ECLI:NL:TADRARL:2026:46 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-700/AL/OV/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:46 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-02-2026 |
| Datum publicatie: | 16-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-700/AL/OV/D |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Dekenbezwaar. Schrapping. Bezwaar tegen een afhechtingsadvocaat. De raad heeft vastgesteld dat verweerder in een zeer groot aantal zaken en gedurende een lange periode ernstig tekort is geschoten in zijn bijstand en daarbij heeft gehandeld in strijd met de kernwaarden partijdigheid, deskundigheid en integriteit. Verweerder heeft ten opzichte van zijn cliënten niet die zorg in acht genomen, die van een behoorlijk handelend advocaat verwacht mag worden en hierdoor kan zeker niet worden uitgesloten dat zij in hun belangen zijn geschaad. De raad rekent dit verweerder zwaar aan. De aard en de ernst van deze feiten rechtvaardigen zonder meer een zeer zware maatregel. Bij de oplegging van de maatregel acht de raad van belang dat (tijdens het onderzoek van de deken en op de zitting van de raad) niet is gebleken dat verweerder beseft dat hij onbetamelijk heeft gehandeld. Verweerder toont geen inzicht in het verwijtbare van zijn handelen en hij kiest bewust voor een manier van handelen dat haaks staat op de voor de advocatuur elementaire beginselen en regelgeving. Dit beeld van verweerder wordt nog versterkt door het signaal van de rechtbank. Verweerder heeft zijn onjuiste werkwijze in dit soort zaken - waaruit zijn praktijk geheel of in hoofdzaak bestaat - naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek en het dekenbezwaar niet aangepast en ook uit de opstelling van verweerder op de zitting van de raad leidt de raad af dat verweerder deze werkwijze niet wenst te veranderen. 6.4 Op grond van de ernst van de verwijten en het feit dat verweerder ter zitting geen, althans onvoldoende, inzicht heeft getoond in zijn eigen handelen, is de raad van oordeel dat het niet verantwoord is dat verweerder de praktijk als advocaat in de toekomst nog uitoefent. Daarom wordt de maatregel van schrapping opgelegd. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 16 februari 2026
in de zaak 25-700/AL/OV/D
naar aanleiding van het dekenbezwaar van:
mr. G.H.H. Kerkhof
in hoedanigheid van deken van de orde van advocaten
in het arrondissement Overijssel
deken
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 In een brief van 14 oktober 2025 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend
over verweerder.
1.2 Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 17 december 2025
in aanwezigheid van de deken van Noord-Nederland, als vertegenwoordiger van de deken
en verweerder. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.3 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.1 genoemde dekendossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van het dekenbezwaar gaat de raad, gelet op het dekendossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Verweerder is eigenaar van Advocatenkantoor [verweerder] en hij verricht
uitsluitend werkzaamheden op het gebied van het familierecht.
2.2 Verweerder houdt zich voor het leeuwendeel van zijn praktijk bezig met echtscheidingszaken
op gemeenschappelijk verzoek. Daarbij werkt hij nauw samen met (vaste) mediators,
die de cliënten in eerste instantie bijstaan en die voor deze cliënten echtscheidingsconvenanten
en soms ook ouderschapsplannen opstellen.
2.3 De Raad voor Rechtsbijstand noemt deze advocaten ‘afhechtingsadvocaat’. Verweerder
verricht naar eigen opgave circa 1.700 afhechtingen per jaar, ofwel gemiddeld 30 zaken
per week, zes per dag.
2.4 Overeenkomstig de regelgeving kunnen cliënten voor hun scheiding via een
mediator in aanmerking komen voor een toevoeging, die dan door de mediator wordt aangevraagd.
Voor de werkzaamheden van de mediators wordt door de Raad voor Rechtsbijstand een
van tevoren vastgesteld aantal punten toegekend, waarbij geldt dat ieder punt correspondeert
met een door de Raad voor Rechtsbijstand vastgesteld (forfaitair) tarief. In de door
mediators aangevraagde toevoegingen zijn 2,5 punten verdisconteerd, die bestemd zijn
als vergoeding voor de werkzaamheden die door de advocaat zijn verricht. De advocaat
brengt zijn of haar kosten na afloop van de zaak in rekening bij de mediator (die
de volle toevoeging bij de Raad voor Rechtsbijstand declareert). De vergoeding van
2,5 forfaitaire punten komt overeen met een bedrag ad circa € 300,-, excl. BTW.
