ECLI:NL:TADRARL:2026:50 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-695/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:50
Datum uitspraak: 23-02-2026
Datum publicatie: 24-02-2026
Zaaknummer(s): 25-695/AL/MN
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Verweerster wordt beklaagd in haar (toenmalige) hoedanigheid van deken. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster met haar handelwijze niet het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Zij heeft op verzoek van de advocaat van de wederpartij van klaagster in het kader van haar toezichthoudende taak een onafhankelijk feitenonderzoek gedaan naar een haar toegezonden document dat volgens de advocaat van de wederpartij door klaagster in de procedure in hoger beroep als productie was ingebracht en vals was. Die productie betrof een e-mail op naam van een voormalig advocaat van klaagster. Die advocaat heeft zich op zijn geheimhoudingsplicht beroepen bij vragen van de wederpartij over de echtheid van genoemde e-mail. Verweerster heeft de vermeende schrijver/advocaat van de e-mail gehoord. Niet valt in te zien dat ook klaagster als ontvanger van die e-mail gehoord had moeten worden. De informatie die verweerster van de voormalig advocaat heeft gekregen viel onder de bescherming van haar eigen geheimhouding. Niet is gebleken dat verweerster die geschonden heeft, of van de onderzochte advocaat. Vervolgens heeft verweerster in een e-mail aan de advocaat van de wederpartij haar bevindingen gemaild. Die verklaring is in door de wederpartij in het geding gebracht. Klaagster heeft daarvan toen kennis genomen en daartegen verweer gevoerd. Verweerster heeft klaagster de gelegenheid geboden om het volgens klaagster juiste document alsnog te onderzoeken. Van dat aanbod heeft klaagster om haar moverende redenen geen gebruik gemaakt. Klacht ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 23 februari 2026

in de zaak 25-695/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

gemachtigde:

over

verweerster

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 22 april heeft klaagster, een vennootschap, via e-mail bij het Hof van Discipline een klacht ingediend over verweerster in haar hoedanigheid van deken. Bij beslissing van 1 mei 2025 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline die klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland (hierna: de deken).

1.2 Op 13 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2492790 van de deken ontvangen.

1.3 In een e-mail van 11 januari 2026 is door de vader van de gemachtigde van klaagster aan de raad meegedeeld dat de gemachtigde van klaagster vanwege persoonlijke omstandigheden niet bij de zitting van de raad op 26 januari 2026 aanwezig kan zijn. Hij heeft namens klaagster gevraagd om de klachtzaak schriftelijk zonder zitting af te doen. Op 15 januari 2026 is namens de voorzitter van de raad aan verweerster om reactie gevraagd. Verweerster heeft in haar e-mail van 19 januari 2026 aan de raad bericht dat zij niet op de zitting van 26 januari 2026 zal verschijnen en instemt met schriftelijke afdoening van de klacht. Op 20 januari 2026 is door de raad aan partijen bevestigd dat de zitting op 26 januari 2026 geen doorgang zal vinden en de zaak schriftelijk zal worden afgedaan.  

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlage namens klaagster van 11 januari 2026 en de e-mail van verweerster van 19 januari 2026.

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

2.1 Klaagster voert sinds 2016 een civielrechtelijke procedure tegen de Rabobank c.s. (hierna: de Rabobank). Tot circa 2017 heeft mr. S de belangen van klaagster behartigd.

2.2 Op 6 juli 2021 heeft de Rabobank klaagster gedagvaard. Het standpunt van de advocaat van de Rabobank is, kort gezegd, dat klaagster bij het aanvragen van leningen (ver)vals(t)e stukken heeft ingediend waarna zijn laatste aanvraag is geweigerd en een lopende lening is opgezegd en klaagster onder meer in het Intern Verwijzingsregister is geregistreerd. Klaagster is in deze bodemprocedure bijgestaan door advocaat mr. G.

2.3 Bij de memorie van grieven heeft mr. G namens klaagster als productie 38 een brief van 13 december 2022 (hierna ook: de brief) van mr. S in het geding gebracht. In de memorie van antwoord heeft de Rabobank zich op het standpunt gesteld dat er aanwijzingen zijn dat de brief vals is, althans niet door mr. S is geschreven.

