ECLI:NL:TADRARL:2026:2 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-562/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:2 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-01-2026 |
| Datum publicatie: | 06-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-562/AL/MN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Verweerster heeft zonder toestemming van de wederpartij bij de rechtbank stukken in het geding gebracht waarvan zij had moeten begrijpen dat die onder de geheimhoudingsplicht van haar cliënt vielen, waaraan ook zij gebonden was. Daarbij weegt ook mee dat verweerster daar door de advocaat van de wederpartij op gewezen is en ook dat verweerster zelf MfN mediator is en uit dien hoofde de nodige terughoudendheid had te betrachten ten aanzien van tijdens het mediationtraject gemaakte afspraken. Berisping. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 5 januari 2026
in de zaak 25-562/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 31 maart 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 18 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z2483357/FB/SDG van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 november 2025. Daarbij waren klaagster en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1. De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de e-mail met bijlage van verweerster van 23 oktober 2025.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Verweerster en haar echtgenoot waren voornemens te gaan scheiden.
2.2 In november 2024 hebben klaagster en haar echtgenoot zich tot een mediator gewend om de gevolgen van hun voorgenomen echtscheiding te regelen. Op 13 november 2024 hebben zij daartoe een mediationovereenkomst getekend.
2.3 Nadat de mediation op 28 januari 2025 was geëindigd heeft de advocaat van klaagster op 7 maart 2025 een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen en een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank.
2.4 Bij brief van 13 maart 2025 heeft verweerster zich bij de advocaat van klaagster gemeld als de advocaat van de echtgenoot van klaagster.
2.5 Verweerster heeft namens haar cliënt op 31 maart 2025 een verweerschrift ingediend met daarin een aantal zelfstandige verzoeken. Als producties 1, 2, 3 en bijlage 1 van productie 5 zat bij dit verweerschrift diverse correspondentie en een schema zorgverdeling.
2.6 Bij e-mailbericht van diezelfde dag heeft de advocaat van klaagster aan verweerster gemeld dat die producties stukken uit de mediation betreffen en heeft haar verzocht die in te trekken. Daarop heeft verweerster laten weten dat de betreffende stukken het positieve resultaat van de onderhandelingen betreffen en daarom niet onder de in de mediationovereenkomst overeengekomen geheimhouding vallen. Bij e-mail van 1 april 2025 heeft de advocaat van klaagster betwist dat er sprake was van overeenstemming en heeft er nogmaals op gewezen dat het niet is toegestaan stukken die betrekking hebben op schikkingsonderhandelingen zonder haar toestemming aan de rechter over te leggen.
2.7 Bij brief van 1 april 2025 heeft de advocaat van klaagster de rechtbank verzocht de betreffende stuken buiten beschouwing te laten. De rechtbank heeft daar geen gehoor aan gegeven.
2.8 Bij beschikking van 22 april 2025 heeft de rechtbank beslist op de over en weer gevraagde voorlopige voorzieningen.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) zonder toestemming van de advocaat van de wederpartij stukken uit de mediation in een procedure over te leggen (gedragsregel 27);
Toelichting : Verweerster heeft bij haar verweerschrift voorlopige voorzieningen stukken ingediend die onderdeel uitmaken van een mediationtraject en vallen onder artikel 4 van de in de mediationovereenkomst opgenomen geheimhoudingsclausule. Het gaat daarbij om e-mailcorrespondentie tussen partijen en de mediator en een schema zorgverdeling. De mediation heeft niet tot een overeenkomst geleid en er zijn ook geen deelafspraken gemaakt. Over geen van de voorstellen die verweerster in haar antwoord noemt is overeenstemming bereikt. Klaagster heeft zich tijdens de mediation omwille van de kinderen en met het oog op het onregelmatige werkrooster van haar ex-echtgenoot enkel tijdelijk geconformeerd aan een door haar ex-echtgenoot voorgestelde zorgverdeling. Ook haar ex-echtgenoot geeft in de mediation aan dat aan deze zorgverdeling geen rechten kunnen worden ontleend. Deze stukken hadden dus niet gebruikt mogen worden in de procedure bij de rechtbank. De overgelegde e-mails zijn bovendien ook niet als volledige e-mails overgelegd, waardoor de context ontbreekt. De mediator heeft partijen op enige moment verzocht om haar niet meer in de ‘cc’ mee te nemen zolang zij er onderling niet uitkwamen. Verweerster maakt daar nu misbruik van door de stellen dat de (delen van de) e-mails waarbij de mediator geen geadresseerde is, niet onder de geheimhouding zouden vallen dan wel overeenstemming tussen partijen inhouden. Klaagster heeft zich door de geheimhoudingsclausule juist beschermd gevoeld tijdens de mediation.
b) niet de-escalerend op te treden;
Toelichting : Door vast te houden aan de stelling dat er wel een overeenkomst zou zijn, zijn er geen concessies gedaan om nader tot elkaar te komen. Verweerster heeft klaagster hierdoor de mogelijkheid ontnomen om te komen tot een oplossing/convenant. Een en ander heeft inmiddels gezorgd voor een flinke vertraging in het traject. Indien er wel de-escalerend was gewerkt hadden beide partijen weer open kunnen staan voor andere/nieuwe oplossingen waardoor de scheiding eerder geregeld had kunnen zijn.
3.2 Klaagster heeft haar klacht op de mondelinge behandeling nader toegelicht.
4 VERWEER
Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.
