ECLI:NL:TADRARL:2026:37 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-597/AL/OV
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:37 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-02-2026 |
| Datum publicatie: | 03-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-597/AL/OV |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Verweerder heeft niet alleen verzuimd om de beschikking betreffende de scheiding van tafel en bed in te schrijven in de daartoe bestemde registers, maar de werkwijze van verweerder was daar ook niet op ingericht. Hij droeg zelf niet de zorg voor de inschrijving en controleerde ook niet of iemand anders de beschikking had ingeschreven. Ook de houding van verweerder richting klaagster toen zij zich bij hem meldde omdat zij zich door dit verzuim geconfronteerd zag met een mogelijke claim van de Belastingdienst merkt de raad aan als een strafverzwarende omstandigheid. Verweerder liet klaagster in de kou staan door haar naar de mediator te verwijzen in plaats van met alle mogelijke middelen zijn fout ongedaan te maken. Ook op de onderhavige klacht heeft verweerder niet adequaat gereageerd. Berisping. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 2 februari 2026
in de zaak 25-597/AL/OV
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 1 april 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 4 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2483875 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 12 december 2025. Daarbij waren klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klaagster en haar nu ex-partner hebben zich in verband met een scheiding van tafel en bed gewend tot een mediator van buro ‘naam buro’.
2.2 Verweerder is bij dat traject betrokken geweest in die zin dat hij de procedurele werkzaamheden bij de rechtbank voor partijen heeft verzorgd.
2.3 De scheiding van tafel en bed is door de rechtbank op 7 april 2023 uitgesproken.
2.4 Op 26 maart 2025 heeft klaagster van de Dienst Toeslagen een brief ontvangen. Daarin staat dat klaagster weliswaar heeft aangegeven gescheiden te zijn, maar dat volgens de gegevens van de Dienst Toeslagen de scheiding niet is geregistreerd bij de gemeente of in het huwelijksgoederenregister. Klaagster dient volgens de brief alsnog een bewijs van inschrijving toe te zenden aan de Dienst Toeslagen, bij gebreke waarvan klaagster de door haar ontvangen toeslagen moest terugbetalen en haar huidige toeslagen stopgezet zouden worden.
2.5 Klaagster heeft zich telefonisch tot klager en de mediator van [naam buro] gericht met de vraag wat er aan de hand is en om hulp gevraagd.
2.6 Vervolgens bleek dat de beschikking van de rechtbank niet binnen de wettelijke termijn is ingeschreven in de daartoe bestemde registers, waardoor de beschikking van de rechtbank haar kracht had verloren.
2.7 Gelet op de omstandigheid dat verzuimd is de beschikking van de rechtbank in te schrijven heeft de Dienst Toeslagen klaagster een mogelijkheid tot herstel geboden. Klaagster is in de gelegenheid gesteld voor 2 juli 2025 een nieuw verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed in te dienen.
2.8 Op 1 april 2025 heeft klaagster een klacht bij de deken ingediend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, doordat hij de scheiding van tafel en bed van klaagster en haar ex-partner niet heeft ingeschreven of laten inschrijven in de daartoe bestemde registers. Klaagster stelt daardoor opnieuw te hebben moeten scheiden en toeslagen te moeten terugbetalen aan de Belastingdienst.
3.2 Op de mondelinge behandeling heeft klaagster de klacht nog nader toegelicht.
4 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.
5.2 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Beoordeling
5.3 Verweerder heeft erkend dat er een fout is gemaakt. Op de mondelinge behandeling verklaarde hij dat de verantwoordelijkheid daarvoor in de interne verhouding bij de mediator ligt, maar dat extern die verantwoordelijkheid op hem neerkomt. Wat verweerder daarbij naar het oordeel van de raad miskent is dat die verantwoordelijkheid altijd bij de betrokken advocaat berust, in welke interne of externe verhouding dan ook. Dit vloeit voort uit de zorgplicht die hij jegens zijn cliënten heeft. In de gevallen waarin de echtscheiding plaatsvindt op gezamenlijk verzoek, zoals in de onderhavige zaak, en de advocaat jegens beide partijen een zorgplicht heeft is die verantwoordelijkheid nog prominenter. De advocaat draagt volledige verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de hem gegeven opdracht. Het betaamt een advocaat niet om daarbij naar een ander te wijzen.
5.4 Uiteindelijk is het voor klaagster allemaal nog redelijk goed afgelopen, nu de echtscheiding en de inschrijving daarvan op kosten van ‘[naam buro]’ en via een andere advocaat alsnog is geregeld. Dit laatste blijkt uit een e-mailbericht van ‘[naam buro]’ van 1 april 2025 aan klaagster en haar ex-partner. Er zijn geen toeslagen teruggevorderd en de toeslagen zijn ook niet stopgezet. Dat neemt echter niet weg dat de (financiële) gevolgen voor klaagster groot hadden kunnen zijn en dat verweerder daarvoor verantwoordelijk zou zijn geweest.