2.4 Op 10 juli 2024 heeft een mondelinge behandeling bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden plaatsgevonden. De Rabobank heeft daar betwist dat de brief authentiek is.  Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat het gerechtshof de Rabobank in de gelegenheid heeft gesteld om eventueel nog een verklaring van mr. S over een eerder telefonisch overleg met de advocaat/advocaten van de Rabobank over de brief te overleggen.

2.5 In een e-mail van 12 juli 2024 heeft klaagster aan mr. S onder meer geschreven:

Tijdens de mondelinge behandeling eerder deze week bij het hof, hebben de advocaten van Rabobank verklaard dat zij eerder dit jaar contact met u hebben gezocht. Zij stelden dat u gevraagd was om verduidelijking te verschaffen omtrent bepaalde documentatie, en om te bevestigen dat er van mijn zijde geen erkenning van enige aansprakelijkheid heeft plaatsgevonden.

Indien deze gebeurtenissen zich daadwerkelijk hebben voorgedaan, benadruk ik dat dit mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen betreft. Het delen van informatie zonder mijn expliciete toestemming, als uw voormalig cliënt, is niet toegestaan, met name niet richting de wederpartij.(…)

2.6 In een e-mail van 22 juli 2024 heeft mr. S aan klaagster desgevraagd laten weten dat hij geen informatie met de advocaten van Rabobank over zijn zaak heeft gedeeld of zal delen vanwege zijn geheimhoudingsplicht en zich op zijn verschoningsrecht zal beroepen.

2.7 De advocaat van de Rabobank heeft verweerster in haar hoedanigheid van (toenmalige) deken op 13 augustus 2024 om advies verzocht met betrekking tot de brief en een brief meegestuurd.

2.18 Op 15 augustus 2024 heeft verweerster aan de advocaat van de Rabobank geschreven:

Naar aanleiding van uw verzoek om advies uit te brengen over de vraag of mr. [S] gehouden is om vragen te beantwoorden betrekking hebbend op de brief van 13 december 2022, die door [de gemachtigde van klaagster] bij een financieringsaanvraag aan de RABO is overgelegd, deel ik u mee dat ik zelf onderzoek heb gedaan naar de desbetreffende brief. Dit vanwege de geheimhoudingsplicht van mr. [S].

Op basis van dat onderzoek ben ik tot de conclusie gekomen dat de voornoemde brief niet door hem is opgesteld en niet van zijn hand is. (…)

De advocaat van de Rabobank heeft deze verklaring van verweerster in hoger beroep overgelegd.  

2.9 Mr. G heeft op 20 september 2024 telefonisch contact opgenomen met het ordebureau en vragen gesteld over het onderzoek van verweerster. Op 25 september 2024 is mr. G door de behandelend stafjurist daarover teruggebeld. Tijdens dit gesprek heeft mr. G laten weten dat het door verweerster gedane onderzoek niet goed kon zijn geweest omdat er meerdere versies van de brief in omloop zouden zijn. Op de e-mail van de stafjurist van dezelfde dag met de vraag om een ander exemplaar van de brief te sturen, heeft mr. G niet kunnen reageren wegens onjuiste adressering. Mr. G heeft daarna geen contact meer gezocht met verweerster en geen stukken namens klaagster aan verweerster gestuurd.

2.10 Op 26 november 2024 heeft mr. S desgevraagd aan klaagster laten weten dat hij van verweerster een document ter beoordeling had ontvangen en heeft vastgesteld dat de inhoud van dat document niet overeenstemde met de brief die hij op 13 december 2022 aan klaagster heeft gestuurd en ook dat hij aan verweerster heeft meegedeeld dat de inhoud van het aangeleverde document afweek van de authentieke brief.