2.5 Verweerder werkt niet alleen samen met toegevoegde mediators, maar ook met
mediators die betaald worden door partijen. Naar eigen opgave is 60% van zijn afhechtingspraktijk
betalend. Gemiddeld levert hem dat naar eigen zeggen € 53,00 exclusief BTW op per
zaak.
2.6 De rechtbank Overijssel heeft op 17 februari 2025 het volgende signaal gegeven
aan de deken Overijssel:
Op 22 november 2024 heeft een gesprek met [verweerder] plaatsgevonden op de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle. Daarbij waren aanwezig [verweerder] ( advocaat te [plaats]), [dhr. O.] (directeur van [Z.]), [B.Z.] (Hoofd Administratie), [S.G.] (SCAM) en [I.P.] (teamvoorzitter). Tijdens dat gesprek heb ik aangegeven zorgen te hebben over de kwaliteit van de door [verweerder] aangeleverde stukken en aangekondigd dat ik daarvan melding zou doen bij de Deken.
Ik voel mij daarom ook vrij om een deel van het verslag van dat gesprek met u te delen. Regelmatig heeft de griffie cliënten van [verweerder]/[Z.] aan de telefoon die echt zeggen niet te weten wie hun advocaat is. Dat komt bij andere advocaten veel minder voor. Wij kunnen die mensen niet te woord staan, maar soms zijn ze echt wanhopig en hebben we ze huilend aan de lijn. Het is goed de cliënten daar nog duidelijker op te wijzen. Zowel [dhr. O.] als [verweerder] geven aan dat ze dat goed vermelden op het briefpapier en in de stukken, maar blijkbaar is dat niet voldoende. (…)
Griffiekosten.
Dit loopt niet goed. Regelmatig wordt door [verweerder] correctie gevraagd. Dat kan echter alleen verwerkt als de definitieve toevoeging is bijgevoegd en dat gebeurt vaak niet. Dat is de reden waarom niet in behandeling genomen kan worden. Nu wordt vaak een aanvraag toevoeging bijgevoegd, maar dat volstaat niet. Afgesproken wordt dat [verweerder] voor de verzoeken daartoe die nu bij de rechtbank liggen alsnog de definitieve toevoegingen aanlevert zodat ze kunnen worden afgehandeld. Dit mag éénmalig per mail naar [S.G], met de zaaknummers en de definitieve toevoegingen. Deze verwerkt zij dan voor hem in het dossier en zij zal in die dossiers met terugwerkende kracht het griffierecht corrigeren. (…)
Verzoeken om herstelbeschikkingen
Een paar keer heeft [verweerder] verzocht om een herstelbeschikking, bijvoorbeeld om een fout in het convenant te herstellen. Dat kan niet. Een herstelbeschikking is bedoeld om een fout van de rechtbank in de beschikking te herstellen. Wanneer Het convenant niet goed is, dan is dat de verantwoordelijkheid van de advocaat. Wij gaan ervan uit dat de advocaat de aangeleverde stukken allemaal goed gelezen heeft.
Aangeleverde stukken.
Het is noodzakelijk dat op de aangeleverde stukken een PDF van een natte handtekening staat. Een foto mag niet en een digitale versie van een handtekening is ook niet toegestaan. Wellicht dat dit in de toekomst anders wordt, maar op dit moment is dit de regel.
Het valt de medewerkers van de rechtbank op dat er regelmatig fouten in de stukken staan die door [verweerder] worden aangeleverd. Besproken wordt hoe dat kan. Het is ook opvallend vaker dan bij andere advocaten die GVE-zaken aanleveren. Zo wordt de nationaliteit van de echtelieden niet goed gecontroleerd. Hierdoor worden IPR-vraagstukken gemist en dat kan fout gaan. Laatst was in een verzoek bijvoorbeeld aangegeven dat beide partijen de Nederlandse nationaliteit hadden, maar dat bleek bij controle door de rechtbank) niet zo te zijn. [Verweerder] geeft aan dat hij afgaat op wat cliënten zegen en geen GBA check kan uitvoeren. Hij kan het wel aanvragen bij de gemeente, maar dat kost tijd en dat doet hij om die reden niet.
[Dhr. O.] geeft aan dat op zijn bedrijf [Z.] de convenanten ook nagelezen worden, de medewerkers die dat doen zijn echter niet juridisch geschoold en geen advocaat. De convenanten worden opgesteld door de mediators. [Z.] dient zo’n 2600 verzoeken per jaar in bij rechtbanken, waarvan ongeveer 1700 via [verweerder].