5.2 De klacht heeft betrekking op het handelen van de advocaat van de wederpartij van klaagster. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een ruime mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is echter niet absoluut, en kan onder andere beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel.
Klachtonderdeel a): zonder toestemming stukken uit de mediation over leggen
5.3 Klaagster en haar echtgenoot zijn op 13 november 2024 een mediationtraject gestart. Op 28 januari 2025 is dit traject geëindigd, zonder dat dit heeft geleid tot schriftelijke vastlegging van het resultaat van de mediation. De vraag die in deze klachtprocedure voor ligt is of de stukken die door verweerster op 31 maart 2025 bij de rechtbank zijn ingediend vielen onder de geheimhoudingsclausule van de mediationovereenkomst.
5.4 Het gaat daarbij om een e-mail van klaagster aan haar echtgenoot en de mediator van 20 december 2024, een e-mail van klaagster aan de mediator en de echtgenoot van 24 december 2024, een e-mail van de echtgenoot aan klaagster van 27 december 2024, een e-mail van de mediator aan klaagster en haar echtgenoot van 7 januari 2025 en een schema.
5.5 De raad stelt voorop dat zolang het mediationtraject loopt in beginsel al hetgeen besproken wordt onder de reikwijdte van de mediation en dus de geheimhoudingsclausule valt. In de mediationovereenkomst die tussen partijen is gesloten staat in artikel 4 de verplichting tot geheimhouding opgenomen, waarbij wordt verwezen naar de artikelen 7 en 10 van het MfN Mediationreglement. In artikel 7 van de tussen partijen gesloten mediationovereenkomst staat dat de tijdens de loop van de mediation tussen partijen gemaakte afspraken hen alleen binden voor zover deze schriftelijk tussen hen zijn vastgelegd, door hen zijn ondertekend en daarin uitdrukkelijk is opgenomen dat de afspraken blijven bestaan ook indien de mediation niet tot overeenstemming leidt.
5.6 Verder geldt op grond van vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dat een advocaat van een deelnemer aan een mediation waarin geheimhouding is overeengekomen, optredende voor zijn cliënt, ook gebonden is aan die geheimhouding.
5. 7 De raad is van oordeel dat de stukken die het hier betreft niet zonder meer door verweerster hadden mogen worden ingediend. De betreffende e-mails zijn opgesteld tijdens de mediation en betreffen onderwerpen van de echtscheiding. Ze zijn ook aan de mediator gezonden. Dat de mediator partijen heeft opgedragen om een aantal onderwerpen eerst onderling te bespreken, maakt niet dat hetgeen daar besproken is of op papier gezet niet onder de mediation valt. Eerder valt daaruit af te leiden dat die afspraken juist wel onder de mediation vallen. Bovendien voldoen de afspraken die partijen hebben gemaakt niet aan de voorwaarde uit artikel 7 van de mediationovereenkomst. Daar komt nog bij dat de advocaat van klaagster verweerster er meerdere keren op heeft gewezen dat de betreffende stukken onder de mediation en dus de geheimhouding vallen. Van toestemming om die stukken te mogen gebruiken en in de procedure in te brengen is dus geen sprake. De op grond van de mediationovereenkomst tussen partijen geldende geheimhoudingsverplichting zou op onaanvaardbare wijze aan waarde inboeten als het de advocaat vrij zou staan om naar eigen goeddunken, op grond van een eigen opvatting omtrent het belang van zijn of haar cliënt en zonder de wederpartij daarin te kennen, te bepalen dat in de procedure gebruik zal worden gemaakt van stukken uit de mediation. Bovendien is verweerster, naar het hof begrijpt, zelf ook MfN mediator en had zij uit dien hoofde moeten begrijpen dat hetgeen partijen tijdens een lopend mediationtraject in opdracht van de mediator thuis bespreken ook onder de mediation valt.
5.8 De raad is gelet op het voorgaande van oordeel dat dit klachtonderdeel gegrond is.
Klachtonderdeel b): niet de-escalerend optreden
5.9 Het klachtonderdeel ten aanzien van het niet de-escalerend optreden zal de raad ongegrond verklaren. Niet is komen vast te staan dat verweerster niet de-escalerend zou hebben opgetreden, waarbij de raad nogmaals opmerkt dat aan een advocaat een ruime mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt.
6 MAATREGEL
6.1 Nu de raad de klachten deels gegrond zal verklaren is de vraag of aan verweerster een maatregel moet worden opgelegd en zo ja welke.
6.2 De raad kijkt daarbij niet alleen naar de geschonden norm, maar neem daarbij ook het tuchtrechtelijk verleden van de betreffende advocaat in overweging. In de onderhavige zaak heeft verweerster zonder toestemming van de wederpartij stukken in het geding bij de rechtbank gebracht waarvan zij had moeten begrijpen dat die onder de geheimhoudingsplicht van haar cliënt vielen, waaraan ook zij gebonden was. Daarbij weegt ook mee dat verweerster daar door de advocaat van de wederpartij op gewezen is en ook dat verweerster zelf MfN mediator is en uit dien hoofde de nodige terughoudendheid had te betrachten ten aanzien van tijdens het mediationtraject gemaakte afspraken. De raad is van oordeel dat in het onderhavige geval de maatregel berisping passend en geboden is.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50 aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50 aan forfaitaire reiskosten van klaagster,
b) € 750 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500 kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 50 aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250 (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a. gegrond;
- verklaart klachtonderdeel b. ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50 aan klaagster;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50 aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mr. E.M.G. Pouls en mr. A.W. Siebenga, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 5 januari 2026