2.11 Op 4 februari 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden arrest gewezen en daarbij het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 6 juli 2022 bekrachtigd met ontzegging van klaagster van verdere vorderingen. De raad heeft ambtshalve van dit gepubliceerde arrest met zaaknummer 200.332.121 kennisgenomen. Daarin heeft het gerechtshof onder meer overwogen:

4.7 Ter beantwoording van de vraag of de Brief door [mr. S] is geschreven of dat het een vervalsing betreft, is het bericht van [verweerster] van 15 augustus 2024 aan de advocaat van [de Rabobank] wat het hof betreft van doorslaggevend belang. De echtheid van die e-mail van [verweerster] is door [klaagster c.s.] op zichzelf niet betwist. Het hof twijfelt er niet aan dat [verweerster] de beschikking heeft gehad over de Brief, aangezien volgens de e-mail van 13 augustus 2024 aan de Orde van Advocaten productie 38 was bijgevoegd (…) en [verweerster] schrijft onderzoek te hebben gedaan naar een brief van 13 december 2022 vanwege de geheimhoudingsplicht van [mr. S]. (…) Op grond van de ondubbelzinnige conclusie van [verweerster] dat de Brief niet door [mr. S] is opgesteld en niet van zijn hand is, gaat het hof daarvan uit. Het gegeven dat [verweerster] niet heeft verduidelijkt hoe zij haar onderzoek heeft uitgevoerd, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de stelligheid en de geloofwaardigheid van haar conclusie. (…)

4.11 In elk geval door zowel de overlegging van de Brief als het innemen van de met elkaar strijdige stellingen over het voor communicatie met [de Rabobank] gebruikte e-mailadres hebben [klaagster c.s.] aantoonbaar de waarheidsplicht van artikel 21 Rv geschonden.

4.12 Het hof constateert verder dat er stevige aanwijzingen zijn dat [klaagster c.s.] zich hebben bediend van nog meer (ver)vals(t)e stukken.

4.17 (…)Wat het hof voorts uiterst kwalijk vindt, is dat de (ver)vals(t)e productie een brief van een advocaat betreft. In de rechtspleging vervullen advocaten een voor de rechtsstaat zeer belangrijke, in de wet geregelde functie. Zij worden in procedures over het algemeen op hun woord geloofd. Het overleggen van een (ver)vals(t)e brief van een advocaat in de procedure kan deze praktijk ondermijnen en is niet alleen schadelijk voor de advocatuur, maar ook voor de rechtspraktijk.

2.12 Klaagster heeft verweerster op 3 maart 2025, aangevuld op 20 en 22 maart 2025, aansprakelijk gesteld voor onzorgvuldig optreden als deken en vervolgstappen aangekondigd.

2.13 Op 31 maart 2025 heeft verweerster iedere aansprakelijkheid afgewezen en aan klaagster de gang van zaken toegelicht.

2 KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

  1. zonder hoor en wederhoor eenzijdig een verklaring op te stellen (zonder verificatie) ten behoeve van de wederpartij van klaagster, terwijl klaagster het betwiste document niet in het geding heeft gebracht;
  2. de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van de voormalig advocaat van klaagster te schenden/negeren;
  3. de schijn van partijdigheid te wekken door actief een procespartij, de wederpartij van klaagster, te faciliteren binnen een lopende civiele procedure;
  4. geen enkel onafhankelijk feitenonderzoek te verrichten alvorens een oordeel te geven over de authenticiteit van bewijsstukken;
  5. te weigeren informatie te delen over de correspondentie en te weigeren het betwiste document te verstrekken aan de huidige advocaat van klaagster;
  6. de impact van het handelen van verweerster te miskennen met verstrekkende gevolgen voor de rechterlijke beslissing in de zaak van klaagster.

4 VERWEER

Verweerster heeft tegen de klacht gemotiveerd verweer gevoerd. De raad zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

Maatstaf

5.1 Verweerster wordt beklaagd in haar hoedanigheid van deken.

5.2 Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. De aard en functie van deken brengt met zich mee dat bij de tuchtrechtelijke controle, waaraan ook het optreden van een deken is onderworpen, terughoudendheid dient te worden betracht vanwege de beleidsvrijheid die een advocaat in die functie toekomt.

5.3 De raad zal de klachtonderdelen aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

Klachtonderdeel a)

zonder hoor en wederhoor eenzijdig een verklaring op te stellen (zonder verificatie) ten behoeve van de wederpartij van haar, terwijl het betwiste document niet door klaagster zou zijn ingebracht;

Toelichting klaagster

5.4 Volgens klaagster heeft verweerster het door de advocaat van de Rabobank op 13 augustus 2024 aan haar verstrekte document als authentiek en als onderdeel van de civiele procedure beschouwd. Verweerster heeft vervolgens op 15 augustus 2024 een verklaring aan de advocaat van de Rabobank gemaild zonder eerst alle relevante feiten te verifiëren en klaagster over het document te horen. Daar komt bij dat de voormalig advocaat mr. S enkel heeft verklaard dat hij het door verweerster overgelegde document niet heeft opgesteld of verzonden. Verweerster heeft met haar handelwijze bijgedragen aan de verspreiding van onjuiste gegevens met zeer ernstige gevolgen voor de lopende procedure van klaagster en heeft daarmee ook het recht op een eerlijk proces van klaagster geschonden.