Op de vraag of hij al die stukken inclusief convenanten dan kan lezen, geeft [verweerder] aan dat hij ze allemaal zelf leest. Hij doet, nu hij 77 jaar oud is, naast die GVE geen andere zaken meer. Hij heeft ook geen website, omdat hij geen behoefte heeft aan andere cliënten naast de GVE. De rechtbank maakt zich wel zorgen over deze gang van zaken, mede gezien de kwaliteit van de aangeleverde stukken. [I.] geeft aan deze zorgen te zullen delen met de Deken van de Orde van Advocaten Overijssel.
Communicatie [verweerder] met de rechtbank
De afgelopen periode zijn er een paar vervelende telefoongesprekken geweest met medewerkers van de rechtbank. [Verweerder] heeft zich daarbij uiterst onfatsoenlijk en onprofessioneel uitgelaten tegen meerdere griffiemedewerkers. [B.] heeft daarop [verweerder] gebeld en hem daarop aangesproken, maar hij was in dat gesprek niet schuldbewust. Daar maakt dat de contacten met hem als vervelend worden ervaren.
[Verweerder] geeft aan dat die betreffende medewerker een onbenul was, en dat vindt hij ook en mag dat dan ook zeggen. Daar heeft hij geen spijt van. Hij heeft wel eens een mindere dag en dat is dan zo. Op de opmerking van [I.] dat hij dat wel daarna zijn excuses zou moeten aanbieden en dat dat tot op heden niet is gebeurd reageert [verweerder] nauwelijks.
Navraag levert overigens op dat [verweerder] tegen griffiemedewerkers heeft gezegd: “wat een achterlijk gedoe”, “welke idioot heeft deze brief geschreven” en “wat is dit voor een idioot gedoe”. Wij hebben besproken dat wij dit soort uitingen niet accepteren en dat [verweerder] respectvol moet blijven tegens onze collega’s. Ook wanneer hij een mindere dag heeft.
Daarnaast heb ik hem op 21/01/25 dringend verzocht zijn mailadres aan te laten passen. Tot op heden nog niet aangepast. Alles gaat nog steeds naar advocaat@[Z.].nl.
2.7 De deken heeft met verweerder gesproken op 23 januari 2025 en vervolgens deze
kwestie overgedragen aan de LOTA (Landelijke organisatie toezicht advocatuur) en verzocht
tien dossiers van verweerder mee te nemen in het landelijke onderzoek naar de kwaliteit
van dienstverlening door afhechtingsadvocaten.
2.8 In het kader van het landelijk onderzoek naar de kwaliteit van dienstverlening
door de afhechtingsadvocaten hebben twee familierechtadvocaten in totaal tien dossiers
van verweerder onderzocht. Iedere deskundige onderzocht er vijf en heeft de andere
onderzoeker zijn bevindingen voorgelegd en tegen laten lezen om een eenheid van beoordeling
te krijgen. De onderzoeksrapportages zijn aan verweerder voorgelegd.
2.9 De (digitale) dossiers waren in het algemeen leeg en bevatten alleen de door
de mediator aangeboden stukken: ID-bewijzen, opdrachtbevestiging, ouderschapsplan,
(alimentatie)berekening, convenant. Ze bevatten niet het door verweerder opgestelde
echtscheidingsverzoek en evenmin de beschikking van de rechtbank noch de akte van
berusting.
2.10 Ieder dossier bevat (dezelfde) opdrachtbevestiging waarin (onder meer) staat:
Ik ben niet betrokken bij de opstelling van de convenanten en daarvoor dan ook niet verantwoordelijk, noch aansprakelijk. Evenmin voor het geval u afziet van aanspraken op wettelijke rechten, bijvoorbeeld met betrekking tot de (wijziging van) alimentatie en/of pensioenverevening.
2.11 De twee onderzoekers hebben samengevat beiden geconstateerd dat in geen van
de dossiers verweerder:
- onderzocht heeft of de gemaakte afspraken in strijd zijn met het belang van
een van partijen;
- partijen heeft voorgelicht over hun juridische posities;
- doorgevraagd heeft;
- berekeningen heeft nagerekend of de volledigheid van de gestelde feiten heeft
gecheckt;
- een verslag heeft opgenomen van het gesprek dat hij zegt gevoerd te hebben
met partijen;
- partijen in persoon heeft gesproken, de gevoerde gesprekken waren telefoongesprekken
met beide partijen gezamenlijk;
- de uitspraak met partijen heeft besproken en heeft gecontroleerd of partijen
daadwerkelijk de akte van berusting willen tekenen.
