022 stressvolle jaren heeft gehad en als gevolg daarvan eind 2022 tot begin 2023 met ernstige burn-out klachten is uitgevallen, dan verklaart dat nog niet waarom verweerster al vanaf 2018 zoveel gegronde klachten en maatregelen heeft gekregen. De raad hoopt dat bij verweerster inmiddels de ernst van deze kwestie is doorgedrongen.
6.6 De raad hecht waarde aan het in het voorjaar van 2025 door verweerster gestarte coaching traject bij collega-advocaat mr. C. De raad hoopt, net als de deken tijdens de zitting heeft verklaard, dat die coaching zal resulteren in een verbetering van de bedrijfsvoering van verweerster, zodanig dat hierover geen klachten meer worden ingediend. Omdat de deken tijdens de zitting ook heeft verklaard dat verweerster inhoudelijk een goede advocaat is, is de raad bereid om verweerster een laatste kans te geven. De raad zal daarom aan verweerster een voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van 26 weken opleggen, met een aantal voorwaarden als hierna vermeld in het dictum. De proeftijd van twee jaar dient als stok achter de deur voor verweerster om oog te houden voor haar bijzondere positie als advocaat in de maatschappij.
6.7 De raad ziet aanleiding om de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet genoemde termijn te bekorten tot de duur van de proeftijd van twee jaar.
7 KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
- € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
- € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart dekenbezwaar I ongegrond;
- verklaart dekenbezwaren II en III gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van schorsing voor de duur van zesentwintig (26) weken op;
- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerster een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd:
- stelt als bijzondere voorwaarde dat verweerster met ingang van het onherroepelijk worden van deze beslissing gedurende één (1) jaar aan de deken maandelijks schriftelijk rapporteert over de voortgang van de coaching bij mr. C, althans een andere advocaat, waarbij in ieder geval door verweerster moet worden vermeld hoeveel gesprekken zij met haar coach heeft gevoerd (waarbij geldt dat zij ten minste een gesprek per maand met de coach moet voeren), wat in die gesprekken aan de orde is geweest, tot welke aanpassingen dit in haar bedrijfsvoering heeft geleid, en waarbij ook van verweerster wordt verwacht terstond schriftelijk te reageren op aanvullende vragen van de deken naar aanleiding van deze rapportages;
- stelt als algemene voorwaarde dat verweerster zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;
- stelt de proeftijd op een periode van twee (2) jaar, met ingang van de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2;
- bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot twee (2) jaar.
Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. E.H.M. Harbers, M.M. Kuyp, M. Lont, J.J. Molenaar, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 februari 2026