Verweer verweerster

5.5 Vanuit haar toezichthoudende taak als deken heeft zij alleen schriftelijk verklaard over het haar op 13 augustus 2024 toegezonden document - een brief op naam van mr. S gedateerd 13 december 2022 -  waarvoor een geheimhoudingsverplichting van mr. S gold.

5.6 Het hoor- en wederhoor beginsel geldt voor onderzoek naar klachten. In dit geval was sprake van een verzoek om vaststelling van feiten in het kader van waarheidsvinding. Als deken heeft zij beleidsvrijheid ten aanzien van het inrichten van haar onderzoek en dit geldt ook voor het plegen van hoor en wederhoor. Voor de vraag of een advocaat een bepaalde brief heeft geschreven is het horen van de ontvanger - in dit geval klaagster - van de brief volgens verweerster niet noodzakelijk. Verweerster had ook geen reden om te twijfelen aan de goede trouw van de advocaat van de Rabobank en om te veronderstellen dat deze advocaat haar een andere brief had gestuurd dan de brief die door klaagster als productie 38 in het geding in hoger beroep was gebracht.

5.7 De advocaat van de Rabobank heeft haar verklaring van 15 augustus 2024 vervolgens in de procedure overgelegd. Klaagster had de mogelijkheid om tegen de inhoud daarvan verweer te voeren, waarna het aan de civiele rechter was om daarover te oordelen.

Beoordeling raad

5.8 Vast staat dat de advocaat van de Rabobank zich in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat door klaagster als productie 38 een (ver)vals(t)e brief op naam van de voormalige advocaat van klaagster van 13 december 2022 in het geding heeft gebracht. Ook staat vast dat de advocaat van de Rabobank bij onderzoek naar de echtheid van de brief stuitte op het beroep van mr. S op zijn geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht. Daarop heeft de advocaat van de Rabobank op 13 augustus 2024 aan verweerster gevraagd om onderzoek te doen naar de authenticiteit van de brief.

5.9 Nog los van het feit dat het tot de beleidsvrijheid van een deken behoort om te bepalen of en op welke wijze een feitelijk onderzoek naar een document wordt gedaan en of daarbij hoor en wederhoor noodzakelijk is, heeft verweerster mr. S, de vermeende schrijver van de brief van 13 december 2022, wel degelijk gehoord. Dit volgt zo uit de e-mail van verweerster van 15 augustus 2024 aan de advocaat van de Rabobank. Niet valt in te zien waarom verweerster daarnaast gehouden zou zijn geweest om ook klaagster, die slechts de ontvanger van de brief was, bij het gedane feitenonderzoek te betrekken.

5.10 Nu een feitelijke grondslag voor dit verwijt ontbreekt, wordt klachtonderdeel a) ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van de voormalig advocaat van klaagster te schenden/negeren;

Toelichting klaagster

5.11 Verweerster wist dat de brief viel onder de vertrouwelijke relatie van advocaat en cliënt. Met de inhoud van haar verklaring van 15 augustus 2024 heeft verweerster feitelijk gefaciliteerd dat mr. S zijn geheimhouding heeft doorbroken en er vertrouwelijke informatie zonder toestemming van klaagster in een civiele procedure is terecht gekomen.

Verweer verweerster

5.12 Juist in zeer specifieke gevallen, zoals bij geheimhoudingskwesties, wordt een deken gevraagd om onderzoek te doen en naar stukken te kijken en dan een conclusie te trekken in het belang van de waarheidsvinding. Het is aan de (tucht)rechter om de door een deken getrokken conclusie al dan niet over te nemen.  