3 DEKENBEZWAAR
3.1 Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld doordat hij gedurende langere tijd en in een zeer groot
aantal dossiers (1.700 per jaar) stelselmatig nalatig is geweest om invulling te geven
aan de op hem als advocaat rustende verplichtingen, zoals deze in de Advocatenwet
en de Voda zijn neergelegd en die nader door de gedragsregels zijn ingekleurd. Verweerder
heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel 46 Advocatenwet en de in artikel 10a
van de Advocatenwet genoemde kernwaarden, in het bijzonder de kernwaarden integriteit,
partijdigheid en deskundigheid en heeft hij meerdere bepalingen uit de Voda overtreden
en in ieder geval de gedragsregels 1, 2, 12, 14 en 16 geschonden.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen het dekenbezwaar onder meer het volgende verweer gevoerd.
4.2 Verweerder is het niet eens met onderzoek. De onderzoekers hebben onvoldoende
kennis van de procedures. Er wordt gewerkt met zeer professionele mediators. Er vindt
controle plaats op het werk van de mediator, maar hun werk hoeft niet als een schooljuffrouw
te worden gecontroleerd. Hij heeft zijn cliënten wel voldoende geïnformeerd en hun
identiteit gecontroleerd.
4.3 Op de zitting bij de raad heeft verweerder aangegeven dat hij de inhoud van
de convenanten globaal controleert. Als hij niet eens is met de inhoud van het convenant,
bijvoorbeeld als er een tegenstijdigheid in voorkomt, dan stuurt hij de zaak terug
naar de mediator en dan stuurt hij het niet naar de rechtbank.
4.4 De inhoud van het signaal van de rechtbank heeft verweerder betwist en hij
noemt het een gefantaseerde werkelijkheid.
5 BEOORDELING
5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende
klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die
regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm
in artikel 46 Advocatenwet.
5.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen
als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter
mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover
wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit
duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening
met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt.
Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling
van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt
begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als
algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van
een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.3 Het handelen en nalaten van verweerder waarop het dekenbezwaar ziet, heeft
plaatsgevonden in echtscheidingszaken op gemeenschappelijk verzoek. Mediators die
geen advocaat zijn, zijn niet bevoegd tot het indienen van echtscheidingsverzoeken.
Op grond van het aan advocaten toekomende procesmonopolie zijn mediators daarom genoodzaakt
om advocaten, zoals verweerder, in te schakelen voor het indienen van de (gemeenschappelijke)
verzoeken tot echtscheiding met bijbehorende convenanten en eventuele ouderschapsplannen.
Ten tijde van de ontvangst door de advocaat van een dergelijk van de mediator afkomstig
verzoek heeft de advocaat in kwestie dus nog geen enkele inhoudelijke bemoeienis met
de zaak van de cliënten gehad. De Raad voor Rechtsbijstand noemt deze advocaten ‘afhechtingsadvocaat’.
De praktijk van verweerder bestaat alleen of grotendeels uit dit soort zaken. Verweerder
verricht naar eigen opgave ongeveer 1.700 afhechtingen per jaar, ofwel gemiddeld 30
per week, zes per dag.
5.4 In dit soort zaken, waarin een advocaat optreedt als enige advocaat van twee
partijen om op hun gemeenschappelijk verzoek een echtscheidingsconvenant op te stellen
en een echtscheiding tot stand te brengen, geldt een zware zorgplicht, die onder meer
meebrengt dat hij beide partijen goed voorlicht over hun rechten en mogelijkheden
en dat hij zich ervan vergewist dat beide partijen een te treffen regeling begrijpen.
Als een partij met minder genoegen neemt dan waarop deze aanspraak kan maken dan dient
de advocaat zich ervan te vergewissen dat deze partij begrijpt met minder genoegen
te nemen en dat deze partij een dergelijke concessie welbewust aanvaardt.