5.5 De raad heeft niet de indruk dat verweerder zich dat terdege beseft. Dat de Dienst Toeslagen coulance heeft getoond is niet de verdienste van verweerder geweest. Klaagster verklaarde na ontvangst van de brief meerdere malen in paniek te hebben gebeld en gemaild zonder direct antwoord van verweerder te hebben ontvangen. Verweerder heeft daar uiteindelijk op gereageerd door naar de mediator te wijzen, volgens hem degene die een steek had laten vallen. Het had naar het oordeel van de raad echter op de weg van verweerder gelegen om gelijk na het eerste bericht van klaagster voortvarend te handelen. Dat heeft hij niet gedaan. Hoewel verweerder stelt dat hij op 31 maart 2025 een e-mail van klaagster ontving met de vraag wie verantwoordelijk is voor het niet inschrijven van de beschikking en op 1 april 2025 de klacht er al lag waardoor hij geen gelegenheid heeft gehad te reageren, doet dat er niet aan af dat niet is weersproken dat klaagster al voor 31 maart 2025 verweerder heeft gebeld en gemaild nadat zij de brief had ontvangen. Op de mondelinge behandeling verklaarde verweerder dat klaagster zelf voor onduidelijkheid heeft gezorgd door ‘op twee paarden te wedden’ en dat klaagster ‘haar eigen gang ging’. Dat kan de raad niet volgen. De onduidelijkheid is ontstaan omdat verzuimd is de beschikking in te schrijven en klaagster daarover vragen had en op zoek was naar antwoorden en duidelijkheid. Die duidelijkheid kon verweerder nu juist verschaffen. Klaagster was volgens haar verklaring in paniek en wist eenvoudigweg niet wie zij moest benaderen, de advocaat of de mediator. De verklaringen van verweerder ter zitting getuigen van miskenning van de zorgen en paniek bij klaagster.
5.6 Op de mondelinge behandeling verklaarde verweerder desgevraagd verder dat hij voorheen niet controleerde of de echtscheiding werd ingeschreven. Dat hij volgens zijn verklaring ter zitting nu wel voor inschrijving zorgdraagt, althans controleert of er is ingeschreven, doet er niet aan af dat zijn werkwijze voorheen ontoereikend was en niet zoals een redelijk handelend advocaat betaamt.
5.7 Al met al komt de raad tot het oordeel dat de klacht gegrond zal worden verklaard, nu vaststaat dat verweerder verzuimd heeft de beschikking van de rechtbank in te schrijven in de daartoe bestemde registers en de verantwoordelijkheid daarvoor bij verweerder lag.
6 MAATREGEL
6.1 Nu de raad de klacht gegrond verklaart, komt aan de orde of aan verweerder een maatregel moet worden opgelegd en zo ja welke.
6.2 De raad overweegt allereerst ten gunste van verweerder dat verweerder een lange staat van dienst heeft en dat hij nog niet eerder tuchtrechtelijk veroordeeld is. Voorts overweegt de raad dat verweerder ter zitting heeft erkend dat hij een fout heeft gemaakt en heeft aangegeven dat hij zijn handelswijze enigszins heeft aangepast. Daar staat het volgende tegenover. Verweerder heeft niet alleen verzuimd om de beschikking betreffende de scheiding van tafel en bed in te schrijven in de daartoe bestemde registers, maar de werkwijze van verweerder was daar ook niet op ingericht. Hij droeg zelf niet de zorg voor de inschrijving en controleerde ook niet of iemand anders de beschikking had ingeschreven. Het is dus niet zo dat deze inschrijving er ‘doorheen is geglipt’; het behoorde geheel niet tot de werkzaamheden van verweerder. Ook de houding van verweerder richting klaagster toen zij zich bij hem meldde omdat zij zich door dit verzuim geconfronteerd zag met een mogelijke claim van de Belastingdienst merkt de raad aan als een strafverzwarende omstandigheid. Verweerder liet klaagster in de kou staan door haar naar de mediator te verwijzen in plaats van met alle mogelijke middelen zijn fout ongedaan te maken. Ook op de onderhavige klacht heeft verweerder niet adequaat gereageerd. Met de verklaring ter zitting ‘omdat cliënte klaagt zoekt ze het ook maar uit’ geeft verweerder geen blijk van een probleemoplossende houding. Tot slot weegt de houding van verweerder ter zitting niet in zijn voordeel mee nu niet te proeven was dat hij ook maar in enige mate bereid was te reflecteren op zijn handelen. De raad is daarom van oordeel dat de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden is.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. M. Jansen, voorzitter, mr. S.M. Bosch-Koopmans, mr. M.H. Pluymen, mr. S.H.G. Swennen en mr. S.J. de Vries, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 2 februari 2026