5.13 Advocaten zijn verplicht om de door een deken in het kader van de toezichthoudende taak opgevraagde informatie te verstrekken. Dat heeft mr. S gedaan. Daarmee heeft hij niet zijn geheimhoudingsplicht richting klaagster geschonden. Verweerster heeft de vertrouwelijke informatie beschermd doordat zij in haar verklaring van 15 augustus 2024 geen inhoudelijke mededelingen heeft gedaan over haar onderzoek en ook niet over (contacten met) de advocaat die als afzender in de onderzochte brief staat genoemd.

5.14 Als deken heeft zij geen toestemming nodig van de cliënt van een advocaat om aan een advocaat vragen te stellen in het kader van een onderzoek. In dit geval ging het bovendien om een brief van de voormalig advocaat aan klaagster die reeds in de civiele procedure door klaagster zelf was ingebracht. Volgens verweerster is het opmerkelijk dat klaagster zich nu op de vertrouwelijkheid tussen advocaat en cliënt beroept en haar advocaat heeft verboden heeft om iets over de brief te zeggen tegen de Rabobank. Als de conclusie van verweerster onjuist zou zijn en de brief dus wel geschreven zou zijn door de desbetreffende advocaat, had het voor de hand gelegen dat klaagster haar advocaat toestemming zou hebben gegeven om dat ook te bevestigen. De voormalig advocaat bevestigt in zijn e-mail van 26 november 2024 aan klaagster evenwel dat het document niet van zijn hand afkomstig is.

Beoordeling raad

5.15 Naar het oordeel van de raad heeft verweerster met haar in deze verweten handelwijze niet het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Vast staat dat klaagster zelf als productie 38 een brief op naam van mr. S van 13 december 2022 in hoger beroep heeft overgelegd.  Verweerster heeft in het kader van haar toezichthoudende taak op verzoek van de advocaat van de Rabobank het feitelijke onderzoek naar de authenticiteit van de brief verricht en heeft dat naar het oordeel van de raad gedaan binnen de grenzen van de haar als deken toekomende beleidsvrijheid.

5.16 De informatie die verweerster op 26 november 2024 van mr. S heeft verkregen viel onder de bescherming van haar eigen geheimhouding. Uit de stukken is de raad niet gebleken dat verweerster de geheimhouding van mr. S of van haarzelf op enigerlei wijze heeft geschonden of dit heeft genegeerd zoals haar wordt verweten. Verweerster heeft zich immers in haar verklaring van 15 augustus 2024 aan de Rabobank alleen uitgelaten over de authenticiteit van de door haar ontvangen brief. Nu aldus van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is, wordt klachtonderdeel b) ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel c)

de schijn van partijdigheid te wekken door actief een procespartij, de wederpartij van klaagster, te faciliteren binnen een lopende civiele procedure;

Toelichting klaagster

5.17 Het uitsluitend communiceren met één procespartij en het negeren van het standpunt van de wederpartij - klaagster - in een lopende civiele procedure ondermijnt het vertrouwen in de advocatuur.

5.18 Verweerster dient als deken te fungeren als een onafhankelijk en objectief instituut. In deze kwestie heeft verweerster echter in een lopende procedure actief een procespartij ondersteund zonder enig vorm van waarheidsvinding toe te passen op de door de Rabobank aangeleverde stukken. Verweerster is volledig uitgegaan van de juistheid van de door de Rabobank verstrekte informatie, zonder objectieve toetsing en wederhoor, hetgeen heeft geleid tot een onvolledig en onjuist oordeel.

Verweer verweerster

5.19 Verweerster betwist dit. Bij haar onderzoek in het kader van haar toezichthoudende taak op verzoek van de advocaat van de Rabobank heeft zij zich uitsluitend door de feiten laten leiden; niet door een partijstandpunt. Het is aan partijen om haar objectieve feitelijke conclusie in een procedure te brengen, daar al dan niet stelling over te nemen, waarna de rechter daarover uiteindelijk oordeelt.