5.5 Het hiervoor geformuleerde uitgangspunt raakt de kernwaarde van de partijdigheid,
die uitzondering lijdt in het geval een advocaat in een echtscheidingskwestie voor
beide partijen optreedt. Juist omdat het optreden voor beide partijen een uitzonderingssituatie
is, dient dat optreden met bijzondere waarborgen te worden omkleed. Een advocaat heeft
zelf de volledige verantwoordelijkheid om de rechtsbijstand te verlenen op een wijze
die recht doet aan de op de advocaat rustende verplichtingen. Dat geldt ook wanneer
hij door een mediator wordt ingeschakeld om de hiervoor beschreven afhechtingswerkzaamheden
te verrichten. Een advocaat mag nooit enkel als doorgeefluik fungeren. Het is immers
ook de advocaat die het verzoekschrift namens beide cliënten indient en die zijn handtekening
verbindt aan het verzoek. Een advocaat moet vanzelfsprekend inhoudelijk invulling
geven aan zijn taak.
5.6 De raad is – gelet op de hierboven genoemde uitgangspunten en overeenkomstig
het dekenbezwaar – van oordeel dat de bijstand van een advocaat in dit soort zaken
op zijn minst uit de volgende werkzaamheden moet bestaan.
5.7 Een advocaat moet zijn cliënten persoonlijk spreken en identificeren. Hij
dient zijn cliënten te informeren over alle (on)mogelijkheden en risico’s die aan
(deze afspraken over) de echtscheiding verbonden zijn. Hij moet zich ervan vergewissen
dat dat ook daadwerkelijk is wat partijen wensen af te spreken. Hij moet controleren
of wat in het convenant staat juridisch klopt en goed is verwoord en de berekeningen
controleren. Hij moet nagaan of alle aspecten die aan de gevolgen van een echtscheiding
kleven in het convenant aan de orde zijn gesteld en of er niet zaken door de mediator
zijn vergeten. Een advocaat moet verder een verslag maken van de gesprekken die hij
met de partijen heeft gevoerd. Nadat de beschikking door de rechtbank is gewezen,
moet de advocaat de uitspraak bespreken en de cliënten vragen of zij instemmen met
de uitspraak. Alleen in het bevestigende geval kan, in het bijzijn van de advocaat,
de akte van berusting worden getekend waardoor de echtscheidingsbeschikking vervroegd
kan worden ingeschreven. De advocaat zal zich dus ook na het wijzen van de beschikking
ervan moeten vergewissen of partijen nog steeds willen scheiden en achter wat is afgesproken
staan.
5.8 De conclusie van het LOTA-onderzoek is dat verweerder deze werkzaamheden
in de onderzochte dossiers niet, dan wel volstrekt onvoldoende, heeft verricht. Immers,
in geen van de dossiers heeft verweerder onderzocht of de gemaakte afspraken in strijd
zijn met het belang van een van partijen, hij heeft partijen niet voorgelicht over
hun juridische posities, hij heeft berekeningen niet gecontroleerd en niet geverifieerd
of partijen daadwerkelijk de akte van berusting willen tekenen. Ook heeft hij geen
verslag gemaakt van de gesprekken die hij met zijn cliënten stelt te hebben gevoerd.
5.9 De raad is van oordeel dat uit dit onderzoek volgt dat door verweerder aan
de zware zorgplicht die op hem rust, volstrekt niet heeft voldaan. Dat geldt voor
de zaken die zijn onderzocht, maar – omdat verweerder in al zijn zaken dezelfde werkwijze
hanteerde – ook voor de andere, soortgelijke afhechtingszaken die verweerder heeft
behandeld.
5.10 De bezwaren van verweerder tegen de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd,
leiden er niet toe dat de raad twijfel heeft aan de juistheid van de conclusies van
de uitgevoerde onderzoeken. De enkele stelling van verweerder dat de onderzoekers
onvoldoende kennis hebben van deze procedures is daarvoor onvoldoende. Verder heeft
verweerder aangevoerd dat er wel degelijk (op een correcte wijze) identificatie heeft
plaatsgevonden en dat hij – kort gezegd – zijn cliënten wel voldoende heeft voorgelicht.
De raad is hierover van oordeel dat dat niet is gebleken omdat verweerder niet schriftelijk
heeft vastgelegd wat met zijn cliënten is besproken. Zeker gelet op de zware zorgplicht
die op verweerder rustte, had hij dit niet achterwege mogen laten en doordat deze
vastlegging ontbreekt, gaat de raad er – anders dan verweerder stelt – vanuit dat
het op een correcte wijze identificeren en informeren van zijn cliënten niet heeft
plaatsgevonden. Vastlegging van het besprokene is bovendien niet alleen van belang
om achteraf te kunnen nagaan wat precies is besproken, maar ook om partijen de gelegenheid
te geven onafhankelijk van elkaar alles rustig na te lezen en te overdenken. Zo kunnen
beide partijen bij zichzelf nagaan of hetgeen is afgesproken ook werkelijk in overeenstemming
is met hun eigen wensen.