Beoordeling raad

5.20 Naar het oordeel van de raad is geen sprake geweest van het actief faciliteren van een procespartij door verweerster, maar heeft verweerster haar taak en bevoegdheid als deken uitgeoefend door op verzoek van de advocaat van de Rabobank onderzoek te doen naar een document op naam van een advocaat met een geheimhoudingsplicht. Uit de e-mail van verweerster van 15 augustus 2024 volgt dat zij na haar onderzoek geen eigen oordeel heeft gegeven. Ook is de raad uit de stukken gebleken dat verweerster aan de advocaat van klaagster heeft aangeboden om de volgens klaagster ‘juiste’ brief van mr. S van 13 december 2022 alsnog in haar onderzoek te betrekken. Van die gelegenheid heeft klaagster geen gebruik gemaakt. Dat de advocaat van klaagster de e-mail van 25 september 2024 van de stafjurist van verweerster niet heeft ontvangen kan zo zijn, maar voor de raad is aannemelijk dat over mogelijke verschillende versies van de brief tussen mr. G namens klaagster en de stafjurist is gesproken. Het had in elk geval op de weg van klaagster en zijn advocaat gelegen om zelf het initiatief te nemen om die andere versie van de brief aan verweerster te mailen. Dan had verweerster die informatie (alsnog) bij haar onderzoek kunnen betrekken en haar verklaring waar nodig kunnen aanpassen. Klaagster en zijn advocaat hebben daar om hun moverende redenen niet voor gekozen.

5.21 Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat verweerster met haar handelen als deken niet het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad, zodat haar geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Ook klachtonderdeel c) wordt ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel d)

geen enkel onafhankelijk feitenonderzoek te verrichten alvorens een oordeel te geven over de authenticiteit van bewijsstukken;

Toelichting klaagster

5.22 Verweerster heeft niet geverifieerd dat het document dat zij onderzocht daadwerkelijk overeenkomt met het document dat door klaagster in de procedure is ingebracht. Aangezien het een door klaagster ingebracht processtuk betrof had het op de weg van verweerster gelegen om de authenticiteit en herkomst ervan te verifiëren bij klaagster of haar advocaat.

Verweer verweerster

5.23 Verweerster stelt dat zij wel onafhankelijk feitenonderzoek heeft verricht alvorens een oordeel te geven over de authenticiteit van bewijsstukken. Over de inhoud daarvan kan zij geen mededelingen doen.

Beoordeling raad

5.24 Uit de overgelegde stukken is de raad gebleken dat verweerster onderzoek heeft verricht naar een document op naam van een advocaat. Feitelijk is dit verwijt van klaagster op dit punt dan ook onjuist. De raad ziet dan ook niet in welk handelen van verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar geacht moet worden. Dat betekent dat ook klachtonderdeel d) ongegrond wordt verklaard.

Klachtonderdeel e)

te weigeren informatie te delen over de correspondentie en te weigeren het betwiste document te verstrekken aan haar huidige advocaat;

Toelichting klaagster

5.25 In september 2024 heeft de Rabobank de verklaring van verweerster van 15 augustus 2024 over de authenticiteit van de brief in de procedure gebracht zonder dat verweerster klaagster daarover eerder had ingelicht. Op 20 september 2024 heeft de advocaat van klaagster contact met verweerster gezocht en om opheldering gevraagd over het onderzoek en inzage in de brief waarop de verklaring van verweerster was gebaseerd. Verweerster weigerde enige informatie te verstrekken en stelde dat zij zich daar niet over kon uitlaten. Namens verweerster zou op 25 september 2024 een e-mail aan de advocaat van klaagster zijn verzonden met het verzoek om de alternatieve versie van de brief te uploaden. Dit verzoek was op initiatief van verweerster; niet van de advocaat van klaagster. Die e-mail is nooit door de advocaat van klaagster ontvangen door verkeerde adressering. Het had op de weg van verweerster gelegen om die e-mail na foutmelding alsnog aan de advocaat te sturen. Dat is niet gebeurd. Volgens klaagster doet verweerster ten onrechte een beroep op haar verschoningsrecht.

Verweer verweerster

5.26 Nadat verweerster haar advies aan de advocaat van de Rabobank had uitgebracht, werd haar stafjurist op 20 september 2024 telefonisch benaderd door de advocaat van klaagster, die mededeelde dat er meerdere versies van de brief in omloop waren. De stafjurist heeft namens verweerster terecht geweigerd de brief te verstrekken en heeft de advocaat gevraagd het andere, volgens hem juiste exemplaar van de brief te sturen. De advocaat van klaagster heeft daaraan geen gevolg gegeven. Voor zover hoor- en wederhoor op dat moment aan de orde zou zijn geweest, heeft verweerster daartoe de gelegenheid gegeven. Dat de e-mail van haar stafjurist van 25 september 2024 niet door de advocaat van klaagster is ontvangen door gebruik van een fout e-mailadres is niet zodanig verwijtbaar dat daarmee het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. In het telefoongesprek was aan de advocaat al om de andere versie van de brief gevraagd, terwijl de advocaat van klaagster ook zelf die versie had kunnen toesturen. Dat was ook logisch geweest als de advocaat van de Rabobank, zoals klaagster stelt, de verkeerde brief aan haar had gestuurd en verweerster een verkeerde brief had onderzocht.

5.27 Verweerster betwist dat de advocaat van klaagster haar schriftelijk heeft verzocht om correspondentie met hem te delen of het betwiste document te verstrekken. Volgens verweerster volgt uit het gepubliceerde arrest van 4 februari 2025 dat de advocaat van klaagster het standpunt, dat verweerster van de Rabobank een andere brief heeft ontvangen, ook in de procedure heeft ingebracht maar door het gerechtshof niet is gevolgd. Volgens verweerster heeft zij een terecht beroep op haar verschoningsrecht heeft gedaan.

Beoordeling raad

5.28 De raad stelt voorop dat de plicht tot geheimhouding tot de kernwaarden van de advocatuur behoort en dat doorbreking daarvan door de advocaat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde kan komen.

5.29 Naar het oordeel van de raad kon verweerster vanwege haar geheimhoudingsplicht geen informatie met klaagster delen of het door haar ontvangen document aan klaagster verstrekken. Niet is gesteld of gebleken dat sprake was van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan verweerster haar geheimhoudingsplicht had mogen doorbreken. De raad constateert verder dat verweerster aan (de advocaat van) klaagster een alternatieve route heeft aangeboden waarmee haar onderzoek naar het document uitgebreid had kunnen worden. Klaagster heeft daarvan om hem moverende redenen echter geen gebruik gemaakt.  

5.30 Nu verweerster tuchtrechtelijk op dit punt geen enkel verwijt treft, wordt klachtonderdeel e) ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel f)

De impact van haar handelen te miskennen met verstrekkende gevolgen voor de rechterlijke beslissing in de zaak van klaagster;

Toelichting klaagster

5.31 Het gerechtshof heeft de verklaring van verweerster van doorslaggevend belang geacht en op grond daarvan alle tegenrapporten van klaagster terzijde geschoven. De uitkomst van het arrest had verstrekkende financiële gevolgen voor klaagster. Ten onrechte heeft verweerster iedere aansprakelijkheid afgewezen.

Verweer verweerster

5.32 Verweerster miskent niet de impact die haar verklaring in de procedure bij het hof heeft gehad, maar wijst erop dat het de rechter is die daaraan die impact heeft toegekend. Daarbij merkt verweerster op dat zij op basis van een onafhankelijk feitenonderzoek een onafhankelijke conclusie heeft getrokken.

Beoordeling raad

5.33 Uit de stukken is de raad niet gebleken dat verweerster in haar e-mail van 15 augustus 2024 een eigen oordeel heeft gegeven. Aan haar is een (eenvoudige) vraag voorgelegd door de advocaat van de Rabobank over een document op naam van een advocaat. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster op zorgvuldige wijze gehandeld en een objectieve verklaring afgegeven. Deze verklaring van verweerster is, na daartegen door de advocaat van klaagster gevoerd verweer, in het oordeel van het gerechtshof betrokken.

5.34 Verweerster hoefde naar het oordeel van de raad geen rekening te houden met de mogelijke impact van haar verklaring op klaagster. Juist voor gevallen als de onderhavige, waarin onduidelijk is of een brief afkomstig is van een advocaat en geheimhouder, is een deken de aangewezen persoon om daarnaar een onderzoek in te stellen. Dat heeft verweerster naar het oordeel van de raad op zorgvuldige wijze gedaan zonder dat zij daarbij het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.

5.35 Op grond van het voorgaande zal de raad klachtonderdeel f) eveneens ongegrond verklaren.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. N.C. Milani en M.M. Mok, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.

Griffier                                                                            Voorzitter

Verzonden op: 23 februari 2026