5.11 Bovendien stelt de raad vast dat verweerder gemiddeld ongeveer één uur aan
een zaak heeft besteed. (uitgaande van 30 zaken per week). En verweerder zelf heeft
aangegeven dat een gesprek met een cliënt 10-30 minuten duurt. Ook op grond van deze
(minimale) tijdsbesteding kan de conclusie worden getrokken dat verweerder niet aan
zijn zorgplicht kan hebben voldaan. Deze tijdsbesteding staat bovendien in schril
contrast tot wat de Raad voor Rechtsbijstand voor de afhechting een normale tijdsbesteding
vindt, te weten 2,5 uur.
5.12 De raad realiseert zich daarbij dat de wetgever in mediationzaken waarin
een toevoeging is verstrekt, voorziet in een zogenoemde afhechtingstoeslag die – tegenover
de zware zorgplicht die een advocaat in dit soort zaken heeft - minimaal is, maar
dit is geen omstandigheid die relevant is voor de tuchtrechtelijke beoordeling van
de door verweerder gehanteerde werkwijze.
5.13 De raad stelt op grond van het voorgaande vast dat verweerder gedurende
langere tijd en in een zeer groot aantal dossiers (1.700 per jaar) stelselmatig nalatig
is geweest om invulling te geven aan de op hem als advocaat rustende verplichtingen,
zoals deze in de Advocatenwet en de Voda zijn neergelegd en die nader door de gedragsregels
zijn ingekleurd. Verweerder heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel 46 Advocatenwet
en de in artikel 10a van de Advocatenwet genoemde kernwaarden, in het bijzonder de
kernwaarden integriteit, partijdigheid en deskundigheid. Het dekenbezwaar wordt daarom
gegrond verklaard.
6 MAATREGEL
6.1 De raad heeft vastgesteld dat verweerder in een zeer groot aantal zaken en
gedurende een lange periode ernstig tekort is geschoten in zijn bijstand en daarbij
heeft gehandeld in strijd met de kernwaarden partijdigheid, deskundigheid en integriteit.
Verweerder heeft ten opzichte van zijn cliënten niet die zorg in acht genomen, die
van een behoorlijk handelend advocaat verwacht mag worden en hierdoor kan zeker niet
worden uitgesloten dat zij in hun belangen zijn geschaad. De raad rekent dit verweerder
zwaar aan. De aard en de ernst van deze feiten rechtvaardigen zonder meer een zeer
zware maatregel.
6.2 Bij de oplegging van de maatregel acht de raad van belang dat (tijdens het
onderzoek van de deken en op de zitting van de raad) niet is gebleken dat verweerder
beseft dat hij onbetamelijk heeft gehandeld. Verweerder toont geen inzicht in het
verwijtbare van zijn handelen en hij kiest bewust voor een manier van handelen dat
haaks staat op de voor de advocatuur elementaire beginselen en regelgeving. Dit beeld
van verweerder wordt nog versterkt door het signaal van de rechtbank.
6.3 Verweerder heeft zijn onjuiste werkwijze in dit soort zaken - waaruit zijn
praktijk geheel of in hoofdzaak bestaat - naar aanleiding van de resultaten van het
onderzoek en het dekenbezwaar niet aangepast en ook uit de opstelling van verweerder
op de zitting van de raad leidt de raad af dat verweerder deze werkwijze niet wenst
te veranderen.
6.4 Op grond van de ernst van de verwijten en het feit dat verweerder ter zitting
geen, althans onvoldoende, inzicht heeft getoond in zijn eigen handelen, is de raad
van oordeel dat het niet verantwoord is dat verweerder de praktijk als advocaat in
de toekomst nog uitoefent. Daarom wordt de maatregel van schrapping opgelegd.
7 KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel
48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder
a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het dekenbezwaar gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van schrapping op, ingaande op de tweede werkdag
na het onherroepelijk worden van deze beslissing;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.2.
Aldus beslist door mr. O.P van Tricht, voorzitter, mrs. M.M. Mok, P. Rijnsburger, M.M.
Strengers, S.J. de Vries, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 16 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden d.d. 16 februari 2026